De nieuwe vrienden van Tunesië

Tunis/Parijs - De aanwezigheid van Abdelaziz Bouteflika (Algerije) en Mustafa Abdeljalil (Libië) was niet verbazingwekkend. Nog steeds is een goede buur beter dan een verre vriend. Toch waren verre vrienden allerminst vergeten. Eregast tijdens de viering van één jaar Tunesische revolutie was Hamad bin Khalifa Al Thani, de emir van Qatar. Westerse staatshoofden ontbraken.

Een jaar na de vlucht van Zine El-Abidine Ben Ali, op 14 januari 2011, lijkt de heroriëntatie op de Golf de prijs die Europa betaalt voor het al te ijverig steunen van de verdreven dictator. Qatar huisvest Al-Jazeera, de nieuwszender die vrijwel onmiddellijk de kant koos van de Arabische opstand. Maar een groot democraat kan de emir niet worden genoemd. Democracy Index kwalificeert zijn regime zonder meer als ‘autoritair’. Zijn komst deed in de Tunesische media dan ook de nodige wenkbrauwen fronsen. Wat had een autocraat te zoeken in het Arabische land dat als eerste de democratie omhelsde? Maar Bin Khalifa Al Thani wist de kritiek handig te omzeilen. Hij legde een lange lijst met investeringsprojecten op tafel en in het door economische crisis geplaagde Tunesië maak je daar bepaald vrienden mee. En wanneer je dan ook nog eens aanbiedt om families te compenseren van de martelaren van de revolutie kun je helemaal niet meer stuk.

Evenwel tekende de Tunesische vakbond UGTT bezwaar aan tegen dergelijke vormen van buitenlandse inmenging. Veel uithalen zal het niet, maar wellicht kunnen ze daar troost putten uit het feit dat ook Frankrijk, de voormalige kolonisator, niet gespaard blijft voor de bemoeienissen van het oliestaatje. Die begon een paar jaar geleden met de aankoop van Hôtel Lambert, het illustere zeventiende-eeuwse stadspaleis op het Île Saint-Louis in de Seine, en vond onlangs zijn voorlopige bekroning in de aanschaf van voetbalclub Paris Saint-Germain. Maar bij symbolische aankopen bleef het niet. Begin december werd bekend dat het streng islamitische Qatar dit jaar vijftig miljoen euro gaat investeren in de banlieues van Parijs en Marseille. Dit overigens op uitdrukkelijk verzoek van een groep burgemeesters van Franse achterstandsgemeentes. Het bedrag bedraagt een tiende van het totale jaarlijkse Franse budget voor stadsontwikkeling. Toch is ook in Frankrijk lang niet iedereen daar blij mee. ‘Zou zoiets in een andere sector denkbaar zijn?’ stelde Claude Dilain, senator en oud-burgemeester van Clichy-sous-Bois, de voorstad waar de rellen van 2005 begonnen, retorisch. ‘Is het voorstelbaar dat de Verenigde Staten tien miljoen euro in ons onderwijs zouden investeren?’

Volgens Nabil Ennasri, onderzoeker aan de universiteit van Straatsburg, maken de investeringen in de banlieue deel uit van een mondiale strategie. Daarbij wijst hij op de Qatar National Vision 2030, een document waarin de langetermijnambities van het ministaatje zijn verwoord. ‘Als Qatar de banlieue uitkiest, is dat niet voor niets. Op termijn beoogt zij de daar wonende moslimgemeenschap aan zich te binden en zo een verspreidingsgebied voor haar ideeën in Frankrijk te creëren’, aldus Ennasri. Tunesië is gewaarschuwd.