De nieuwe onderduik

WAT ZOU U doen wanneer u zeven Iraanse mannen ‘s avonds langs de kant van de weg zag staan, op straat gezet zonder voedsel, geld en een slaapplaats? Een keurige dame uit het Friese Burgum die dit vorige week overkwam, aarzelde geen seconde en nam de mannen mee naar huis. De Iraniërs waren het asielzoekerscentrum uit gezet wegens 'het niet opvolgen van de huisregels’. Dit is onmenselijk, dacht de Friezin, die toevallig langsfietste. Ze bood de mannen onderdak in haar villa.

Haar kordate optreden werd vermeld in een landelijk dagblad en bewijst dat de leuze ‘Het vreemdelingenbeleid kent zijn grenzen’ van de Rijksvoorlichtingsdienst niet aan iedereen is besteed. Zo telt Nederland meer dan elfduizend vrijwilligers die werken voor VluchtelingenWerk, de grootste organisatie op dit gebied. Ze geven taalles, verzamelen speelgoed en tweedehands kle ding, bemannen de crèche, de kantine of de fietsenwerkplaats van een asielzoekerscentrum, staan de vluchtelingen met juridische adviezen terzijde of maken gewoon af en toe een praatje. Er is ook een legertje Nederlanders voor wie de hulp van VluchtelingenWerk nog niet ver genoeg gaat. Zij hebben zich verzameld in kleine, religieuze of links-radicale groepen of werken gewoon op zichzelf. Zij vormen het laatste vangnet voor vluchtelingen die nergens anders terecht kunnen, omdat ze geen verblijfsvergunning krijgen maar ook niet terug willen of kunnen naar hun geboorteland.
'BONJOUR, MON AMI, ça va?’ Geert Jaap Menken van VluchtelingenWerk houdt spreekuur in het asielzoekerscentrum van Waddinxveen. De donkere, magere man die het kleine kamertje binnenkomt lacht zenuwachtig: 'Ça va mal, très mal.’ François Kokou komt uit Togo. De rechtbank heeft negatief beschikt over zijn asielaanvraag, en daar is niets meer aan te doen: hij is uitgeprocedeerd. 'Ik kan je echt niet helpen’, legt Menken hem nog eens uit. 'Je moet hier wachten tot de vreemdelingendienst in actie komt om je uitzetting voor te bereiden.’ François steekt zijn handen diep in de zakken van zijn trainingspak en kijkt stuurs uit het raam, naar het weiland met koe en snelweg op de achtergrond.
Terug naar Togo wil hij in geen geval, want zijn oom is daar vermoord en hij vreest een zelfde lot. Maar wanneer hij niet meewerkt aan zijn uitzetting, zal hij geen recht meer hebben op opvang in Nederland. Menken beaamt dat hij zich vaak machteloos voelt: 'Je maakt de meest schrijnende situaties mee, en je fungeert maar zo'n beetje als praatpaal, want mogelijkheden om te helpen heb je vaak niet.’
VluchtelingenWerk kan niets doen voor mensen als François Kokou. Alleen asielzoekers die uitzicht hebben op een legaal bestaan in Nederland vallen onder hun 'cliëntenbepaling’. Er moet voor hen een redelijk 'juridisch perspectief’ zijn. Dat betekent niet dat de hulp voor alle uitgeprocedeerden stopt, want soms zijn er dan nog andere mogelijkheden: bijvoorbeeld een aanvraag voor een verblijfsvergunning op medische of humanitaire gronden. Maar je moet ergens een grens trekken, licht woordvoerster Fronnie Biesma van VluchtelingenWerk Nederland toe: 'Mensen de illegaliteit in helpen, dat is gewoon geen optie.’
'DAT IS WEL EEN beetje makkelijk, wat VluchtelingenWerk zegt’, vindt Rian Ederveen. 'Want uiteindelijk komen die mensen bij ons terecht. Waar moeten ze anders heen?’ Ederveen werkt voor de Stichting Vluchtelingen in de Knel in Eindhoven. 'Wij vangen uitgeprocedeerde vluchtelingen op bij particulieren in huis of in het klooster. We hebben hier in Eindhoven een bestand van ongeveer twintig opvangadressen, waar we in totaal zo'n dertig mensen onder kunnen brengen.’
In veel gevallen gaat het om mensen die nog een kans maken op een verblijfsvergunning, maar geen recht meer hebben op opvang. Voor hen kan Vluchtelingen in de Knel financiële steun aanvragen bij VluchtelingenWerk. 'VluchtelingenWerk heeft zelf geen opvangplekken, dus daarvoor zijn ze op ons aangewezen.’
Maar ook mensen die onherroepelijk illegaal zijn en dat zullen blijven, krijgen soms een plek aangeboden. 'Wij hebben twee criteria: aan de ene kant kijk je of mensen nog uitzicht hebben op een legaal bestaan. En aan de andere kant heb je mensen waarvan je zegt: dit is zo verschrikkelijk, wij kunnen het niet over ons hart verkrijgen om ze op straat te zetten.’
De stichting biedt soms ook hulp aan mensen die zich op eigen houtje in het illegale circuit proberen te redden. Ederveen: 'Er zijn natuurlijk mensen die zwarte baantjes vinden en bij vrienden kunnen wonen. Zij hebben geen geld of opvang nodig, maar soms wel advies of een luisterend oor. Dat soort steun bieden wij ook.’
'VLUCHTELINGENWERK ging zich steeds meer richten op de mensen die hier mogen blijven.’ Hans Bosma werkte jarenlang als vrijwilliger voor VluchtelingenWerk in Haarlem, maar twee jaar geleden stapte hij over naar de Werkgroep Kerk en Asielzoekers. 'Ik vond dat onbevredigend, vandaar dat ik nu hier werk. Wij helpen uitgeprocedeerde vluchtelingen die nergens anders terecht kunnen. We proberen met ze te praten, ze financieel te ondersteunen en als het nodig is ze een dak boven hun hoofd te bieden. Daarvoor hebben we een slooppand ingericht dat we - tegen betaling - tijdelijk mogen gebruiken van de gemeente.’
Ook in Den Bosch kunnen illegale vluchtelingen terecht. Ineke de Wolff van de Stichting Kerk en Asiel: 'Je kunt wel zeggen dat iemand nog juridisch perspectief moet hebben, maar wie bepaalt dat? Niet wij of VluchtelingenWerk, maar het ministerie van Justitie bepaalt wanneer mensen worden toegelaten. Het beleid wordt steeds strenger, dus dat betekent dat VluchtelingenWerk steeds een stapje mee teruggaat met het overheidsbeleid. De mensen die buiten de boot vallen, en dat worden er steeds meer, die kun je toch niet laten barsten?’
IN EEN DOORSNEE rijtjeshuis in Eindhoven woont Liesbeth de Bruin met haar vriend. Om precies te zijn op de benedenverdieping, want in de twee slaapkamers boven en in de zolderkamer is een Koerdisch gezin met vier kleine kinderen ondergebracht. De zolderkamer is de huiskamer van het gezin. Er staat een bank, een koelkast en een televisietoestel. 'Het ziet er misschien wat kaal uit’, zegt Liesbeth de Bruin, 'maar de tafel en de stoelen die er stonden hebben zij zelf weggedaan. In Koerdistan eet men op de grond.’
Het gezin heeft geen enkele kans op een Nederlandse verblijfsvergunning. Ze hebben eerder in Duitsland asiel aangevraagd en dat is afgewezen. Ze wonen nu een half jaar bij Liesbeth de Bruin en niemand heeft enig idee hoe lang dat nog gaat duren. 'Hun toekomst is onzeker, daar zijn ze erg gespannen onder. De kinderen redden zich nog wel, die gaan hier naar school en hebben Nederlands geleerd. Maar de twee volwassenen spreken bijna geen woord Nederlands, en je kunt het ze niet echt kwalijk nemen ook, want wie kan zich nou concentreren op een studie in zo'n situatie?’
Liesbeth de Bruin heeft dit huis nog niet zo lang. Bij de aankoop heeft ze erop gelet dat het groot genoeg was, want vroeger heeft ze eens een Nigeriaanse man opgevangen in een kleine tweekamerwoning, en dan zit je wel erg op elkaars lip. Met het Koerdische gezin is afgesproken dat ieder zijn eigen gang gaat. 'We koken bijvoorbeeld apart. Natuurlijk gaan we regelmatig bij elkaar op de koffie, maar we hebben elk ons eigen leven.’
Vooral de kinderen komen veel bij Liesbeth over de vloer. 'De ouders laten de kinderen behoorlijk aan hun lot over. Ze spelen nooit met ze en als ze huilen, krijgen ze geen aandacht, hooguit een pak slaag. Ik denk dat dat ook een gevolg is van de situatie. Ik probeer iedere dag even met de kinderen te spelen, maar ik ben niet zo veel thuis.’
Wat haar omgeving van haar langdurige logés vindt, weet ze eigenlijk niet. 'Ik heb niet zoveel contacten in de buurt, dus mijn buren weten niet precies wat de achtergrond van dit gezin is. Ik vertel liever niet rond dat ze illegaal in Nederland zijn, want je weet nooit waar die verhalen terechtkomen. Maar natuurlijk weet men wel dat hierboven zes Koerden wonen. De kinderen huilen erg veel en ik heb begrepen dat de buren daar last van hebben.’
De sfeer in huis is dus niet altijd even genoeglijk, maar Liesbeth ziet ook positieve kanten aan deze vorm van opvang. 'Je komt heel dicht bij een andere cultuur te staan, daar kun je veel van leren. Deze mensen zijn bijvoorbeeld zeer gastvrij. Ik krijg bijna dagelijks zelfgemaakt vers brood of gebak aangeboden van de moeder. En haar man heeft van onze tuin een prachtige moestuin gemaakt.’ En dan neem je een enkel misverstandje voor lief: 'Laatst moesten we de vloerbedekking op zolder eruithalen, want het stonk zo. De vrouw bleek de vloerbedekking met water en zeep geschrobd te hebben, dus dat was een beetje gaan rotten. Nu hebben we zeil neergelegd en daar zijn ze heel blij mee. Waarom ik dit doe? Tja, waarom zou je zo'n groot huis leeg laten staan?’
CEES SLUIJTER bewoont een statig pand in het centrum van Haarlem, recht tegenover een kerk. Er is genoeg ruimte om aan enkele uitgeprocedeerde vluchtelingen onderdak te bieden.
Sluijter: 'Dit was het huis van mijn ouders. Ik ben hier komen wonen toen zij zo oud waren dat ze verzorging nodig hadden. Zelf was ik toen al gepensioneerd, mijn eigen kinderen waren volwassen, en ik deed vrijwilligerswerk in de Ripperdakazerne, het opvangcentrum voor asielzoekers hier in Haarlem. Toen mijn ouders overleden waren, was het huis veel te groot voor mij alleen.’
Sluijter vindt het eigenlijk niet meer dan normaal dat hij zijn woonruimte deelt. Op het moment heeft hij niemand in huis, want enkele weken geleden konden de mensen die toen bij hem inwoonden, een Servische vrouw en haar tweejarig kindje, elders terecht. Maar binnenkort zal er wel weer iemand anders komen. Hij vindt het wel belangrijk dat de mensen die hij opvangt, uitzicht hebben op een verblijfsstatus: 'Anders begin je aan een verhaal zonder einde.’ Daarom laat hij zijn gasten selecteren door de Werkgroep Kerk en Asielzoekers. Sluijter: 'Iemand die zomaar op de stoep staat, zou ik niet binnenlaten, want je kunt zelf onmogelijk natrekken wat voor persoon dat is.’
Het enkele feit dat een vluchteling uitgeprocedeerd is, zegt hem echter niet zo veel: 'Mijn hemel, als je toch ziet hoeveel willekeur er komt kijken bij zo'n procedure, op wat voor gronden ze iemand wel of niet een verblijfsvergunning geven…’
Sluijters motto is eenvoudig: 'Je moet proberen om alle mensen die in nood zitten de helpende hand te reiken. Mits je daartoe de mogelijkheden bezit. Maar misschien heb ik wel makkelijk praten, ik heb mijn pensioen en dit huis. Als je geen werk kunt vinden en geen huis kunt kopen, of je moet rondkomen van een minimuminkomen, dan ben je misschien minder barmhartig.’
DE GROEPEN vrijwilligers die illegalen of - zoals ze het liever noemen - 'mensen zonder papieren’ helpen, hebben zich verenigd in landelijke overlegorganen als het Platform Migranten zonder Verblijfsvergunning, het Netwerk Religieuzen voor Vluchtelingen en het Platform Illegale Vluchtelingen. Zij zijn het niet eens met het vreemdelingenbeleid en proberen samen invloed op de politiek uit te oefenen. Met acties tegen de Koppelingswet, tegen de afschaffing van het gedoogbeleid en vóór een humaan en rechtvaardiger asielbeleid. Ze organiseren actiedagen en voorlichtingscampagnes, of trekken in fakkeltochten naar asielcentra om hun solidariteit met de vluchtelingen te betonen.
Martien van Dijk is voorzitter van het Netwerk van Religieuzen voor Vluchtelingen. Zijn persoonlijke toelatingsbeleid: 'Laat ze maar komen, laat ze maar delen in onze rijkdom, want het is ook van hen. Wij hebben de landen waar deze mensen vandaan komen eeuwenlang uitgebuit, alles wat daar aan rijkdom was hebben we naar hier gesleept, en nu zouden we hen weghouden?’
'Hoe harder de Nederlanders roepen dat we toch zo'n gastvrij land zijn, hoe minder ze hoeven te doen. En hoe meer mensen dat roepen, hoe meer ìk me geroepen voel om te brullen dat het allemaal niet waar is’, zegt Ineke de Wolff van de Stichting Kerk en Asiel. Ze heeft ook een persoonlijker drijfveer: 'Dat heeft te maken met mijn joodse achtergrond. Om het simpel te zeggen: hadden ze toen wat meer gedaan, had ik nu wat meer familie gehad.’