Wie schrijft die blijft (17)

De Nieuwe Wilden

Onder leiding van Elly de Waard scherpen zestien vrouwen hun pen in het door mannen gedomineerde poëzieklimaat van de jaren tachtig. Maar geen mannelijke criticus ziet de Nieuwe Wilden staan. Terwijl ze volgens de feministische critica Maaike Meijer «de eerste dichteressengroep sinds Sappho» zijn.

In 1985 start Elly de Waard bij het Amsterdamse «vrouwencultuurcentrum» Amazone een tweewekelijkse poëzieworkshop. Veertien schrijflustige vrouwen, afkomstig uit alle delen van het land, melden zich aan: Ida Boelhouwer, Ans Hovius, Joske Janszen, Patty Kuppens, Jacqueline van Leeuwen, Ineke van Mourik, Ineke Schoenmaker, IJda Smits, Eva van Sonderen, Elly Stolwijk, Helene Zao, Jeanne Wesselius, Chawwa Wijnberg en Annemarie de Waard, een zus van Elly. De Waard acht de groep zo talentvol dat zij feministische uitgeverij Sara in mei 1987 beweegt tot een bloemlezing met daarin verzen van alle cursisten. De Nieuwe Wilden in de poëzie wordt gepresenteerd op het derde feminiene poëziefestival De dichteressen in De Melkweg. Ankie Peypers, door de Nieuwe Wilden fel bewonderd, mag daar een eerste exemplaar in ontvangst komen nemen.

Elly de Waard heeft de bundel van een ronkende inleiding voorzien. Daarin poneert ze de stelling dat indien Arthur Rimbaud een vrouw was geweest, zij zeker vergeten zou zijn. De Nieuwe Wilden willen verwant zijn aan de schilderende Neue Wilden die, volgens De Waard, eveneens in opstand moesten komen tegen het «steriel geworden purisme van minimal art en arte povere». Het vaderlandse poëzieklimaat was in die jaren tachtig dankzij «hermetischen» als Wiel Kusters en Peter Nijmeier, aldus De Waard, op vergelijkbare wijze verkild. Hoog tijd om weer eens een gooi te doen naar de realiteit, «en daar zijn nieuwe wilden voor nodig».

Onderdrukte vrouwenwoede komt in de bundel authentiek tot uitbarsting: «ik wil niet wassen koken zorgen/ ik wil er uit, ik wil vanmorgen/ een brief schrijven aan mijn vriendin/ en klagen over mijn gezin» (Chawwa Wijnberg). De gedichten zijn alledaags, privaat en bovenal sans gêne: «Peinzend kijkend naar mijn lijf/ vond ik vanmorgen één vol-/ maakte zilverwitte krul/ in mijn zwarte schaamdos» (Annemarie de Waard). «Terwijl ik mij geroutineerd/ Een bh omgord, cup C/ Maar nee, te klein/ Toch maar weer 80 D» (Ineke van Mourik). «O, de jonge meisjes/ met wapperende haren/ (…) stoute billen in/ te wijde broek» (Ineke van Mourik). «Talloze eenzame orgasmes/ ontsnappen aan mijn lippen/ die schaamteloos dood/ dood dood stamelen» (Elly Stolwijk). Soms ook zijn de verzen manvijandig: «terwijl zijn naam/ als een bot in mij groeit/ heeft hij mijn benen/ in onschuld gebroken/ zoals de eeuwen/ dat met vrouwen deden» (Patty Kuppens). En maatschappijkritisch: «zij is een hoer van Babylon/ in plaats van de hoogste der vrouwen», zo schendt Eva van Sonderen de majesteit. IJda Smits beweent een zoon die in dienst moet: «Derde en laatste oproep, politie/ bij ons huis, je weigert te verklaren.»

In het «homodok-lesbisch archief», gevestigd op een morsig industrieterreintje in Amsterdam-West, is het Nieuwe Wilden-archief van Chawwa Wijnberg te raadplegen. Verdeeld over zeven stoffige dozen heeft ze alles bewaard, tot en met de correspondentie aan toe. Ook een grote cursusordner is terug te vinden. Daarin staan gedichten die De Waard haar pupillen bij wijze van huiswerk liet schrijven. Eromheen scabreuze pentekeningen van mollige blote vrouwen.

In een artikel uit Humanist van december 1987 wordt verslag gedaan van zo'n poëzieworkshop: «Vier van de twaalf vrouwen hebben werk bij zich dat ze de groep willen voorleggen», schrijft de verslaggeefster. «Niet veel, wordt geconstateerd. ‹Ik heb de afgelopen weken geen letter poëzie op papier gezet, ik weet niet hoe het precies komt›, verzucht de vrouw naast me. Een ander bekent dat er weer niets van haar hand is verschenen. De juf kijkt een beetje bestraffend. Toch blijkt de produktiviteit over het algemeen genomen vrij konstant en naarmate de les vordert, verschijnen er uit klappers en tassen steeds meer gedichten. (…) Als in een volgend, passievol gedicht de moordlustige Romeinse keizer Nero ‹dansend op de transen› wordt aangehaald, roept dat bij enkele dames ‹onprettige gevoelens› op. ‹Hij stak de stad in brand, vind jij leuk? Hij genoot van het zien lijden van mensen, is dat hartstocht?› (…) ‹Laten we de moraal er buiten laten›, suggereert Elly de Waard. ‹Het gaat erom of het beeld dekkend is.› Maar dan wordt het de critica te veel: ‹Alleen omdat dit voorval tweeduizend jaar geleden plaatsvond zou dit kritiekloos genoemd mogen worden? Me zolen!› Ze loopt geëmotioneerd de deur uit.»

Na publicatie van de bundel wordt het bonte gezelschap door tal van vrouwentrefcentra gevraagd optredens te verzorgen. Een van de eerste is op 10 mei 1987, georganiseerd door de Haagse Vrouwenboekhandel Trix. Er mag begin juni ook voorgelezen worden bij Poetry International. 14 Juni staan ze dan weer in Eindhoven op de bühne. 21 September 1987 is er een voordracht in Almere Haven, bij de Stichting Vrouw Inn. Ter bevestiging werd een briefje aan Wijnberg gestuurd: «Jullie komen a.s. zondag 27 september in het vrouwenhuis te Almere Haven met de Nieuwe Wilden (bestaande uit plus minus 6 vrouwen) een programma verzorgen. Afgesproken is dat jullie vergoeding voor dit optreden 400 zal bedragen, te voldoen diezelfde middag.» 1 December is er een optreden in vrouwenboekhandel De Feeks.

Van dit soort avondjes werd hooguit verslag gedaan in obscure lesbische blaadjes. Pas later, bij grotere optredens, was er een meer reguliere pers. Vaak afwijzend, zoals in januari 1989 na een optreden in de Haarlemse Toneelschuur. Joost Niemöller in het Haarlems Dagblad: «Ik hield m'n adem in. De eerste dichteres stond in de spot! En toen begon het. Zonder enig voorbehoud buitelden ze over elkaar: de stoplappen, de open deuren, de strijdkreten, de pathetische zelfverheffing, de quasi-poëtische rimram, het gelul, de rancunes, de particuliriteitjes, de vet uitdruipende beeldspraak, de zogenaamde grapjes. Mijn oren tuitten, een verschrikkelijke vermoeidheid kwam over me, ik kreeg last van mannelijke superioriteitsgevoelens.»

Van de bundel werden binnen een jaar meer dan duizend exemplaren verkocht. Door de officiële kritiek werden de Wilden zorgvuldig genegeerd. In het winternummer 1987 van het lesbisch cultureel tijdschrift Lust & Gratie beklaagt Elly de Waard zich hierover: «Na ons kwamen de Maximalen, een groep mannelijke dichters die hetzelfde voorstaan als de Nieuwe Wilden, namelijk een nieuw elan in de dichtgeslibde officiële poëzie, en als bij afspraak werd aan hen het ene krante- en tijdschriftpagina [sic!] na de andere gewijd.»

In het herfstnummer van datzelfde periodiek houdt Ineke van Mourik een vlammend betoog tegen de mannelijke dominantie in de literatuur. Volgens haar is Elly de Waard «de pispaal van de provinciaal-Amsterdamse kritiek»: «Het negeren, belasteren, verdraaien van feiten en ridiculiseren van vrouwen is iets van alle tijden, en 1987 was daarop tot nu toe geen uitzondering. Niet het kritisch oordeel, ingegeven door de liefde voor poëzie, viert hoogtij, maar redeloos gekwaak. Hier gaan verstand en gevoel niet samen, maar laten de heren zich drijven op stormen van onwetendheid, agressie, woede en ergernis die uitmonden in onvervalst seksisme en een spoor van vernielingen.»

Uit documenten in het Wilden-archief van Wijnberg blijkt dat de xantippes hun leidster cultusachtig vereerden. «Lieve Wilden», schrijft Jacqueline van Leeuwen eind 1987 aan de anderen, «Elly is in verband met vakantie vanaf begin januari 3 weken niet aanwezig. Dat betekent dat Elly niet in Utrecht aanwezig is. Verzoek aan Ida: graag wat gedichten van Elly voorlezen zodat Elly wel aanwezig is.» De Waard heeft Van Leeuwen instructies gegeven om een optreden in Utrecht gladjes te doen verlopen: «Elly verzoekt ons om woman-identified gedichten voor te lezen. De organisatrices in Utrecht vragen om gedichten waaruit te horen valt wat vrouwen tegen sexueel geweld zouden kunnen doen.»

In oktober 1988 wordt De Nieuwe Wilden in de poëzie 2 uitgebracht. Bij Van Gennep, want Sara is door die uitgeverij opgeslokt. Op de presentatie, die plaatsheeft in het Kunstation te Leeuwarden, houdt Rob van Gennep een speech waarin hij belooft het feministische karakter van de imprint te handhaven. De Leeuwarder Courant interviewt Jacqueline van Leeuwen. «De Nieuwe Wilden gaan ervan uit dat vrouwen zelfstandige, prachtige wezens zijn, die niet vastzitten aan een strak vast patroon», zegt ze. «Vanuit dat bewustzijn kijken wij tegen de wereld aan en schrijven we onze gedichten. Een gedicht over incest schrijf je niet, als je vindt dat het logisch is dat vrouwen als seksobject gebruikt mogen worden. Iemand die lesbisch is zal het niet normaal vinden dat je met een man de liefde deelt.»

Er zijn ditmaal gedichten van twaalf dichteressen in de bundel opgenomen. Ans Hovius, Helene Zao, Ineke van Mourik, IJda Smits en Jeanne Wesselius hebben het veld moeten ruimen. Nieuw zijn Els Hagendoorn en Monica Linschoten. Volgens De Waard schrijft Hagendoorn «fantastische verzen in een aan Gorter verwante zuiverheid van lyriek». Evenals in de eerste bundel is als motto een gedicht van Ankie Peypers gekozen. Peypers aanvaardt tijdens de presentatie het «ere-lidmaatschap» van de Wilden. «Vrouwen hebben in de literatuur heel weinig traditie», licht De Waard toe. «De weinige voorgangers die er wel zijn moet echter alle recht worden gedaan. En daar is Ankie Peypers er een van.» Er volgen optredens door het ganse land. In december, als het gezelschap Dordrecht aandoet, mag Peypers ook optreden.

De landelijke pers ontwaakt als de Wilden, november 1988, optreden in De Balie. «Er klinkt trompetgeschal, zondagavond, wanneer Elly de Waard met een groot gebaar haar Nieuwe Wilden aan het publiek voorstelt», schrijft de Volkskrant. «De dichteressen, die met hun tweede bundel De Nieuwe Wilden in de poëzie al enkele weken op tournee zijn, hebben een volle zaal in De Balie in Amsterdam. (…) Met de grootst mogelijke betrokkenheid lezen De Nieuwe Wilden hun gedichten, maar het wil niet altijd overtuigen. Ans Hovius: ‹Vandaag is de dag — na vele jaren‚ dat/ ik zeggen mag; ik ben aankomend dichter›.»

Daags erna drukt diezelfde Volkskrant een groot interview af met De Waard. «Ik ben natuurlijk ook een soort coach, ik ben in feite ook een trainer, de Rinus Michiels van het elftalletje», zegt ze. De Waard bestrijdt dat haar Wilden zondagsdichteressen zijn. Hoewel voor hen de aanleiding om te gaan dichten vaak wel «een ongelukkige periode in hun leven» blijkt te zijn, laten ze het daar volgens de leidsvrouw niet alleen van afhangen. De poëzieworkshops hebben volgens haar «de functie van een kweekbak». «Straks is een aantal bundelrijp», zegt De Waard.

Daags erna staat een groot Wilden-interview in Het Parool. Chawwa Wijnberg: «Wij zijn in een chaos gekomen en gaan het landschap bevolken met vrouwen, vrouwenbeelden, vrouwenhuizen en vrouwencultuur. (…) Wij worden niet geacht überhaupt een stem te hebben. (…) Ze verwachten van mij dat ik een appeltaart kan bakken.» Patty Kuppens: «Toen ik voor het eerst in de werkgroep van Elly kwam was dat een verademing.» Annemarie de Waard: «Elly polijst ons vakmanschap. Talent hebben we zelf.» Wijnberg: «Je wordt door juf Elly streng aangepakt.» Elly de Waard: «Elma van Haaren zit toch meer in de abstracte traditie van mannenpoëzie. Judith Herzberg schrijft de poëzie van een vrouw uit de vorige generatie.»

De Waard kondigt in het artikel aan dat de beweging «nog wel even» zal blijven bestaan. Want «een verandering in klimaat kost nu eenmaal tijd». Het zou daarbij wel handig zijn als de Nieuwe Wilden over «een eigen criticus» zouden beschikken, «net als de Vijftigers met Rodenko» want anders «overleef je het uiteindelijk niet». Maar er is nog immer geen criticus die de Wilden ziet staan. Of het moet de radicaal-feministische critica Maaike Meijer zijn. Volgens Meijer zijn de Nieuwe Wilden «de eerste dichteressengroep sinds Sappho».

Het Wilden-front lijkt hecht, maar een schisma is nabij. Op 4 januari 1989 stuurt Eva van Sonderen vanuit Jeruzalem een ansichtkaart naar Wijnberg: «Een maand geleden droomde ik een woedende droom over Elly de Waard. Het boekje van de Nieuwe Wilden was uit en er stond maar één gedicht van mij in. Ik werd ontzettend kwaad op Elly (wat ik in werkelijkheid nooit zou durven). Vandaag kreeg ik de bundel opgestuurd, en verdomd, er staat maar één gedicht van mij in. Alsof ik een nekschot kreeg. Hele dag door van streek geweest, huilen, woedend, enz. Ik vermoed dat Elly zich zo verraden voelde dat ik zomaar ben vertrokken (ik heb het haar nog in Nederland geschreven, ik durfde het haar niet te zeggen omdat zij de laatste keer op het Vogelwater zo kortaf en bitchy was). Want ze zou veel meer van mij er in zetten, dat had ze al tegen me gezegd zelfs! Wat een klere-streek.»

Op de Nacht van de Poëzie van 18 maart 1989 staat dan ook geen Wilden-collectief, maar slechts een beperkte afvaardiging: Elly de Waard, Elly Stolwijk en Chawwa Wijnberg. Marjoleine de Vos in NRC Handelsblad: «Al oogstte Chawwa Wijnberg veel succes met feministische grapjes voor beginners: ‹Als mannen zouden bloeden/ Hoe groot en imposant het maandverband›, Elly Stolwijk (‹Talloze orgasmes ontsnappen aan mijn lippen die telkens «dood, dood, dood» stamelen›) wist echter geen enkele indruk van wildheid na te laten. Als deze groep niet bestond, bestonden deze dichteressen ook niet.»

Het laatste optreden heeft plaats op zaterdag 30 september 1989. Samen met de Maximalen verzorgen de Nieuwe Wilden in het Utrechtse Vredenburg een gedenkwaardig optreden, aangekondigd als «een wedstrijd om het landskampioenschap der Muzen». De Waard, die Koos Dalstra en Joost Zwagerman bij een fotosessie had ontmoet, daagde de Maximalen uit om in een gezamenlijk optreden de hegemonie van de hermetisten voorgoed te verbrijzelen. Geen grap, bittere ernst. Wanneer op het laatst een aantal Maximalen wil afzeggen, dreigt De Waard hen juridisch aan te pakken, «ook al zijn deze afspraken dan mondeling geweest».

In de pers wordt in de aanloop naar het optreden de spanning flink opgevoerd. «Ik vind de Maximalen geen grote dichters, hun onderwerpen interesseren me niet», zegt Elly de Waard in Het Parool van 27 september. «Nieuwe Wilden?» repliceert René Huigen, «ik ben er niet wild van, laat ik het zo zeggen.» Afgesproken is dat de Wilden het programma voor de pauze verzorgen. Daartoe is onder meer een Haarlems dameskoor ingehuurd. Er ontstaat wederom onrust in de gelederen der Wilden als Elly Stolwijk weigert haar gedichten anoniem door het koor te laten zingen. Dit concept is bedacht door regisseuse Marga Hagoort, met wie De Waard op dat moment de sponde deelt. Omdat De Waard haar zin toch doorzet, spant Stolwijk, uiteindelijk vergeefs, een kortgeding aan. De bedachtzame Wilden-entourage staat in schril contrast met die van de Maximalen. Zij hebben Peter Giele ingehuurd als showmaster. Na de pauze zal hij het podium omtoveren tot een tableau vivant, compleet met naaktmodellen, schilders, dichters, masseuses en een liefde bedrijvend paar wier verrichtingen op een groot videoscherm live te volgen zijn.

De voorspelde oorlog brak uit, die zaterdag. Het broeide van meet af aan. Tijdens een voorafgaand gezamenlijk diner hadden de Maximalen een stripteasemeisje over de Wilden-tafel laten dansen. In Vredenburg provoceerde de aanhang van beide bewegingen er lustig op los. Tijdens de langdurende voordracht van Koos Dalstra riep Wilden-genodigde Andreas Burnier: «Koos thuiskomen, het eten is klaar.» Het publiek, zevenhonderd in getal, was getuige van een veldslag die ingeluid werd door Pieter Boskma. Hij riep «Nieuwe Wilden, bah» en kreeg een rijpe appel uit de hand van Elly de Waard tegen het voorhoofd gesmeten.

«Uiteindelijk werd er dan toch nog gemept», schreef Matthijs van Nieuwkerk in Het Parool. «Een krijsende dame, masseuse van de Maximalen, schold Elly de Waard uit voor dierenbeul en kùùùùtwijf, nadat De Waard, aan het slot van de avond, witte duiven had laten opvliegen in Vredenburg. Zus Annemarie de Waard pikte de beledigingen niet en pompte de dame direct hardhandig met een microfoon op het hoofd.»

Na het Vredenburg-optreden gaat het hard bergafwaarts met de groep. Chawwa Wijnberg schrijft in een emotionele brief dat doorgaan voor haar niet langer vanzelfsprekend is, vooral omdat De Waard tegen de zin van de auteur een vers van Stolwijk liet voorlezen. Het leiderschap van De Waard wordt openlijk in twijfel getrokken. «Mijn voorstel is om de verantwoordelijkheid die nu vanzelfsprekend naar Elly de Waard wordt toegeschoven, een zaak te maken van alle groepsleden.» Wijnberg stelt voor «een onafhankelijke manager» in te huren om van al «het gezeur over afspraken en persmappen en weet ik wat» af te zijn.

In de Haagse Post van oktober 1989 werpt ook Ida Boelhouwer haar kont tegen de krib: «Op een gegeven moment was er echt geen discussie meer mogelijk, alleen nog in de wandelgangen. Elly de Waard is natuurlijk een voortrekker, ze is ook de enige echt goede dichter, maar er had in de loop der jaren toch wel iets meer een toestand van gelijkwaardigheid kunnen ontstaan?»

Afgezien van Elly de Waard zelf zijn van de zestien Wilden alleen Chawwa Wijnberg, Annemarie de Waard en Ida Boelhouwer zeer bescheiden verdergegaan op het ingeslagen poëtische pad. Van Mourik en Linschoten waagden zich aan proza. Van de rest is nooit meer iets vernomen. «Nazorg verlenen?» zegt Elly de Waard aan de telefoon. «Ik ben geen verpleegster.» Het is haar probleem niet dat er van het merendeel niks is geworden. «Op een gegeven moment houdt de zorg op en moeten mensen op eigen benen staan. Ik kan ze toch niet van de wieg tot het graf coachen? Het ontbrak ze niet aan talent, wel aan doorzettingsvermogen.»

Terugblikkend op het woelige Wilden-tijdperk overheerst bij De Waard «een gevoel van teleurstelling». Toch zijn in het huidige postmodernistische poëzieklimaat sommige Wilden-ideeën overgenomen, zegt zij. «Zonder dat wij daar de credits voor hebben gehad.» Zij vindt het onbestaanbaar dat de Maximalen — «met een veel beperkter programma» — die wel hebben gekregen.