Dickens’ tijd was zo slecht nog niet

De Nieuwe Victorianen

In het Londen van Dickens heerste veel leed en verdriet en het stonk er. Toch wordt vanuit de huidige steriele tijd met steeds meer waardering teruggekeken naar The Good Old Days.

De literaire grootheid uit het Victoriaanse tijdperk is tweehonderd jaar na zijn geboorte omnipresent in Engeland. Er zijn weer enkele definitieve biografieën verschenen, de BBC komt met nieuwe verfilmingen, The Times heeft Dickens-artikelen uit zijn archief opgedoken, er zijn diverse tentoonstellingen ingericht en de leden van de Pickwick Club vieren een feest waarbij ze als Dickens-personages moeten komen opdraven. Zelfs The Sun’s pagina-3 naaktmodel Sam uit Manchester citeerde Dickens tijdens de Donkere Dagen voor Kerst: ‘I will honor Christmas in my heart, and try to keep it all the year…’
Hiermee heeft Dickens de tweede plaats, achter William Shakespeare, op de lijst van Engelse schrijvers veiliggesteld. Bovendien is hij een van de schrijvers wiens naam staat voor een maatschappelijk verschijnsel. Waar Kafka een synoniem is voor een ondoordringbare bureaucratie, Orwell voor een repressieve staat, daar is 'armoede’ de eerste associatie bij de naam Dickens. Om precies te zijn: Victoriaanse armoede. Kinderen die in werkhuizen worden uitgebuit, zoals de jonge Dickens zelf, en bejaarden die sterven in de goot, mochten ze de pensioengerechtigde leeftijd überhaupt hebben gehaald.
Een groot deel van de twintigste eeuw had het Victoriaanse tijdperk een slechte naam, wat mede te wijten is aan negatieve oordelen van de invloedrijke Bloomsbury-groep. Met name binnen progressieve kringen keek men laatdunkend naar de Victorianen, met hun liefde voor het Britse imperium, paternalistische liefdadigheid en vooral hun gedoogbeleid wat betreft armoede. En dan zouden ze, anders dan Virginia Woolf en consorten, nog preuts geweest zijn ook. De afkeer uitte zich in architectuur en stedenbouw. Baksteen maakte plaats voor modernistisch beton-in-glas. Rijen arbeidershuisjes werden vervangen door torenflats.
De eerste tekenen van de herwaardering kwamen in de jaren zestig toen John Betjeman begon met zijn strijd voor het behoud van Victoriaans erfgoed. Hij slaagde er helaas niet in om de magistrale Triomfboog van Euston te redden (laat staan het bijbehorende spoorwegstation), maar dat Covent Garden en St Pancras Station er nog staan is aan deze dichter te danken. Voor de opvolgers van Betjeman is het historische gegeven dat Dickens 'een band’ had met een bepaald gebouw een zegen. Zo is een oud werkhuis in hartje Londen eerder dit jaar van de sloopkogel gered toen bleek dat het de inspiratie was voor Oliver Twist. Het zal zeker deel gaan uitmaken van de Oliver Twist-wandeling. Zo ongeveer elke roman van Dickens heeft z'n eigen excursie.
Met goedkeuring zou Betjeman, en wellicht ook Dickens zelf, hebben gekeken naar de diverse actiegroepen die de afgelopen jaren zijn opgekomen om de Victoriaanse rijtjeshuizen te behouden. De kamers mogen dan kleiner zijn, de muren afbrokkelen en de kozijnen verrot; ze hebben iets wat de wederopbouwarchitectuur niet heeft: karakter. Een beetje nostalgicus zou wel willen wonen in het huisje in het stadje Lincoln van de enkele jaren terug op tachtigjarige leeftijd overleden Elsie Briggs. De inrichting van het huis stamde regelrecht uit 1880. Geen vintage of retro. Nadat de jonge Elsie er in 1931 met haar ouders was ingetrokken, had het onbemiddelde gezin besloten de gedateerde boel de boel te laten. Ze leefden bij kaarslicht, badderden in een stalen bad en dronken uit mokken met de afbeelding van koningin Victoria. Voor de muzikale omlijsting van de televisieloze avonden maakten ze gebruik van een opwindbare grammofoon. Na de dood van Elsie zijn haar spullen geveild, en waarschijnlijk voor een deel terechtgekomen bij wat sociologen aanduiden als de Nieuwe Victorianen, twintigers die een bovenmatige interesse tonen in moestuintjes, het oude testament en Victoriaanse vintage.
De Victoriaanse Zeitgeist gaat gepaard met signalen dat de Engelsen langzaam over hun postkoloniale schuldgevoel heen komen. Sterker, er klinken steeds meer geluiden om de banden met het Gemenebest (India voorop) aan te halen en er heerst bewondering voor de Victoriaanse avonturiersgeest, spannend beschreven in het boek Explorers of the Nile: The Triumph and Tragedy of a Great Victorian Adventure. Dat maakt deel uit van een behoefte om weer inventief zijn, dingen te maken om trots op te zijn. Van kleine simpele uitvindingen tot grote neo-Victoriaanse projecten, zoals een superriool onder Londen of een luchthaven op zee. Een architect als Norman Foster zou niets liever dan de geschiedenis ingaan als de Brunel van zijn tijd.
In deze tijd van onverantwoord en asociaal bankieren is er tevens een herwaardering van de 'goede’ Victoriaanse bankiers. Dat is mede te danken aan Ian Hislops recente documentaire When Bankers Were Good, waarbij de 'do gooding bankers’ uit de tijd van Charles Dickens centraal stonden. Volgens Hislop kunnen de Goodwins nog wat leren van de humanistische bankier George Peabody, wiens Peabody Estates (sociale huurwoningen) nog her en der in Londen te vinden zijn, of van zijn collega Nathan Rothschild, die niet handelde in rommelhypotheken maar huizen voor arme joden financierde en zelfs plaatsnam in het stichtingsbestuur van het Londense Moskeefonds.
Het beeld van de Victoriaan als preutse, puriteinse en azijnpissende onderdaan van een eeuwig rouwende koningin is aan het verdwijnen. In de boekenplanken die momenteel worden volgeschreven over het Victoriaanse tijdperk - met titels als The Good Old Days: Crime, Murder and Mayhem in Victorian London en Consuming Passions: Leisure and Pleasures in Victorian Britain - komt de Victoriaan naar voren als een energieke, trotse, sociaal bewogen, seksbeluste en voor vrijheid vechtende burger. Uit pas ontdekte dagboeken van een Amerikaanse student bleek bijvoorbeeld dat het nachtleven in het Cambridge van de jaren veertig in de negentiende eeuw een Sodom en Gomorra was. Ook Victoria zelf wordt niet langer gezien als de treurwilg die na de ontijdige dood van haar Albert celibatair leefde.
Een Victoriaanse traditie die men in oude glorie probeert te herstellen, is de Greenwich Fair, een losbandig festival waar half Londen rond de paasdagen naartoe ging. Met verve beschreef Dickens hoe jongens de meisjes Greenwich Hill op sleepten om ze vervolgens van de steile helling af te rollen, waarbij met een beetje geluk het ondergoed van de jongedames zichtbaar werd. Wegens gevaren voor de volksgezondheid heeft het leukste onderdeel de tand des tijds niet doorstaan. Anders dan de hedendaagse retro-Victorianen konden de echte Victorianen tegen een stootje.
Zij konden er dan ook redelijk op vertrouwen met liefde en deskundigheid te worden geholpen. De Victoriaanse maatschappij, waar bureaucratie minimaal was, functioneerde. Docenten waren de baas in scholen, medici in ziekenhuizen en premier William Gladstone verrichtte met het redden van 'gevallen vrouwen’ een nuttige buitenschoolse activiteit. 'Liever de Victorianen dan de New Labour-knoeiers’, zo luidde een paar jaar terug de kop boven een stuk van cultuurbeschouwer A.N. Wilson. Zijn collega Christopher Howse schreef, in dezelfde trant: 'We renoveren hun bibliotheken maar halen de boeken weg, we bewonderen hun schilderijen maar kunnen zelf niet schilderen en we genieten van hun architectuur, maar bouwen niets dat lang meegaat.’
Maar hoe zit het, tussen deze loftuitingen, met de Victoriaanse armoede, de zogeheten dickensiaanse toestanden? De werkomstandigheden voldeden niet aan de Arbo-normen, de huizen in de sloppenwijken waren niet goed geïsoleerd en werkloosheidsuitkeringen bestonden niet. Victoriaanse gevangenissen waren aan modernisering toe, zoals Oscar Wilde in de vorm van een ballade meldde uit de bajes van Reading. Echter, de vraag klinkt steeds vaker of de jongeren in de hedendaagse achterbuurten, ondanks hun materiële voorspoed, werkelijk gelukkiger zijn dan hun lotgenoten anderhalve eeuw eerder. Een pas ontdekt rapport uit 1840, indertijd opgesteld in opdracht van de sociaal betrokken Graaf van Shaftesbury, suggereerde dat kinderen in werkhuizen en fabrieken 'verbazingwekkend blij’ waren.
Dat laatste lijkt niet overeen te komen met de geest van Dickens, ware het niet dat boeken als Oliver Twist en Bleak House niet zozeer gaan over de onrechtvaardigheid van de armoede als wel over de menselijkheid van de armen. Dickens’ hoofdpersonage, echter, is Victoriaans Londen. Daar heerste veel leed en verdriet. En het stonk er. Tegelijk was het harde bestaan van de Victorianen levendig, avontuurlijk en doorspekt met humor. Dankzij zijn journalistieke talent wist Dickens als geen ander de geest van zijn tijd te treffen. In onze steriele, onzekere en daardoor nostalgische maatschappij verklaart dit zijn populariteit.