Naomi Klein

De nieuwe politiek komt uit de sociale centra

Een vrouw met lang bruin haar en een doorrookte stem heeft een vraag. «Wat denken jullie dat dit is?» vraagt ze, met de hulp van een tolk. «Een lelijk getto, of misschien iets moois?»

Het was een strikvraag. We zaten in een bouwvallig kraakpand in een van de minst pittoreske voorstadjes van Rome. De muren van het logge gebouw waren bedekt met graffiti, de grond was modderig en overal rondom stonden dreigend enorme bouwprojecten. Als een van de twintig miljoen toeristen die vorig jaar Rome trokken een verkeerde afslag had genomen en hier terecht was gekomen, zou hij onmiddellijk zijn Fodor hebben gepakt en zijn gevlucht naar een plek met gewelfde plafonds, fonteinen en fresco’s.

Maar terwijl de resten van een van de machtigste en meest gecentraliseerde rijken in de geschiedenis onberispelijk worden geconserveerd in het centrum van Rome, is het hier, in de arme buitenwijken van de stad, dat ik een glimp opvang van een nieuwe, levende politiek. En die is even ver verwijderd van Romeinse keizers en Caesars legers als maar mogelijk is.

Het kraakpand in kwestie heet Corto Ciccuito, een van Italië’s vele «centri sociali». Sociale centra zijn leegstaande panden — pakhuizen, fabrieken, kazernes, scholen — die zijn bezet door krakers en getransformeerd tot culturele en politieke broedplaatsen, uitdrukkelijk onafhankelijk van zowel de markt als de overheidscontrole. Volgens sommige schattingen zijn er in Italië 150 sociale centra.

Het grootste en oudste — Leoncavallo in Milaan — is gesloten door de politie en vele malen heropend. Tegenwoordig vormt het praktisch een stad op zichzelf, met verscheidene restaurants, tuinen, een boekhandel, een bioscoop, een overdekte skateboardbaan, en een club groot genoeg om Public Enemy in te kunnen laten optreden toen die de stad aandeden. Dit zijn zeldzame bohémien-plekken in een snel vertruttende wereld. Dat feit bracht de Franse krant Le Monde ertoe het onderling verbonden netwerk van kraakpanden te omschrijven als «het culturele juweel van Italië».

Maar de sociale centra zijn meer dan alleen de beste plek om op zaterdagavond naartoe te gaan. Ze vormen ook de basis van een groeiende politieke strijdbaar heid in Italië — een die klaar is om het wereldpodium te bestormen wanneer de G8 volgende week bijeenkomt in Genua. In de centra mengen politiek en cultuur zich makkelijk: een debat over directe actie verandert in een enorm feest in de buitenlucht; een rave vindt plaats naast een vergadering over een vakbond voor fastfood-werknemers.

In Italië is deze cultuur uit noodzaak voortgekomen. Omdat politici van zowel rechts als links zijn verwikkeld in corruptieschandalen, hebben grote aantallen Italiaanse jongeren geconcludeerd dat het de macht zelf is die corrumpeert. Het netwerk van sociale centra vormt een parallelle politieke sfeer die, in plaats van te trachten staatsmacht te krijgen, alternatieve overheidsdiensten verleent — zoals kinderopvang en rechtsbijstand voor vluchtelingen — terwijl het tegelijkertijd de staat uitdaagt door middel van directe actie.

Bijvoorbeeld: de avond dat ik in het Corto Ciccuito in Rome was, werd het gemeenschappelijke avondmaal van lasagne en salade caprese bijzonder enthousiast ontvangen omdat het was klaargemaakt door een kok die net was vrijgelaten uit de gevangenis na zijn arrestatie op een anti-fascistische bijeenkomst. En twee dagen eerder, in het Leoncavallo-centrum in Milaan, liep ik enkele leden van de Tute Bianche (de witte overalls) tegen het lijf, die over digitale plattegronden van Genua stonden gebogen, in voorbereiding op de G8.

De directe-actiegroep, genoemd naar het uniform dat de leden dragen op demonstraties, heeft net een «oorlogsverklaring» afgegeven over de top in Genua. Ze hebben plechtig beloofd politielinies te doorbreken en hielden onlangs een publieke demonstratie van de verdedigingswapens die ze willen gaan gebruiken (zoals gewatteerde pakken en rubberbanden).

Maar oorlogsverklaringen zijn niet de meest schokkende dingen die tegenwoordig in de sociale centra gebeuren. Veel opmerkelijker is het feit dat in de afgelopen paar jaar deze anti-autoritaire militanten, gekenmerkt door het afwijzen van partijpolitiek, zich kandidaat zijn gaan stellen – en winnen. In Venetië, Rome en Milaan zitten vooraanstaande activisten uit de sociale centra, onder wie leiders van Tute Bianche, nu in de gemeenteraad.

Sommigen zeggen dat de trend gewoon een defensieve maatregel is: met Silvio Berlusconi’s rechtse Forza Italia aan de macht moeten ze zichzelf beschermen tegen degenen die de sociale centra willen sluiten. Maar anderen, onder wie Beppe Caccia, lid van de Tute Bianche en gemeenteraadslid in Venetië, zeggen dat de zwenk naar gemeentepolitiek een natuurlijke evolutie is van de sociale-centra-theorie.

De natiestaat verkeert in een crisis, stelt hij, en is zowel verzwakt tegenover wereldmachten als corrupt tegenover corporatieve machten. Ondertussen werden in Italië sterke regionale verlangens naar grotere decentralisatie overgenomen door rechts, vaak met een fascistische ondertoon. In dit klimaat stelt Caccia een tweetandige strategie voor: onverantwoordelijke, onrepresentatieve machten op wereld niveau het hoofd bieden (bijvoorbeeld op de G8) en tegelijkertijd een nieuwe, meer verantwoordelijke en open politiek op lokaal niveau herbouwen (waar sociaal centrum en gemeenteraad bij elkaar komen).

Wat me terugbrengt bij de vraag die werd gesteld in de buitenwijken van het gemummificeerde Romeinse rijk. Hoewel het in het begin moeilijk te zien zal zijn, zijn de sociale centra geen getto’s. Het zijn vensters — niet alleen op een andere manier van leven, onafhankelijk van de staat, maar ook op een nieuwe politiek van betrokkenheid. En ja, misschien is het iets moois.

Vertaling: Rob van Erkelens