De nieuwe nederlander

ER IS EEN ETABLISSEMENT in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt - de naam hou ik maar even geheim, een massale toevloed van Groene-lezers zou wellicht het natuurlijk evenwicht verstoren - waar de multiculturele samenleving al sinds jaar en dag business as usual is. Ontelbare wereldreizen heb ik er gemaakt, gezeten aan een der immer proper geboende tafels. Zo'n beetje de hele wereldbevolking is hier vaste klant, en als je er een paar jaar trouwe ploegendienst op hebt zitten, weet je meer van wat er zich zoal afspeelt tussen Bos en Lommer, de Krim, het Rif-gebergte en het Amazone-gebied dan een heel legioen oude missiepaters bij elkaar.

Hier kan men wereldburger worden zonder ooit verder te reizen dan met tramlijn 10. De vaste clientèle wordt gevormd door Marokkanen, Grieken, Turken, Antillianen, Zuidafrikanen, Israeli’s, Canadezen, Amerikanen, Surinamers, Brazilianen, Portugezen, Duitsers, Perzen, Italianen, Pakistanen, Argentijnen, Uruguayanen, Javanen, Zeeuwen, Friezen plus nog een hele rits ander volk dat in de kasba van Amsterdam-West is neergestreken, al dan niet illegaal, op de vlucht voor politiek geweld of gewoon omdat ze Amsterdam ondanks alles (Patijn, Parkeerbeheer) nog steeds beschouwen als een uitverkoren stukje grond op deze door blinde haat en afgunst geteisterde aardbol. Geen betere illustratie voor de wording van de global village dan wanneer in de zomer het terras op het pittoreske pleintje afgeladen vol zit. Het lijkt wel een reclamespot voor de Postbank (‘Vijftien miljoen mensen op een heel klein stukje aarde’) of de United Colors van Benetton.
Zoals dat gaat in cafés met een goede sfeer is het aantal liefdesverbintenissen binnen de klantenkring inmiddels niet meer te overzien en is er inmiddels een geheel nieuwe generatie gekweekt van kinderen wier bestaansreden hier ergens tussen de glazen en de jointjes is ontstaan. Hier maakt de Mokumse melting pot nog overuren, als kweekvijver van het nieuwe Amsterdam, transcultureel, transreligieus, trans-zo'n beetje alles wat je bedenken kan. Het is een oase van internationale broederschap, zonder dat er allerlei interculturele werkers bij de tafeltjes klaar staan om de onderlinge dialoog logistiek te coördineren. Het gaat geheel vanzelf en niemand staat er bij stil.
Alhoewel, niemand? Een vaste autochtone bezoekster, een freelance aura-reader als ik mij niet vergis, maakte het mij eens duidelijk dat zij het 'uit principe alleen met buitenlanders doet’. Dergelijke xenofilie behoort nochtans tot de uitzonderingen.
Toch moet er hier iets bijzonders aan de hand zijn. Een Zuidafrikaanse ex-militair die enige jaren in vrijwillige Amsterdamse ballingschap was getrokken om het brein via lsd en andere substanties op vollemaansfeesten in Ruigoord te bevrijden van de Pik Botha-blues, verzekerde me ooit dat hier omnipotente aardstralen in het geding waren, die het menselijk vermogen tot harmonie tot in de hoogste niveaus aan het katalyseren sloeg. Een betere verklaring heb ik tot nu toe niet gevonden.
VOOR ALLE DUIDELIJKHEID: het ware multiculturele café is ook in deze regionen zeker geen schering en inslag. In mijn geboortestad Rotterdam kon je het meemaken dat een café-eigenaar je de toegang tot zijn kroeg ontzegde omdat hij je buiten had zien praten met een zwartgekleurde medemens. Maar ja, dat was dan ook in de naaste omgeving van het Afrikanerplein, broedplaats van de enige rassenrel op grote schaal die Nederland ooit heeft gekend, alle verlekkerde onheilsprofetieën van Eric Nordholt ten spijt. Als nieuwkomer ging ik er altijd van uit dat dat in magisch centrum Amsterdam niet zou voorkomen, naïeveling die ik was.
Ondertussen weet ik wel beter. Ik heb de uitbater van een café in het nabijgelegen Bos en Lommer al eens heel omstandig horen uitleggen dat hij 'geen zwarten schonk’, ook al hing boven zijn hoofd de hele eregalerij met portretten van Ajax-vedetten als Frank Rijkaard, Ruud Gullit, Patrick Kluivert en Clarence Seedorf. Bij een collega in zijn buurt kon het zeer onlangs weer gebeuren dat een argeloze bezoeker met Berberse trekken bij binnentreding werd besprongen door een boomlange arbeider uit de bouwsector, zonder enige vorm van nadere kennismaking vooraf, gewoon vanuit een soort dierlijke, door bier en jenever versterkte ingeving. Ook al zijn de kindertjes even verderop in het pierebadje van de speeltuinvereniging zonder aanziens der etnische kenmerken zeer intercultureel aan het spartelen, in de straten, in het bijzonder bij de hiervoor immer gevoelige middenstand, zijn er vaak genoeg nog stuitende scènes van primitieve xenofobie te beleven. Ook in die gezellige Jordaan kan een euforisch koor het 'Geef mij maar Amsterdam’ midden in het refrein laten stilvallen als er zich een ongewenste vreemdeling aan de toog heeft gezet. Om nog maar te zwijgen van al die intieme eetcafeetjes in de grachtengordel, waar het er zo monocultureel aan toegaat dat iedereen zelfs dezelfde coltrui aan heeft.
JE MOET EIGENLIJK wel stront in de ogen hebben om niet te zien dat het al jaren in fors tempo bergafwaarts gaat met de multiculturele samenleving. Voorbij zijn de zoete jaren zeventig, toen iedere Latijns-Amerikaanse vluchteling op het vliegveld werd opgewacht door een Hollandse mariachi-band met een aubade van solidariteitsliederen van Victor Jara. In de jaren tachtig stond heel Nederland op zijn kop als er ergens in een nieuwbouwwijk drie krakkemikkig geformuleerde folders van Hans Janmaats Centrumpartij in de brievenbus waren gevonden. Nu zijn Janmaats slogans (zoals het indertijd beruchte 'Nederland is vol’) gemeengoed geworden in brede lagen van de Tweede-Kamerpopulatie en de spraakmakende goegemeente daaromheen. De nieuwigheid is eraf, en het proces van xenofobisering sluipt nu eigenlijk onopgemerkt verder, zowel in de politiek als op straat. De danig verharde economische verhoudingen, de almaar venijniger wordende rat race, de beschamende klopjacht op de illegalen, de om zich heen slaande verpaupering, dat alles laat sporen na.
Een paar neerwaartse bewegingen van Kondratieffs conjunctuurgolven en jawel hoor, ook hier lijkt iedereen zich terug te trekken op het eigen bastion. Façades van vriendelijke gastvrijheid verdwijnen als bordkartonnen rekwisieten in de regen, uit de vervaarlijk borrelende onderstroom van vooroordelen en ressentimenten doemen allerlei curieuze superioriteitsgevoelens op.
Zo is de 'Nederlandse identiteit’ ineens uit de hemel komen vallen als een hot issue. Wie maakte zich daar tien jaar geleden druk om? Helemaal niemand toch, behalve dan natuurlijk prof. S.W. Couwenberg en een paar christen-fundamentalistische dissidenten in gaten als Buitenpost? Dezer dagen kan men de opiniepagina’s van NRC Handelsblad en de Volkskrant niet openslaan of er wordt weer een noodroffel gegeven in het kader van een noodzakelijk reveil van de nationale volksaard.
In zijn recent verschenen boek Het nut van Nederland breekt Paul Scheffer, toch een van de meest genuanceerde denkers die de sociaal-democratische beweging in heel haar geschiedenis heeft voortgebracht, een lans voor een diepere en intensere beleving van een nationaal gedefinieerd 'wij-gevoel’, om een punt van oriëntatie te hebben in de postmoderne jungle van de multiculturele samenleving. Opeens is het weer bon ton om te schermen met onze veronderstelde nationale deugden (een vorm van etnocentrische borstklopperij waar ze in de jaren zeventig wel raad mee hadden geweten) en worden er maatschappelijke Deltaplannen voorgesteld om deze veelgeprezen identiteit te behouden in het gewoel van de internationale volksverhuizingen en andere vormen van globalisering.
Een belangrijke motor van dit alles is natuurlijk de angst voor de oprukkende islam, die ons op het hoogtepunt van de ontkerkelijking opeens negen eeuwen terug in de tijd der kruistochten lijkt te zetten, als in een mislukt experiment met een tijdmachine. De angst voor het hoofddoekje, een paar jaar geleden nog een exclusieve hobby van die malle Fransozen, blijkt nu ook in Nederland zijn intrede te hebben gedaan. Ondertussen rent de hele stad zich ’s ochtends de benen uit het lijf om toch maar te voorkomen dat kindlief op de 'zwarte’ school om de hoek wordt geplaatst.
Er wordt met andere woorden keihard gewerkt aan de herlancering van de Nederlandse identiteit. Een dergelijk proces kan niet anders zijn dan reactionair. Het veronderstelt een soort 'paradise lost’, een periode die met beide armen moet worden omhelsd voordat ze ondergaat in de 'pap der tijden’ (J. van Doorn). Het ontkent de onbegrensde mogelijkheden die het heden biedt, zoekt troost bij vertrouwde beelden in de herinnering. Maar waarnaar wil men dan in ’s herensnaam terug? Naar het Nederland van voor de multiculturele revolutie? Naar de dagen van Michiel de Ruyter en Paddeltje en de Zilvervloot?
Heden voert langs de theaterzalen in het land de toneelbewerking van Gerard Reves De avonden, de ultieme roman over het autochtone levensgevoel van voor de grote naoorlogse volksverhuizingen. Iedereen die heden ten dage pleit voor 'een herwaardering van traditioneel burgerlijke deugden en waarden als netheid’ zoals die in de jaren vijftig nog zouden zijn aangetroffen, zou verplicht die voorstelling moeten bezoeken. Als dat dan die veelbezongen Nederlandse identiteit is, geef mijn portie dan maar aan fikkie. Laten we zonder overdreven anti-wij-gevoel vaststellen dat enkele eeuwen calvinistische tucht niet in de koude kleren van onze nationale volksaard zijn gaan zitten en dat de kunst van de levensvreugde hier nu niet bepaald de meest optimale voedingsbodem heeft gekregen.
Nu we niet meer religieus zijn, zet die allerhardvochtigste traditie van het kille protestantisme zich zonder al te veel problemen voort in de zogenaamde 'individualisering’. Het is die eeuwen aan ons vege lijf gekleefde erfzonde die maakt dat de Nederlandse identiteit een hoog spleen-gehalte heeft, een eigenschap die ervoor heeft gezorgd dat zo'n beetje alle Nederlanders in het geheim dromen van een vestiging ergens overzee, of het nu de mediterrane warmte van de Costa Brava is of het rotsgebergte van de Himalaya. Zonder de ongekende vergezichten die de multiculturaliteit ons op eigen bodem biedt, zou ons leven zich hoofdzakelijk afspelen in de grijstinten van Reves Avonden.
Ondertussen zou ik van mijn leven niet willen terugkeren naar het Nederland van pakweg 25 jaar geleden. Nog levendig staat mij de dag bij dat de eerste Surinamer werd ingeschreven op mijn lagere school. Hij heette Wesley en trok enorm veel bekijks, zo ongeveer zoals een Nederlandse rugzaktoerist op vakantie in de binnenlanden van Mongolië. Vanwege zijn superieure talenten als voetballer was Wesley al snel de held van het schoolplein, een absolute ruler in de hiërarchische pikorde die kinderen als ras-anti-democraten nu eenmaal spontaan uitbroeden als er geen volwassenen zijn om de zaak te reguleren. Op reeds enigzsins verschoten schoolfoto’s staat hij er fier bij, die zwarte reus in een gezelschap van louter bleekgezichten, die pionier in het land van Oranje, aanbeden als een halfgod en een bevrijder.
Eerder had zich bij ons in de straat enige consternatie afgespeeld toen een man uit Nieuw-Guinea bij een van de buren werd afgezet. Het was een Papoea-leider, zo bleek later, die bij zijn aankomst op luchthaven Schiphol aan de douane een briefje had overhandigd met daarop enkel de naam van de buurman, die enige tijd als militair in het overzeese gebiedsdeel had gediend. Een zomer lang verbleef de man immer zwijgend in de straat, gezeten tussen de begonia’s, de klaprozen en de tuinkabouters, en ook hij werd geobserveerd alsof hij regelrecht van de planeet Mars in de achtertuin van de buurman was komen vallen.
Achteraf gezien waren het voorboden van een nieuwe tijd, waarin al onze traditionele zekerheden en hang ups een voor een zouden afbrokkelen, gelukkig genoeg. Als ik tegenwoordig vrienden in de provincie bezoek, en bijvoorbeeld in Friesland stuit op een dorp dat qua blond en blauwe ogen nog het meeste lijkt op een of andere postnazidroomkolonie in Zuid-Amerika, bemerk ik dat er zich een zekere onrust zich van mij meester maakt, een enigszins claustrofobische beslotenheid, alsof je een geamputeerde wereld bent binnengestapt. Terwijl het toch eigenlijk home on the ranch zou moeten zijn.
Dan snel ik mij met kloppend hart naar Amsterdam, pak tramlijn 10, en begeef mij terug naar het multiculturele reservaat dat mij daar wacht, als een pleisterplaats in een wereld die danig aan het ruandiseren is geslagen, en drink op betere tijden.