Benjamin Barber over Amerika’s geleerde lessen

De nieuwe werkelijkheid

Een jaar na 11 september 2001 gaat de Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber na wat Amerika heeft geleerd, en wat niet. De werkelijke uitdaging voor de VS is volgens hem de onderlinge afhankelijkheid van alle landen in de wereld.

Een jaar na de verwoestende aanval op het Pentagon, symbool van Amerikaanse militaire hegemonie, en de Twin Towers, zetel van het World Trade Center en tempel van het kapitalisme, staan de Amerikanen voor een ironische paradox: alles is anders en niets is veranderd.

Voor wie zijn blik voorbij de poreuze grenzen van de Verenigde Staten richt, is alles anders geworden: onafhankelijkheid heeft plaatsgemaakt voor onderlinge afhankelijkheid, nationale politieke soevereiniteit heeft het veld geruimd voor wereldwijde economische soevereiniteit en de doeltreffendheid van een door één natie uitgevoerde militaire oplossing is vervangen door de noodzaak om collectief te zoeken naar sociale en economische oplossingen.

Toch is er voor degenen die nog steeds niet voorbij de Potomac-rivier kunnen kijken, laat staan naar de overzijde van de Atlantische en de Stille Oceaan — en helaas moeten velen in de regering-Bush daartoe worden gerekend — niets veranderd: handel op je eigen houtje, dwing het af met geweld, sla geen acht op de fragiele internationale juridische en civiele orde en laat de Amerikaanse hegemonie gelden alsof het 1945 (of misschien 1914) is in plaats van 2002.

Deze paradox werpt een dilemma op, zowel voor bedachtzame Amerikanen, als voor de vrienden en bondgenoten van de Verenigde Staten die het terrorisme willen uitroeien. Er is terecht een ruime mate van begrip voor de problemen van de Derde Wereld en voor de uitdagingen waarvoor de islam zich geplaatst ziet, maar voor terrorisme als instrument bij het streven naar gerechtigheid en het verhelpen van problemen is nergens veel tolerantie te vinden.

Zoals de na 11 september gevormde coalitie heeft aangetoond, waren naties die doorgaans niet bijzonder genegen zijn hun goedkeuring te verlenen aan Amerikaanse militaire operaties bereid een militaire operatie tegen de Taliban te steunen en tevens medewerking te verlenen en deel te nemen aan een krachtige campagne tegen het wereldwijde terrorisme door de inzet van politie en veiligheidsdiensten.

Men ging er echter van uit dat deze militaire en politionele operaties slechts een eerste stap zouden zijn in een op vele fronten te voeren campagne die antwoord moest geven op de uitdagingen van de mondialisering. Het leek geboden een antwoord te vinden op het terrorisme zelf en op het wereldwijde klimaat waardoor het wordt gevoed.

Dit klimaat van ongelijkheid, economische dominantie en opdringerig ongodsdienstig materialisme had immers duidelijk een destabiliserende invloed op ontwikkelingslanden en leidde er maar al te vaak toe dat iets wat wij een strijd voor democratie noemden in de ogen van anderen een gevecht voor verwesterlijking en culturele hegemonie leek. Van de vijftig landen waar het per capita jaarinkomen lager was dan 1450 dollar werd in de periode tussen 1990 en 1999 bijna de helft armer en gaandeweg ook instabieler.

De meeste sociale wetenschappers zullen de stelling van Walter Laquer of Joseph Nye onderschrijven dat zwakke en failliete staten het meest vruchtbare proefterrein voor terrorisme vormen.

Vanwege de noodzaak te komen tot samenwerking en multilateralisme stelde de regering-Bush in de maanden die volgden op 11 september onder invloed van Colin Powell haar beleid op enkele belangrijke punten bij. De al meer dan tien jaar achterstallige contributie aan de Verenigde Naties werd betaald; met vrienden en bondgenoten werden serieuze gesprekken gevoerd over gepaste vormen van multilaterale actie; en in februari bood president Bush in Monterrey, Mexico, zelfs aan om de Amerikaanse niet-militaire ontwikkelingshulp met vijftig procent te verhogen. Dit aanbod was des te opvallender omdat het budget dat de VS hieraan besteedden ver beneden de door de Verenigde Naties aanbevolen 0,7 procent lag.

Tegelijkertijd zegden de Verenigde Staten eenzijdig het antiraketverdrag op, herriepen zij de door de regering-Clinton toegezegde steun voor het Internationale Gerechtshof (de Verenigde Staten scharen zich in hun verzet tegen het Hof aan de zijde van de landen van «de as van het kwaad», zoals Irak en Iran!), verklaarden zij dat zij zich niet langer gebonden achtten aan de Weense Conventie over de Wet op Verdragen (waarin wordt uiteengezet welke verplichtingen landen hebben ten aanzien van verdragen die zij nog niet hebben ondertekend), volhardden zij in hun weigering het Verdrag over de Rechten van het Kind uit 1989 te ondertekenen, tartten zij het mensenrechtenbeleid door de wijze waarop zij terroristische verdachten en andere politieke gevangenen behandelden, bleven zij het Kioto-verdrag afkraken (ondanks het rapport van een door president Bush zelf aangestelde Presidentiële Commissie, waarin wordt onderkend dat het broeikaseffect een reëel probleem vormt), en voerden zij een steeds militanter en unilateraler Midden-Oostenbeleid dat er niet alleen toe leidde dat de Israëlisch-Palestijnse onderhandelingen vastliepen, maar ook — en dat was nog veel erger — dreigde uit te monden in een oorlog met Irak, al had de regering erkend dat Irak niet bij de aanslagen van 11 september was betrokken.

Om de schurkachtige daders te veroordelen en de getraumatiseerde Amerikaanse natie een hart onder de riem te steken, haalde president Bush kort na de gebeurtenissen van 11 september in begrijpelijk felle bewoordingen uit tegen «het kwaad». De retoriek die op die ene dag was vereist, werd echter al snel omgezet in een permanent buitenlands beleid van eigengerechtig gemoraliseer en unilateralisme. In naam van het onrecht dat hun was aangedaan, leek de president de Verenigde Staten te ontheffen van hun normale multilaterale verantwoordelijk heden en juridische verplichtingen.

Dat hij de daders van de aanslag op 11 september demonische schurken noemde, vond misschien nog weerklank onder de gekrenkte Amerikanen. Dat hij Noord-Korea, Irak en Iran (deze laatste twee zijn aloude vijanden van elkaar) bestempelde als een «as van het kwaad», riekte echter naar demagogie en een rechtvaardiging voor eigengerechtig optreden. Het leek te getuigen van minachting voor nuanceringen, de ziel van een coherent buitenlands beleid. Iran was tenslotte zelf een vijand van Irak. Bovendien was in het land een democratische beweging aan het ontstaan en verleende het zijn medewerking aan het oprollen van terroristen die opereren in de stijl van al-Qaeda (afgelopen zomer leverde Iran een aantal verdachten uit aan Saoedi-Arabië).

Ergens in de afgelopen eeuw, toen twee wereldoorlogen en de verwoesting van Europa en Japan hadden aangetoond dat het oude stelsel van nationale staten geen betrouwbare basis meer vormde voor vrede en veiligheid, en dat het lot van alle afzonderlijke volken was veranderd in één gemeenschappelijk lot, is de onderlinge afhankelijkheid voor een groot deel van de wereld een onvermijdelijke realiteit geworden. Zelfs in de Verenigde Staten leidde het samenkomen van ecologische, technologische en economische veranderingen er omstreeks de jaren zestig toe dat de Amerikanen zo sterk afhankelijk werden van gebeurtenissen elders in de wereld dat Amerika’s trotse geschiedenis van «onafhankelijkheid» en pseudo-isolationisme hierdoor werd verloochend. De gebeurtenissen van 11 september hebben de theoretische onderlinge afhankelijkheid veranderd in een onontkoombare praktische realiteit.

De nietsontziende terroristische leermeesters van al-Qaeda hebben ons enkele wrange lessen geleerd: dat Amerika’s militaire macht zelfs niet in staat was haar militaire thuisbasis te beschermen; dat de Amerikaanse economie, waarover zo hoog werd opgegeven, door één enkele rampzalige terroristische daad totaal kon worden verwoest; dat Amerika kwetsbaarder was van «binnenuit» dan van buitenaf; dat «soevereine grenzen» geen betekenis meer hebben; dat de vijand, hoe zwak ook, in zijn opzet kon slagen door Amerika’s krachten, de instrumenten waardoor zij zelf functioneert, als terroristische wapens te gebruiken — Amerikaanse vliegtuigen, het Amerikaanse financiële en kredietstelsel, Amerikaanse opleidings- en trainingsinstituten, Amerikaanse paspoorten en verblijfs vergunningen.

Door deze lessen in de wind te slaan, sloeg president Bush af en toe een ietwat mal figuur. Toen hij kort na 11 september aankondigde dat de Verenigde Staten actie zouden ondernemen tegen «elke staat die onderdak verleent aan terroristen» kwam bij sommige Amerikanen de gedachte op dat New Jersey en Florida wellicht zijn eerste doelen zouden moeten zijn!

De kwestie waarmee de Verenigde Staten worstelen is niet ethisch: wat de president geleerd had moeten hebben, ligt op het praktische vlak, niet het theoretische. De Verenigde Staten hebben het recht om elke natie aan te vallen die in verband is te brengen met het terrorisme of met de terroristische dreiging. Ze zijn zonder meer gerechtigd om unilateraal tot actie over te gaan, wanneer zij dat zouden willen. De kwestie is ook niet juridisch in de formele zin van het woord. Zoals een befaamde jurist al opmerkte: de Amerikaanse grondwet is geen zelfmoordpact. Maar dat is de internationale wetgeving ook niet.

De kwestie waar het werkelijk om draait is pragmatisch: zal een moraliserend unilateralisme werkelijk werken? Het antwoord is: nee. De regering-Bush heeft niet te kampen met een overdaad aan rechtvaardigheidszin, maar met een tekort aan tactisch en strategisch inzicht.

Precies tweehonderd jaar geleden, toen hij de Onafhankelijkheidsverklaring opstelde, appelleerde Jefferson aan de noodzaak tot «gepaste eerbied voor de opvattingen van de mensheid.» Van een dergelijk respect is nauwelijks iets terug te vinden in het standpunt (hier vervat in de woorden van bijval van de conservatieve columnist Charles Krauthammer) dat «als de Europeanen weigeren in te zien dat zij deel uitmaken van dit gevecht [tegen het terrorisme], prima. Als zij hun verantwoordelijkheden naast zich willen neerleggen, prima. We zullen toelaten dat zij zich vastklampen aan onze jas, maar nooit dat zij ons de handen binden.»

Dergelijke uitspraken zijn niet alleen ondiplomatiek en ondoordacht, maar — wanneer ze de basis moeten vormen van beleid — desastreus. Ze gaan namelijk voorbij aan het element van onderlinge afhankelijkheid dat in het vraagstuk van het terrorisme besloten ligt.

De terroristen begrijpen dit maar al te goed, en slagen erin de anarchie en afhankelijkheden van het internationale stelsel maximaal in hun voordeel aan te wenden. De meest verontrustende ironie van deze eerste verjaardag van de elfde september zou wel eens kunnen zijn dat de terroristen een betere grip op de realiteit van de onderlinge afhankelijkheid hebben gekregen dan de Verenigde Staten. Ze begrijpen dat ze deel uitmaken van een internationale infrastructuur waarover geen enkele natie — hoe machtig ook — in zijn eentje controle kan uitoefenen. Ze weten dat ze geen risico lopen vanwege het simpele feit dat de antagonistische «gast»-staten waar zij gebruik van maken, worden aangevallen en verwoest. Terroristen bestaan immers uit wisselende, mobiele en flexibele organismen die geen vaste nationale thuisbasis hebben. Ze kunnen zich nestelen tussen hun vijanden (in Pakistan, Egypte, Duitsland of Florida). Je kunt ze uitroeien in Afghanistan en ze duiken op in Indonesië, in Soedan of op de Filippijnen; of ze houden zich gedeisd, versmelten tegen de achtergrond van hun volksgenoten (zoals de overlevende Taliban-strijders in Afghanistan) of ze buiten het multiculturalisme van hun tegenstanders uit (zoals mogelijk de immigranten of gastarbeiders in Marseille of New York).

De wederzijdse afhankelijkheid brengt met zich mee dat het terrorisme onmogelijk een kopje kleiner kan worden gemaakt: het is immers een systeem waarin het vermogen om contacten te leggen veel crucialer is dan de cellen die er deel van uitmaken. Voor elke gevangen of gedode terrorist staan achter de coulissen tientallen nieuwe klaar. De dood van een voorganger is alleen maar een extra prikkel voor degenen die na hem komen. Als de gruweldaden van de Palestijnen niets anders hebben bewezen, dan toch in elk geval dit.

Hoe sterker de tegenstander wordt, hoe doeltreffender de kracht die het terrorisme aan hem ontleent.

De kracht van het stelsel van de westerse naties is gelegen in zijn transportsystemen, zijn telecommunicatie, zijn financiële krediettechnologie en de daaruit voortkomende infrastructuur van onderlinge afhankelijkheid.

Het zijn echter juist deze technologieën die de infrastructuur kwetsbaar maken voor een terroristisch interdict. De onderlinge afhankelijkheid waaraan het terrorisme zijn krachten weet te ontlenen, is zelfs de belangrijkste verworvenheid van de moderne beschaving.

Wanneer deze verworvenheid wordt afgezworen door het afkondigen van unilaterale onafhankelijkheid en soevereine autonomie speelt dat de terroristen feitelijk in de kaart. De nieuwe partners van de onderlinge afhankelijkheid worden hierdoor immers teruggedwongen in een valse soevereiniteit die hen geen werkelijke bescherming kan bieden.

De geveinsde soevereiniteit waaraan de regering-Bush appelleert, is allang achterhaald door hiv, het broeikaseffect, gastarbeiders, MTV, de wereldmarkten, immigratie, Hollywood-films en het vrije verkeer van financieel kapitaal, naast dat van drugs, olie en misdaad.

De Verenigde Staten willen niet inzien dat de internationale verdragen die zij weigeren te ondertekenen, het Strafhof dat zij weigeren te erkennen en het systeem van de Verenigde Naties dat zij niet willen ondersteunen, allemaal pogingen zijn om tot een nieuw wereldwijd sociaal akkoord te komen dat tegenwicht moet bieden aan de anarchie van de mondialisering waarop roofzuchtige terroristen en expansiegerichte financiële handelaren inspelen. Het feit dat Amerika deze pogingen bagatelliseert, verraadt een strategie die wereldwijde anarchie bevordert uit naam van het behoud van nationale soevereiniteit.

Direct na 11 september claimde president Bush dat het moment was aangebroken waarop de wereld Amerika moest steunen. De werkelijke lering die uit de gebeurtenissen van 11 september getrokken moet worden, was echter dat het moment was aangebroken waarop Amerika de rest van de wereld moest steunen.

Onderlinge afhankelijkheid, dat is momenteel de werkelijke uitdaging voor Amerika. Na twee eeuwen Amerikaanse onafhankelijkheid is het mandaat van de soevereine autonomie verlopen. Wie alleen staat, staat niet langer sterk. Eigengerechtig handelen is niet langer een teken van soevereiniteit, maar van onmacht. Onderlinge afhankelijkheid is de nieuwe en onontkoombare werkelijkheid. En sterke naties weten dat hun macht door samenwerking en overeenstemming wordt vergroot, niet beperkt.

De rechten van volkeren dienen niet langer door elke natie afzonderlijk te worden veiliggesteld: iedereen geniet zijn rechten, of niemand. Dit is de les die Europa de afgelopen eeuw op hardhandige wijze heeft geleerd. En binnen Europa is momenteel in enkele hoeken van Frankrijk, Duitsland en Italië nog slechts een minderheid van anachronistische nationalisten te vinden die geloven dat hun land buiten Europa sterker zou staan dan er in.

Net zoals de oorspronkelijk dertien Britse kolonies die Amerika twee eeuwen geleden vormden na verloop van tijd de Artikelen van Confederatie hebben vervangen om een sterkere federale eenheid te vormen waarbinnen elk van hen over hun gezamenlijke macht kon beschikken, dienen de Verenigde Staten hun trouw aan een bedrieglijke onafhankelijkheid nu op te geven en hun aandeel op zich te nemen in de gedeelde macht van daadwerkelijke onderlinge afhankelijkheid. Uit noodzaak en in verband met het veiligstellen van rechten is nu een nieuwe Onafhankelijkheidsverklaring vereist, net zoals er uit noodzaak en in verband met het veiligstellen van rechten in de achttiende eeuw een Onafhankelijkheidsverklaring was vereist.

Het erkennen van de onderlinge afhankelijkheid houdt een acceptatie in van het feit dat terrorisme, hoe verdorven het ook is, wortelt in een grotere wereldwijde context van onderlinge afhankelijkheid. Het houdt het inzicht in dat de haatzaaiende madras-hoofddoeken van Afghanistan, Pakistan, Egypte en andere oorden hoogtij vieren omdat er te weinig alternatieve lagere scholen zijn; het inzicht dat de terroristische leiders, net als de traditionele revolutionaire kaders, wellicht zelf een goede opleiding hebben genoten, maar dat zij spreken uit naam van en bouwen op de woede en wanhoop van de onontwikkelden en de rechtelozen. Het houdt het inzicht in dat het goedkoper is om een kind op te voeden en zinvol werk te geven dan het terrorist-geworden-kind dat noch een opleiding noch een baan heeft, of dat te hoog is opgeleid en te weinig kansen heeft gekregen op het vinden van een baan of om een staatsburger te zijn, op te jagen en te doden. Het houdt in dat we beseffen dat er om het fundamentalisme tot zwijgen te brengen een echt wereldwijd pluralisme moet ontstaan waarin voldoende ruimte is voor de talloze stemmen van religies en overtuigingen.

Pas wanneer wij de onderlinge afhankelijkheid volledig begrijpen, zullen wij tot een vergelijk komen met de meest tartende ironie van de nieuwe tijd: dat juist de successen van het opdringerige, ongodsdienstige materialisme in het bieden van ontwikkelingshulp aan islamitische en derdewereldlanden vaak wrevel opwekken — net zozeer als het wrevel opwekt dat het markt kapitalisme erin faalt de volken van de Derde Wereld rechtvaardig te behandelen en volwaardig deel te laten uitmaken van de wereld van de toekomst.

Het dilemma van dit nieuwe tijdvak van onderlinge afhankelijkheid ligt besloten in de vraag hoe wij moeten reageren op een moslimmoeder die enerzijds bang is dat haar kind geen deel zal hebben aan het wonder van de moderne wereldeconomie en dat het armoedig en beschaamd zal sterven, en anderzijds dat haar kind wel deel zal hebben aan de moderne wereldeconomie en een leven van morele ontaarding en spirituele verloedering zal leiden.

Terroristen ontplooien hun activiteiten in de enge tussenruimtes van dit stekelige dilemma, waar de wanhoop om te worden uitgesloten (McWorld’s wereldwijde onrechtvaardigheden) zich mengt met de woede om erdoor te worden opgeslokt (McWorld’s culturele imperialisme).

De Amerikaanse leiders eisen Amerikaanse onafhankelijkheid, een partnerschap met Amerika, een Amerikaans multilateralisme. Maar de soevereiniteit die we binnen het oude disfunctionerende systeem van nationale staten hebben verloren, kan alleen herleven binnen een nieuwe wereldwijde «civil society» waarin de Verenigde Staten hun krachten en verworvenheden bundelen met de bondgenoten en vrienden die hebben geholpen deze tot stand te brengen, en waarin zij hun welvaart en voorspoed delen met degenen ten koste van wie zij deze hebben verworven. Dat is de werkelijke les van 11 september.

Of president Bush dit bijtijds zal inzien, weten we niet: maar zolang Amerika geen regering heeft die over dit inzicht beschikt, kan het terrorisme niet blijvend worden overwonnen. De «as van het kwaad» zal alleen het onderspit delven wanneer de as van ongelijkwaardigheid wordt gebroken. Uiteindelijk zal Amerika enkel slagen wanneer de democratie in alle opzichten zegeviert.

Vertaling: Sander Hendriks