Zomerschrijvers: Nederland ligt naast Artis

De Nijlpaardenbrug

Bij de Nijlpaardenbrug in Amsterdam ligt heel Nederland op een vierkante kilometer. Een leerzame plek voor een buitenstaander.

Medium mvdggroene8878

Het is een korte, smalle straat. Veel valt er niet over te zeggen. Aan de ene zijde wat heren­huizen, een garage, het Leger des Heils en het Plantage Dok-gebouw. Aan de overkant: troosteloze flatgebouwen.

Het wegdek – aan beide zijden afgezoomd door geparkeerde auto’s – wordt voor de volle breedte ingenomen door een tramspoor en een fietspad die van Artis komen, om de hoek, en via deze straat naar het centrum leiden. Eenrichtingsverkeer, ook voor fietsers.

Maar wanneer ik door de Plantage Doklaan fiets, en dat doe ik vaak, kom ik meestal van de stad, op weg naar huis. Zodoende fiets ik tegen de richting in. Meestal wip ik dan bij het begin – maar dus eigenlijk het eind van de straat – het voetpad op; een kort stukje burgerlijke ongehoorzaamheid waarna ik linksaf de Nijlpaardenbrug opdraai, die leidt naar de schoonheid van de route die volgt over de kade van het Entrepotdok, langs de zebra’s en giraffen aan het water.

Zo ook die dag.

Aan het begin – voor mij het eind – van de straat loopt een man op het voetpad. Hij loopt me tegemoet. Ik slalom langzaam tussen geparkeerde fietsen en verdwaalde vuilniszakken door. Wanneer hij zo’n honderd meter van me vandaan is, hou ik links aan op het voetpad om hem duidelijk te maken dat ik hem heb gezien, en ruimschoots zal ontwijken. Maar ook de man schuifelt, met zijn wandelstok, naar de linkerkant – zijn rechterkant. Ik manoeuvreer metéén naar rechts – zijn links – maar daarop beweegt de man ook naar rechts. En wordt me duidelijk wat zijn bedoeling is. Ik rem en kom tot stilstand, vlak voor hem. Hij kijkt me aan. Het is het type gepensio­neerde leraar. Hij wijst naar iets onduidelijks in de lucht, het zweeft ergens boven de straat. ‘Jongeman’, zegt hij. ‘Mag ik vragen wat wij hier aan het doen zijn?’

Ik glimlach als een kind dat zonder te vragen een koekje uit de trommel heeft gepikt en tegen beter weten in begin ik te vertellen: ‘Ik neem hier altijd een stukje binnendoor, op weg naar huis. Het is hier eenrichtingsverkeer, ziet u. En er rijdt ook nog een tram. Dus ik neem even het voetpad. Begrijpt u? Dat is veiliger.’

Bij die laatste woorden vormt zich een wee gevoel in mijn hartstreek.

‘Jongeman. Waaróm denkt u dat er fiets­paden bestaan?’

Ik zucht. ‘Meneer…’

‘Nee, waaróm bestaan er fietspaden. U hebt niet het recht…’

De rest van zijn woorden gaat verloren. Ik ben moe. Ik ben plots zo ontzettend moe.

Mijn handen rusten op de blauw geverfde borstwering van de Nijlpaardenbrug. Ik overzie de gracht, het kabbelende water. Gerenoveerde pakhuizen aan mijn linkerhand, Artis aan mijn rechter, voor mijn neus een schitterende woonboot. Op het dek staat een man die lachend de was ophangt.

Het stelt niet zo veel voor maar ik fiets hier graag. Ik hou van het water dat hier prachtig kan glinsteren in de middagzon en er zijn een paar stemmige terrassen van kroegen die onder in die pakhuizen zitten. Daar hou ik bij mooi weer vaak halt.

Onlangs vierde ik mijn tienjarig jubileum als inwoner van Nederland. Op 27 mei 2002 meldde ik mij bij de vreemdelingenpolitie op de Johan Huizingalaan. De ambtenaar van dienst vroeg: ‘Via welke grens bent u het land binnengekomen?’ Omdat ik wat verdwaasd op haar vraag reageerde, toonde ze mij een landkaart. Ik wees Breda aan en zij zei: ‘De zuidgrens dus.’

Het was een enigszins verwarrend maar ook verhelderend moment omdat ik plots besefte dat ik aan het emigreren was. Naar een ander land. Zo had ik Nederland nog nooit bekeken. Vanuit Antwerpen ben je zo de grens over en niet veel later nader je al Amsterdam. Het Buitenland. Dat is Venezuela. Of Bulgarije. Desnoods Frankrijk of Duitsland. Maar Nederland, dat was simpelweg een eindje verderop en op zaterdag dienden wij Antwerpenaren ons helemáál niet te verplaatsen want dan tilden de Nederlanders die grens eigenhandig op om hem ter hoogte van de Meir en de Keyserlei weer neer te leggen. Nu woon ik dus in het buitenland, door een samenzwering van de liefde en het lot.

Tien jaar geleden ervoer ik Nederland als een bevrijding van het chagrijn en het ‘klein denken’ waarvoor Vlaanderen toen in mijn ogen symbool stond. Mijn nieuwe collega’s waren ondernemend en positief, maakten heldere afspraken tijdens efficiënte vergaderingen, en kwamen die meestal ook na. Tot mijn stomme verbazing. De Nederlander zag geen hindernissen maar ging ervoor. En alles was beter geregeld.

De pakhuizen op het Entrepotdok stralen de welvaart en het ondernemerschap uit dat mij in 2002 aangenaam verraste. Smaakvolle appartementen afgewisseld met kleine bedrijven, werkplekken voor freelancers, kroegen, kinderen spelend in de schaduw van een oude havenkraan. Alle pakhuizen zijn vernoemd naar steden en dorpen, in alfabetische volgorde. Wanneer ik zo de Nijlpaardenbrug afzeil, kom ik erop bij de G: Gouda, Goes, ’s Gravenhage.

Toen ik eind 2007 aan mijn Nederlandse kennissenkring vertelde dat ik overwoog te gaan freelancen om tijd te creëren voor mijn literaire ambities oogstte ik niets dan positieve reacties, aanmoedigingen en tips. Tot mijn stomme verbazing. Dus ik deed het. En ik kan mij vijf jaar later niet meer inbeelden waarom ik ooit heb getwijfeld. Ik heb vertrouwen in mijn talent, ik durf te ondernemen en meestal lukt het en als het niet lukt bedenk ik een ander plan. Zoals ik Nederlanders had zien doen. Het valt zeer te betwijfelen of ik ooit schrijver was geworden indien ik niet in Nederland was gaan wonen.

En wanneer ik moe ben, word ik snel chagrijnig.

En wanneer ik chagrijnig ben, schiet ik heel makkelijk uit. Ongeacht wie het is. Mijn vrouw. Mijn kinderen. Een oude man die ik niet ken.

En ik heb nog nooit gevochten. Maar als ik ooit iemand zou slaan dan natuurlijk niet mijn vrouw. Of mijn kinderen.

De adrenaline baant zich een weg. Naar mijn armen, mijn spieren, mijn vuisten. Ik kijk die man aan en ik fluister onhoorbaar, ik beweeg mijn lippen zo dat hij het kan zien: rustig, rustig, rustig. Ik sluit de ogen en ik buig mijn hoofd, laat het rusten op het koele metaal van mijn stuur. Rustig, rustig, rustig. Ik knijp in de rubberen handvatten, het bloed trekt weg uit de knokkels van mijn vingers en ondertussen razen zijn woorden door, scherp en schel en fel.

En iets of iemand in mij richt zich op, vanuit die gebogen rug, als een geest en beweegt mijn arm naar achteren en in de fractie van de seconde die volgt zie ik hoe het gelaat van die man vervormt, alsof iemand het in real time bewerkt met zo’n special effect dat je ook wel eens in films ziet. Morphing heet het, geloof ik. Irritatie, verbazing, angst, pijn. In die volgorde.

Daarna sla ik nog eens.

Niets of niemand om ons heen beweegt. Alles is stil. Het enige wat bestaat is mijn verwoestende wil om iemand kapot maken. Gewoon. Iemand. Kapot. Maken.

En dan snel naar huis.

Het gekke is: terwijl dit alles gebeurt, blijft die man gewoon doorpraten. Het vingertje in de lucht. Over het nut van voetpaden en fietspaden, respect voor het gezag, hoe we het samen, met z’n allen moeten zien te redden en hoe fijn en niet meer dan logisch zou het wel niet zijn als iedereen zich gewoon simpelweg aan de régels zou willen houden. Een eindeloos verhaal dat plots, midden in een zin, tot stilstand komt.

Ik voel zijn blik op mij rusten, ik hoor zijn ademhaling die stokt, en ten slotte, het tikken van zijn stok, voetstappen die zachter worden. En ik blijf achter, als een getemd dier. Ik sta nog steeds over mijn stuur gebogen. Ik open de ogen. Ik richt mij op. De Plantage Doklaan is donker en leeg, als een nachtmerrie. En ik zet mijn voet op de trapper, duw hem hard naar beneden, haal diep adem, schiet vooruit en schreeuw: ‘Meneer! Ik wens u nog een heel fijne dag!’

De voorbije tijd ben ik een keer of vijf geconfronteerd met de onwil van gewone mensen om rekening te houden met elkaar. Het starre denken in regels, het bewust blind zijn voor wat er werkelijk aan de hand is – meestal niets. Neus tegen neus met een auto die de smalle straat indraaide toen ik al halverwege was. Een zwaaiende vuist van een schreeuwende fietser, tientallen meters voordat wij elkaar probleemloos kruisten. De gestrekte arm van een vrouw in de winkel die dacht dat ik wilde voordringen – terwijl ik gewoon dromerig voor me uitstaarde, zoals altijd. De reflex om voortdurend van de kwade wil van de ander uit te gaan. De verdediging die krampachtig wordt gezocht, zonder een aanvaller in zicht.

Vrienden zeggen: ‘Dat hoort bij de stad.’

Dat is niet waar. Ik heb in veel steden gewoond.

Onlangs vroeg ik aan mijn volgers op Twitter om ‘het huidige Nederland’ samen te vatten in steekwoorden. Angstig. Verveeld. Verwend. Gesloten. Vlak. Zeikerds. Jankerds. Chagrijn. In zichzelf gekeerd. Nooit goed genoeg.

Alsof ik mezelf over België hoorde praten, anno 2001.

Wat is er gebeurd? Waarom zei niemand van mijn volgers: gezellig, ondernemend, rijk?

Ik wist ook wel dat het niet allemáál rozegeur en maneschijn was, ook tien jaar geleden niet. Tegenover al dat ondernemerschap en goed geregelde leven staan, vanuit Vlaams oogpunt, gebrekkige sociale vaardigheden. Er wordt makkelijk kennisgemaakt, veel geluld maar tot hechte vriendschappen heeft dat niet geleid. Na tien jaar tel ik er een stuk of drie. En altijd en overal verkleden. Geef een Nederlander een vrijgezellenavond, een bedrijfsuitje of gewoon veel bier for no good reason en huppakee daar zetten koningin Beatrix, Ruud Gullit én een meloen eensgezind de polonaise in. Anders is het niet gezellig. Ik heb me vaak afgevraagd waarom Nederlanders zich zo graag voordoen als iemand anders. Ik vind het al moeilijk genoeg om mezelf te zijn.

En in de slipstream van de moorden op Fortuyn en Van Gogh wierp ook de befaamde Nederlandse debatcultuur haar masker af en ontwikkelde zich in snel tempo tot wat zij nu is: zo luid mogelijk roepen wat je vindt. Wanneer daarna je gesprekspartner aan het woord komt, probeer je hem/haar zo snel mogelijk te onderbreken onder het mom dat je al weet wat hij/zij gaat zeggen en herhaal je, indien mogelijk nog luider, wat je eerder al zei. Of compleet het tegenovergestelde, dat lijkt veelal niet van wezenlijk belang. Vervolgens wint degene die aan het eind nog stem heeft. Of een mes, dus.

Maar ik weiger te geloven dat Nederland veranderd is. Hooguit heeft het land het carnavalspak uitgetrokken waarin het zo lang zo vrolijk die polonaise liep, en schrikt het nu enigszins van wat het in de spiegel ziet.

Medium mvdggroene8841

Wanneer ik in de weken daarna opnieuw door de Plantage Doklaan fiets, tegen de richting in, neem ik godbetert het fietspad. Idioot die ik ben. Maar met de tijd slijt het gevoel en al gauw wip ik als vanouds de stoep op.

Ik ontwikkel onweerlegbare theorieën die ik samenbal tot een relaas van redelijkheid – een gestileerde versie van wat ik had moeten zeggen. Ik vat moed. Soms, wanneer ik uit een ander deel van de stad kom, neem ik een omweg zodat ik door die straat kan fietsen, de precieze formuleringen gebeiteld in mijn hoofd. Ik begin vurig te hopen dat ik die man weer tegenkom.

Maar wanneer dit uiteindelijk ook echt gebeurt, gaat het toch weer anders dan ik mezelf heb beloofd.

Ik heb het begin – dus het einde – van de straat nog niet bereikt of ik zie hem lopen. Hij is al bijna de hoek om, ik moet sprinten en ik begin al van ver te roepen: ‘Meneer! Meneer!’

De man kijkt op en stopt.

‘Goddomme’, zeg ik. ‘Wat ben ik blij om u te zien. Weet u nog wie ik ben? Ik zou zo graag willen weten waarom u dat nu deed, de vorige keer. Plots stonden wij tegenover elkaar terwijl er ruimte zat was voor onze allebei. En strikt genomen overtrad ik uiteraard de regels, maar in realiteit was er niets aan de hand, en ik dacht: hoe jammer is het…’

De man tilt zijn wandelstok op. Even denk ik dat hij mij gaat slaan, maar hij zegt:

‘En dat, jongeman, is nu precies het probleem.’

‘Hoezo?’

‘U pleit voor redelijkheid.’

‘Ehm. Nu ja, dat was ik wel van plan…’

‘Ik ook’, zegt de man. ‘En de eenvoudigste vorm van redelijkheid, die binnen eenieders bereik ligt, is: doen wat we met z’n allen hebben afgesproken.’

‘Maar regels dienen toch ook flexibel te zijn’, breng ik in. ‘Je moet toch ook rekening houden met de realiteit van het moment of de mogelijke goede intenties van de overtreder?’

‘Wat voor beroep heeft u?’

‘Ik ben schrijver.’

‘Ah, schrijver. Ik dacht eerst iets in de ict. Zo ziet u eruit. Maar schrijver, ja, dat verklaart veel. En ú wilt mij de les spellen aangaande de realiteit?’

En opnieuw dringt een wee gevoel zich op, deze keer ergens onder in mijn maag. En opnieuw buig ik het hoofd en sluit de ogen. Ik had gelijk. Er wás niets aan de hand. Maar ook dan willen de mensen rechtvaardigheid. Vooral dan.

En ik denk aan de eerste keer dat ik deze man ontmoette. Zijn voetstappen die achter mij uitstierven – ik had ze geïnterpreteerd als krachteloze verwijten, morrige weemoed van een oude man. Ja, inderdaad. Knorrigheid. Chagrijn. Verveling.

Ik heb mij vergist. Deze man kijkt in de spiegel en ziet een strijder. Deze man is blij dat het feest voorbij is. Hij heeft nooit meegelopen in de polonaise. Pas nu, nu het feestgedruis is verstomd, kunnen wij hem horen. Hij grijpt simpelweg zijn kans.

En ik merk dat ik me schaam. Voor mezelf. Maar ook voor het geloof dat in zijn ogen straalt, omgeven door de plooien die de tijd en de zorgen in zijn huid hebben gelegd. Ik denk aan de goede raad die hij zijn kinderen heeft gegeven. De jaren die hij heeft geïnvesteerd in de toekomst, de leegte van de dagen die hij nog moet slijten, de pijn van het toekijken, alsmaar toe­kijken, met de vuisten gebald.

Ik denk: zie ons hier staan. Niemand kan ons zien. Niemand hoort onze woorden, ze drijven weg op de wind, als witte vogels. Wat sta ik hier te doen?

Ik zeil de Nijlpaardenbrug af, en draai de kade op. Ik passeer Harlingen, Harderwijk, Monnickendam, Naarden, Stavoren, Texel, Utrecht, Veendam, Vianen, Weesp, Zierikzee, Zwolle, Zutphen.

Over een afstand van nog geen vijfhonderd meter doorkruis ik het ganse land. Aan de overkant van het water kijken de giraffen en de zebra’s toe.

Ik fiets langzaam, mijn linkerhand aan het stuur, de andere rustend op mijn rechterbeen. Om een plek te vinden die iets zegt over het ­huidige Nederland hoef ik nergens heen.


Zomerschrijvers 3

Zes jonge schrijvers trokken op verzoek van De Groene Amsterdammer het land in. We vroegen ze geen verhaal, maar een literaire reportage die inzicht geeft in het Nederland van nu. Deze week Ivo Victoria, die in 2010 debuteerde met de roman Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt) en vorig jaar _Gelukkig zijn we machteloos_publiceerde. De komende weken volgen Philip Huff en Franca Treur.