De nieuwe roemeense mens

De euforie is over in Roemenie, maar wat is gebleven is het opgewonden geschreeuw. Andrei Plesu, voormalig minister van Cultuur, nu hoofdredacteur van Dilemma, wil de Roemenen weer beschaafd leren praten over politiek.

ALLES AAN Andrei Plesu is royaal: gestalte, stem, opvattingen. Hij was in het Roemenie van conducator Ceausescu kunsthistoricus en een van de weinige dissidenten. Direct na de revolutie van december 1989 werd hij dan ook bijna vanzelfsprekend minister van Cultuur. Inmiddels geeft hij godsdienstfilosofie aan de universiteit van Boekarest en is hij hoofdredacteur van het nieuwe blad Dilemma.
Plesu was in Amsterdam, waar hij ter gelegenheid van een hulpactie voor de in december 1989 vernietigde Universiteitsbibliotheek van Boekarest een rede hield over de ziekte van het Roemenie van na het communisme. Royaal was hij daar in zijn kritiek op zowel de Roemeense regering, die beweert dat alles prachtig gaat, maar ook op de liberaal georienteerde oppositie, die zegt dat er helemaal niets ten goede is veranderd. Met zijn weekblad Dilemma probeert hij enige kalmte te brengen in de opgewonden en van wantrouwen vergeven Roemeense politiek en pleit hij voor een andere taal.
Andrei Plesu: ‘Na de revolutie verschenen er plotseling honderden nieuwe bladen in Roemenie. Het was een soort journalistieke euforie, maar erg amateuristisch, een euforie van protest, schreeuwen en vechten. Het was, ook vanuit journalistiek oogpunt, een gewelddadige periode. Ik wilde twee jaar geleden proberen om met Dilemma weer zoiets als een normale toon van debat te vinden, een andere journalistieke stijl en taal. Tijdens het communisme hadden we die typische houten taal van het totalitarisme, maar daarna sloeg het door naar de andere kant: de taal werd te direct, te brutaal, te wreed, er waren helemaal geen regels meer. De lol van het vloeken werd herontdekt. Dat valt heel goed te begrijpen en zelfs te rechtvaardigen, maar dat kan niet eeuwig zo doorgaan. Tussen stilte en schandaal zou je iets van een normale gesprekstoon moeten kunnen vinden.
De naam van ons weekblad geeft al aan dat de zaken niet allemaal radicaal zwart of wit zijn en dat je moet proberen mensen met elkaar aan een tafel te brengen. In de eerste drie jaar na de revolutie was zoiets onmogelijk, de hele atmosfeer was vergiftigd. Roemenie is een land waar niemand het eerste niveau van de realiteit vertrouwt, men denkt altijd dat er veel meer achter zit. Er wordt altijd gedacht in scenario’s en samenzweringen. Misschien is het iets tijdelijks, dat hoop ik in elk geval. Het kost tijd om weer gezond te worden na zo'n lange ziekte. Het leven onder een dictatuur maakt je psychotisch en na zoveel jaren van neurose is een korte episode van hysterie soms onvermijdelijk.’
'ER IS NU SPRAKE van een zekere paradox in de Roemeense samenleving. Er bestaan twee richtingen. De ene richting streeft naar hervorming, democratie, markteconomie, het westerse model. Dat is onvermijdelijk geworden, iedereen accepteert dat dit de enige manier is om onze situatie te verbeteren. Wat ook je politieke opvattingen zijn, alles, de binnenlandse problemen, de internationale context, dwingt je in die richting. Daar kan ook de regering niet onderuit, al is de huidige coalitie zeer conservatief, in de slechte zin van het woord: nationalistisch, xenofobisch. De partij van Illiescu, de president, is gedwongen de steun van deze hysterische nationalisten te aanvaarden - al zijn er ook mensen in de regering die daar van nature toe geneigd zijn - en voeren een beleid waar ze ideologisch eigenlijk tegen zouden moeten zijn.
Het is een zeer dubbelzinnig spel dat er nu wordt gespeeld. De oppositie kan de regering niet steunen, want dan zou ze geen oppositie meer zijn, maar eigenlijk past de ideologie van de oppositie heel goed bij het programma van de regering. Ik denk dan ook wel dat Illiescu eerlijk is als hij vraagt om een bondgenootschap van alle politieke krachten. Illiescu is in de zestig, opgegroeid onder het communisme, hij kan niet zomaar veranderen en plotseling een liberaal denkende hervormer worden. Maar hij doet z'n best om zich aan te passen. Het is jammer dat de oppositie zijn uitnodiging niet kan aanvaarden zonder zichzelf als oppositie te elimineren. Ook de oppositie biedt geen werkelijk alternatief, zij is amateuristisch en verdeeld, zij kan alleen maar tegen alles zijn wat de regering voorstelt.’
'HET COMMUNISME produceert een bepaald type mens, niet eens zozeer autoritair, maar opportunistisch, populistisch, meestal heel primitief en gek op macht en privileges. Het communisme zal waarschijnlijk niet terugkomen in Roemenie, zeker niet de eerste twee of drie generaties, maar de mensen die het communisme heeft voortgebracht zijn er wel nog steeds, en zij zijn zeer bedreven in het uitoefenen van de macht.
In 1992 verwachtte de oppositie een glorieuze verkiezingsoverwinning, maar in Roemenie bestaat daar geen echte basis voor. Toen in mei 1990 de mijnwerkers Boekarest binnentrokken om af te rekenen met de demonstrerende studenten, werden ze toegejuicht door de bevolking. Zelf ben ik erg teleurgesteld in de oppositie; het criterium is daar alleen hoe lang iemand in de gevangenis heeft gezeten. Het is bijna een gerontocratie van heel oude, aardige, eerbiedwaardige mensen, die wraak willen nemen vanwege het harde leven dat ze onder Ceausescu hebben gehad, maar met dat soort retro-denken kun je geen politiek maken.
Dat retro-denken zit trouwens niet alleen bij de oppositie. President Illiescu is eigenlijk een socialist van het type Dubcek, van de Praagse Lente. Hij was onder Ceausescu geen echte dissident, wel een reformist met een hoge positie in de partij, die al in 1971 de moed had zich tegen Ceausescu te keren. Hij kwam dan wel niet in de gevangenis, maar hij werd wel gemarginaliseerd. In 1989 werd hij door iedereen hartelijk verwelkomd als het grote alternatief, inclusief degenen in de oppositie die nu zo tegen hem zijn.
Ook economisch is de situatie paradoxaal. Iedereen klaagt over de slechte situatie, maar tegelijk zie je in Boekarest overal nieuwe auto’s rijden, de restaurants zitten vol en op de markten is van alles te koop. De landbouw gaat nu beter, alleen de privatisering van de grote staatsondernemingen gaat heel langzaam. In elk geval is er vrijheid, iedereen kan alles zeggen en schrijven wat hij wil. De meeste bladen zijn nu pro-oppositie en er zijn ook onlangs twee onafhankelijke televisiestations bijgekomen, met beter nieuws en politieke debatten.
Natuurlijk zitten er nog wel veel functionarissen van het oude regime op allerlei plaatsen, van de geheime dienst tot de diplomatie. Maar ze doen niet meer hetzelfde werk en hoe kun je zomaar duizenden nieuwe, capabele mensen vinden? Wel hadden er processen moeten plaatsvinden tegen degenen die concrete misdaden tegen de mensenrechten hebben begaan, bijvoorbeeld bij de zeer brute collectivisering van de landbouw in de jaren vijftig of in de gevangenissen.’
'ER BESTOND EEN belangrijk verschil tussen Roemenie en de andere communistische landen. In de andere landen bevonden zich in de regering mensen die voelden dat het communisme zou gaan verdwijnen en die er in slaagden van binnenuit een begin te maken met de hervorming. In Tsjechoslowakije en Polen was er ook een zekere georganiseerde oppositie van dissidenten, er was een ondergrondse pers, daardoor was zoiets als een fluwelen revolutie mogelijk. Maar in Roemenie was de dictatuur veel harder, Ceausescu duldde geen enkele oppositie. In Tsjechoslowakije werden van illegale bladen honderden exemplaren gedrukt, in Polen duizenden, bij ons was er niets. Want wie hier een tikmachine had, moest van Ceaucescu elk jaar een stukje tekst tikken en daarmee naar de politie gaan om een vergunning te krijgen. Alle kenmerken van je tikmachine stonden dus geregistreerd.
Bovendien kenden andere landen voor de Tweede Wereldoorlog een zekere communistische traditie, Roemenie niet. Toen de Communistische Partij in 1948 de verkiezingen won, had zij niet meer dan achthonderd leden. Het was Stalin die besloot dat Roemenie communistisch zou worden. Daarom was het bij ons vooral een overwinning van een slecht type mens, van de opportunisten. Dat was die nieuwe mens, waar altijd over werd gesproken.
Toen Ceausescu de macht overnam, was ik pas achttien, het ging nogal langs me heen, maar ik herinner me dat toen hij in 1968 weigerde de inval in Tsjechoslowakije goed te keuren iedereen enthousiast was. Latere dissidenten, zoals Paul Goma, werden toen lid van de partij. Maar al in 1971 realiseerde iedereen zich dat hij een beest was. Je kon onder Ceausescu drie categorieen intellectuelen onderscheiden. De opportunisten, niet zoveel, maar ze waren zeer actief. Dan heel erg weinig dissidenten. En ten slotte de grote massa, neutraal, passief, collaborerend op een meer indirecte en ingewikkelde manier.
Die houding heeft ook te maken met een nationale eigenschap van de Roemenen: het saboteren van de geschiedenis. De geschiedenis wordt bekeken zoals het weer: het regent, het sneeuwt, de zon schijnt, daar bemoei je je niet mee, je gaat je eigen weg. Ik had vroeger een professor die zei: “De geschiedenis pist op ons, laten wij dan ook maar op de geschiedenis pissen.” Die mentaliteit.
DAT IK ZELF in 1988 dissident werd, was geen initiatief van mijn kant, het was meer een reactie op wat er gebeurde. Ik mocht geen buitenlandse vrienden meer ontmoeten en dat was een inbreuk op mijn priveleven die ik plotseling niet meer kon accepteren. Dat gold ook voor m'n vriend, de dichter Mircea Dinescu, hij schreef een heel scherpe open brief aan Ceausescu die werd voorgelezen voor Radio Free Europe. Als straf kreeg hij huisarrest. Toen moest ik wel reageren. Met als gevolg dat ik ontslagen werd aan de universiteit.
Zo ben ik ook op 27 december 1989 minister geworden. Het was een heel speciaal moment, een algemene euforie, een atmosfeer van agitatie en enthousiasme. Iedereen had het gevoel dat je moest doen wat je werd gevraagd. Dinescu zei direct toen het Front van Nationale Redding werd opgericht: “Plesu moet natuurlijk minister van Cultuur worden.” Ik had het gevoel dat ik geen nee kon zeggen. En daar heb ik geen spijt van. Het was jammer dat andere intellectuelen, zoals Ana Blandiana, al snel besloten de regering te verlaten.
Illiescu wilde graag met intellectuelen samenwerken, hij was er erg trots op dat Ceausescu hem ervan had beschuldigd dat hij een intellectualist was. In hun plaats kwamen later de oude nationalisten.
Overigens was het niet gemakkelijk op het ministerie van Cultuur. Ik moest een heel nieuw team vormen, maar soms bleken nieuwe, ideologisch zuivere mensen niet altijd de beste bestuurders. Toch kon ik vrij veel doen. Maar na twee jaar was ik moe. Ik had het gevoel dat als ik nog langer in de politiek was gebleven, ik niet meer terug zou kunnen. Dan had ik mijn manier van spreken en denken te zeer moeten veranderen. Zelfs Havel, die twee maanden geleden in Roemenie was, spreekt nu echt als een president, hij zegt nog alleen maar vriendelijke, protocollaire dingen. Ik heb dat zelf ook meegemaakt na een officieel bezoek aan China. Ik vond het er vreselijk, een duivelse combinatie van ideologisch communisme uit de jaren vijftig en economisch de markteconomie van het volgende millennium. Maar toen ik terugkwam en werd geinterviewd, moest ik zeggen dat het allemaal heel interessant was geweest en dat de relaties met China zich goed zouden ontwikkelen.’
'MET DILEMMA probeer ik een nieuwe, vreedzamer manier te vinden om de taal te gebruiken. Dat is beslist niet saai. Stilte is niet saai, stilte is de grondstof om te denken en te communiceren. Als ik het heb over een normale toon van debat, bedoel ik niet iets middelmatigs. Normaal komt van norm, wet, het model waarnaar je zou moeten leven. Als je de gemiddelde stupiditeit van ons allemaal als norm zou aanvaarden, zou er geen sprake kunnen zijn van vooruitgang.’