De nobelprijs voor terroristen zonder angst

Alfred Bernhard Nobel mag dan de ontdekking van het dynamiet op zijn naam hebben staan, het buskruit heeft hij niet uitgevonden. In tegenstelling tot de mythe was hij geen wapenfabrikant die gebukt ging onder de last van een kwaad geweten, maar een melancholieke wereldverbeteraar, ten prooi aan een fatale illusie. Hij was ervan overtuigd dat de vrede alleen naderbij kon worden gebracht door verbeterde bewapening, of nauwkeuriger uitgedrukt: door de ontwikkeling van het absolute wapen. ‘Ik wou’, vertrouwde hij toe aan zijn kortstondige secretaresse, de vredesactiviste barones Bertha von Suttner, ‘dat ik een machine kon maken met zo'n afschrikwekkend vermogen tot totale vernietiging
dat oorlogen daardoor volstrekt onmogelijk worden.’

Medium aartarchiefnobel

Helaas, die machine hoefde niet te worden uitgevonden, hij bestond al. Het was de mens. Zonder zijn afschrikwekkend vermogen tot vernietiging had de brave Alfred nooit zijn fortuin van 32 miljoen kronen kunnen vergaren, en zonder dat vermogen was de meest controversiele prijs ter wereld nooit tot stand gekomen.
Deze paradox heeft het instituut van de Nobelprijs voor de vrede altijd aangekleefd. Het lijkt wel of het Nobel-comite de morele verwarring en het misplaatste vooruitgangsgeloof van zijn stichter nooit is ontgroeid. De volledige lijst van prijswinnaars sinds 1901 is een orgie van uitersten, waartussen de afstand soms niet meer dan een jaar bedraagt. In 1905 werd de prijs uitgereikt aan Von Suttner, inmiddels uitgegroeid tot de grande dame van de toenmalige vredescongressen. Een jaar later ging hij naar de Amerikaanse president Theodore Roosevelt, de uitvinder van de big stick- diplomatie en een oorlogshitser van het eerste uur, die al in 1894 zijn ‘verwekelijkte’ landgenoten had opgeroepen tot een strijd tegen Engeland over een paar stukjes koloniaal grondgebied 'omdat dit land een oorlog nodig heeft’. Vier jaar later, in de Spaans-Amerikaanse Oorlog, kon hij zijn hart ophalen door als commandant van de Rough Riders een bloedig spoor door Cuba te trekken. Zijn enige verdienste voor de vrede was dat hij in 1905 de moegestreden Russen en Japanners wist te overreden om het verdrag van Portsmouth te tekenen.

Het Nobel-comite heeft dan ook nooit een eenduidig criterium voor de prijs aangelegd. In de loop der jaren is hij toegekend aan moedige eenlingen die in het streven naar vrede alle geweld afzwoeren, zoals Martin Luther King (1964) en Aung San Suu Kyi (1991); aan gevestigde politici die meenden dat geweldgebruik, of althans de bereidheid daartoe, onontbeerlijk is voor het vestigen van een duurzame vrede, zoals generaal George Marshall (1953) en Michail Gorbatsjov (1990). En aan oorlogsleiders die het eindeloze bloedvergieten moe waren en hun kinderen een ander leven toewensten, zoals Woodrow Wilson (1919) en Anwar Sadat en Menachem Begin (1978).
De prijsuitreiking die het minst kon overtuigen (en twee leden van het Nobel- comite tot aftreden bewoog) was die van 1973 aan Henry Kissinger en Le Duc Tho, twee gelouterde Realpolitiker die geen van beiden enige illusie koesterden omtrent hun 'vredesakkoord’ inzake Vietnam. Een dieptepunt van andere aard was de uitreiking in 1935 aan de schrijver Carl von Ossietzky, die in een Duits concentratiekamp zat. Twee leden van het comite, de voormalige minister van Buitenlandse Zaken Koht en de voormalige premier Mowinckel, traden af omdat zij vonden dat Adolf Hitler niet voor het hoofd mocht worden gestoten.
Het mengsel van vage idealen en opportunisme dat een prijs als deze nu eenmaal aankleeft, heeft zijn uitwerking in de loop der jaren niet gemist en het is onvermijdelijk dat de uitreiking elk jaar cynische commentaren oproept. Dit jaar kwam de hardste kritiek uit de boezem van het Nobel-comite zelf. Het lid Kaare Kristiansen, een christendemocratische politicus en voorzitter van een Noors- Israelische vriendschapsclub, trad af omdat hij zich niet kon verenigen met de gedeelde prijs voor Yasser Arafat, wiens verleden te zeer door terreur en geweldpleging zou zijn belast. 'Ik ben niet gerechtigd om Arafat zijn gewelddaden te vergeven’, aldus Kristiansen, die eraan toevoegde dat de prijs 'met evenveel recht aan Saddam Hoessein kan worden toegekend als hij op een dag Koeweit erkent.’

Het behoeft geen betoog dat Peres en Rabin mutatis mutandis dezelfde blaam treft als Arafat. Rabin werd door het Britse protectoraat in Palestina tot 'terrorist’ verklaard lang voordat Arafat in Israelische ogen die status verwierf, en Peres’ vooraanstaande rol in het Israelische atoomwapenprogramma kan evenmin als een exercitie in vreedzame verzoening gelden. Toch legde Kristiansen in al zijn kinderlijke eenzijdigheid weer de vinger op de zere plek: hoort de Nobelprijs een erkenning te zijn voor iemands levenswerk in dienst van de vrede, of een jackpot voor terroristen en krijgsheren die internationaal aanzien hebben verworven?

Als het Nobel-comite niet in staat is om criteria aan te leggen, moeten we dat zelf maar doen. En er is wel degelijk een geldige reden om de prijs aan het drietal toe te kennen, en niet aan iemand als Saddam. Arafat, Peres en Rabin zijn erin geslaagd om het zwaarste wapen te bedwingen waarover de mensheid beschikt en dat, zoals gezegd, door Nobel over het hoofd werd gezien: zichzelf. Zij hebben de angst overwonnen die zo'n zwaar beslag legt op alle pogingen tot toenadering en verzoening in de wereld: de angst voor het verlies van macht en aanzien, de angst te worden bedrogen door een listiger tegenstander, de angst voor de totale mislukking van de vredespogingen waardoor nieuwe, heviger confrontaties onvermijdelijk worden.

De Nobelprijswinnares Aung San heeft dit het kortst en het mooist geformuleerd in haar essay Vrij van angst uit 1990: 'Niet macht corrumpeert, maar angst. De angst om macht te verliezen corrumpeert degenen die aan de macht zijn, en angst voor de gesel van de macht corrumpeert degenen die eraan zijn onderworpen.’

Arafat, Peres en Rabin hebben die angst overwonnen uit naam van hun volken, Saddam Hoessein zit gevangen in de angst voor zijn eigen volk. Daarom zal hij nooit in Oslo worden ontvangen.