De nocturnes van Patrick Modiano

Patrick Modiano schreef een keer of dertig hetzelfde boek – ‘Men kan niet anders: het is onmogelijk van stem te veranderen.’ Hij lijkt steeds een moment te willen vangen, om er dieper in door te dringen en zo de textuur van het leven beter te begrijpen. En ook dat ontglipt hem.

Medium opening

Zouden er veel Nobelprijswinnaars zijn van wie je twee boeken per dag kunt lezen? Dat kan namelijk volgens Peter Englund, secretaris van de Zweedse Academie, die na de toekenning van de Nobelprijs aan Patrick Modiano vorige week verklaarde: ‘Hij is vrij gemakkelijk om te lezen: één boek in de middag, dan gaan eten, en ’s avonds een ander lezen.’

Even dacht ik dat hij ging zeggen: je begint vóór het eten aan een boek, pakt na het eten een ander op, en leest verder zonder iets door te hebben. Want er zit, op z’n zachtst gezegd, nogal wat overeenkomstigs in de pakweg dertig romans die Modiano sinds 1968 schreef. Nu hem de literaire heiligenstatus is geschonken, lijkt de vraag wat blasfemisch, maar toch: wat bezielt Patrick Modiano om steeds hetzelfde boek te schrijven? En hoe kun je daar de Nobelprijs mee winnen? In een van zijn schaarse interviews vertelt hij dat hij maar één uurtje per dag schrijft, en de rest van de tijd doorbrengt met wat hij aanmerkelijk prettiger vindt: nadenken over het boek.

Hoe zou dat gaan? Een nieuwe roman, mijmert Modiano. Waar zal die eens over gaan? Misschien over… eens zien… een wat verdwaalde man die wandelt door de straten van… wat zullen we deze keer eens doen?… Paríjs! En tijdens die wandeling herinnert hij zich mensen van dertig, veertig jaar geleden. Die kwamen bij elkaar in donkere cafés… En die herinneringen zijn schimmig en vluchtig. Ze komen op aan de hand van notitieboekjes, oude agenda’s, straatnamen… Ja, laat ik dat eens gaan doen! Of is dat al eens gebeurd? Eh, nou, Patrick, ik méén mij vaagjes te herinneren van wel. Wat dacht je van de boeken die je in de 45 jaar hiervóór schreef?

Ach, wat hindert het. Je m’en fou. En onverstoorbaar begint Modiano weer aan hetzelfde werk, steevast een pagina of honderdvijftig. En dan moet hij nog een titel bedenken. Villa Triste, Uit verre vergetelheid, Een jeugd, In het café van de verloren jeugd, De straat van de donkere winkels, Het gras van de nacht… Aardig gezelschapsspelletje tijdens een herfstig cafébezoek: zelf Modiano-titels verzinnen.

Ook heiligschennis natuurlijk, maar toch. Bij Simenon, Havank of Agatha Christie heet zo’n vast stramien een ‘formule’ die het werk degradeert tot de schandbak van het vermaak. Wat maakt het bij Modiano Nobelprijswaardig?

Ja, hij schrijft steeds hetzelfde boek, maar het is een prachtig boek, dus dat vergeven we hem graag. Zo luidt in grote lijnen de teneur van alle stukken die afgelopen week zijn verschenen. Alle necrologieën, wilde ik bijna schrijven, en de Nobelprijs krijgen is natuurlijk ook een beetje sterven. Ik ken in elk geval weinig Nobelprijswinnaars die daarna nog iets behoorlijks afleverden. Misschien moet er een clausule komen die laureaten verplicht om na het aanvaarden van de prijs nooit meer één letter op papier te zetten.

Voor alle helderheid: ik vind Modiano ook prachtig, maar aan die monomane herhalingsdrift kun je niet zo gemakkelijk voorbijgaan. Meneer Modiano, waarom herhaalt u zichzelf steeds?

Gerard Reve beantwoordde die vraag ooit met het legendarische: ‘Wie zou ik anders moeten herhalen?’ In 2004 stelde NRC Handelsblad de vraag aan Modiano, en bij hem is het diepe ernst: ‘Men is ertoe veroordeeld om steeds hetzelfde boek te schrijven en terug te keren naar dezelfde gebeurtenissen uit het verleden. Het is alsof je één groot boek schrijft waarin je onophoudelijk dezelfde gegevens omwerkt. Men kan niet anders: het is onmogelijk van stem te veranderen. Men zou wel willen.’

Die onmacht om iets nieuws te doen lijkt nauw samen te hangen met het allesomvattende kenmerk van het romanuniversum van Patrick Modiano, namelijk dat de lineaire tijd er is opgeheven, of op z’n minst uitgesteld.

Verleden en heden vloeien telkens in elkaar over. Of het nu Villa Triste is, dat draait om een groepje jonge kunstenaars in de marge van de studentenprotesten, of Dora Bruder, waarin via registers en andere bronnen het leven van een meisje dat in 1941 verdween wordt gereconstrueerd, of Verloren wijk, waarin een Engelse detective-schrijver naar zijn geboortestad, uiteraard Parijs, terugkeert en terugdenkt aan zijn relatie als negentienjarige met een jonge weduwe: steeds zijn er twee of drie tijdlagen, die voortdurend versmelten en over elkaar heen vallen.

Er is in dat verband een aardige studie te doen naar de rol van het weer en de seizoenen bij Modiano. Die functioneren vaak om die tijdloze hoedanigheid van een herinnerde wereld tastbaar te maken. ‘Ik ben nooit meer in de rue de l’Aude geweest. Behalve in mijn dromen. Dan zie ik die straat in alle seizoenen. Vanuit de ramen van mijn oude kamer ligt er een dikke laag sneeuw, maar als je er via de avenue en de steile trappen komt, is het altijd zomer.’ (Het gras van de nacht)

En, ik citeer volledig om een indruk te geven van de (ook in de vertalingen van Maarten Elzinga) trefzekere, sobere stijl: ‘Op het hellend trottoir van de avenue Reille blijft ze altijd naar hem toe lopen, in een doorschijnend winterlicht wanneer de hemel blauw is, maar het zou ook zomer kunnen zijn, want aan het einde van de avenue zie je het gebladerte van het park. Soms regent het, maar de regen schijnt haar niet te deren. Ze loopt door de regen met dezelfde kalme passen als anders. Alleen houdt ze met de rechterhand de kraag van haar rode mantel dicht.’ (De horizon)

Het filmbeeld bevriest, en tegelijkertijd gaan de vier seizoenen eroverheen. Het vertraagt én versnelt. Dit soort subtiele procédés zijn Modiano’s instrumenten om door te dringen tot een paradoxale tijdzone.

‘Hij had zich altijd voorgesteld dat hij de mensen die hij in zijn jeugd had ontmoet ergens in het hart van bepaalde wijken zou kunnen terugvinden’, schrijft hij in De horizon, ‘nog altijd even oud en onveranderd. Ze leiden er een parallel leven, buiten de tijd.’ Proust ging op zoek naar de verloren tijd, Modiano zoekt een wereld buiten de tijd. Dat verklaart misschien Modiano’s bijna provocatieve ongevoeligheid voor trends of vernieuwing. Al eerder gedaan? Hoezo, wat betekent ‘eerder’?

Je hebt bij ­Modiano altijd het idee dat waar het werkelijk om te doen is zich net buiten beeld bevindt

Dat ontbreken van tijd werkt door op alle niveaus: zijn boeken hebben geen plot, geen klassieke narratieve ordening met uiteenzetting, crisis en oplossing. Zijn personages maken nauwelijks een ontwikkeling door. En alsof hij dat nog eens extra wil onderstrepen laat Modiano wél allerlei detectiveachtige elementen opduiken. Zoektochten, de sfeer van misdrijven, politieverhoren, ondervragingen, verdachtmakingen, vermoedens, maar voor dit bij een begin van zoiets als een ontknoping kan uitkomen, is het al verdampt, en blijft de status van wat er zojuist is beschreven ongewis en wankel.

‘Toch heb ik niet gedroomd’, luidt de eerste zin van zijn laatste in het Nederlands vertaalde boek (Het gras van de nacht). En vijf zinnen verderop: ‘Nee, ik heb niet gedroomd. Er rest me nog een zwart notitieboekje met aantekeningen, dat is het bewijs.’ Zo gaat het steeds: notities, agenda’s, straatnamen, foto’s, vergeelde documenten en ingescheurde stadsplattegronden moeten veranderen in luiken naar het verleden, waar het onderscheid tussen gebeurd, gedroomd en verzonnen vervaagt.

In de meeste gevallen draait het om het opsporen van of terugdenken aan meisjes met wie de verteller als twintiger een paar maanden is omgegaan: Jacqueline in Uit verre vergetelheid, Louki in In het café van de verloren jeugd, Margaret in De horizon, Dannie in Het gras van de nacht. Steeds zijn het meisjes op de vlucht, ontheemd, beschutting zoekend in een milieu van vergelijkbare artistiekelingen.

Die ontmoetingen zijn altijd vluchtig. Levens die even langs elkaar scheren. Zelf associeer ik het altijd met de wereld van exchange students, youth hostels, taalreizen en vergelijkbare situaties, kenmerkend voor een bepaald soort twintiger. En op die leeftijd begon ik hem ook te lezen, of mogelijk al iets daarvoor: zo’n leven wilde ik ook! Een deel van het genoegen van Modiano lezen schuilt beslist in de herkenning. Hij activeert precies dat gebied van de vroege volwassenheid, met de bijbehorende verwarring en opwinding. Zijn veelgeroemde vermogen om atmosferen en nostalgie op te roepen. Film noir is de typering die je dan veel hoort.

Patrick Modiano’s ingetogen nocturnes hebben het in Stockholm gewonnen van de grote symfonieën van Philip Roth of de veelstemmige kamermuziek van Milan Kundera. Is dat terecht? Ik vind de oeuvres van Roth en Kundera veelzijdiger, relevanter, meer omvattend. Bovendien staan zij welbeschouwd al met één been in het graf, dus waarom zou je nog een jaar wachten?

Aan de andere kant begrijp ik hoe onzinnig zulke vergelijkingen zijn. Ik zou Frédéric Chopin nooit die helaas niet-bestaande Nobelprijs voor muziek ontzeggen, ook al verdienen Schubert en Mahler hem evenzeer. Chopin schreef in wezen ook monomaan steeds hetzelfde stuk, en hij wordt nu ook vooral nog geroemd om zijn vermogen om nostalgie en atmosfeer op te roepen. En ook hem doe je daarmee te kort.

Ook Modiano’s inzet is groter. Hij daalt af naar de kruispunten in het leven, naar beslissende periodes waarin het leven nog vloeibaar was, ongevormd, waarin het nog alle kanten op kon. Die afdaling is niet om erachter te komen wat er had kunnen gebeuren als je een andere afslag had genomen, het is geen what if, nee, het lijkt Modiano er puur om te doen om een moment te vangen, er dieper in door te dringen om zo de textuur van het leven iets beter te begrijpen.

En ook dit ontglipt hem. Je hebt bij Modiano altijd het idee dat waar het werkelijk om te doen is zich net buiten beeld bevindt, nét buiten het kader is gevallen. Een beetje zoals bij de foto’s van Robert Doisneau of de schilderijen van Johannes Vermeer. Ook Modiano’s heldere, schijnbaar ongecompliceerde stijl draagt daaraan bij.

Oliver Sacks beschrijft in een van zijn boeken een patiënt die alleen nog maar schilderijen maakte van zijn geboortedorp, fotografisch precies, vanuit telkens andere invalshoeken. Daar moest ik bij het herlezen van Modiano’s werk aan denken. Vooral omdat bij hem het decor veel helderder is dan de menselijke schimmen zijn die het bevolken. Straten, kades, pleinen, huizen, metrostations en cafés zijn haast fotografisch scherp, terwijl de personages vluchtig, spookachtig, mysterieus blijven.

Je ontkomt niet aan de gedachte dat er een traumatische jeugd aan ten grondslag ligt. En dat is ook zo. We lezen het allemaal in Een stamboek, in het Nederlands vertaald door Bernlef, een droog, bijna encyclopedisch bronnenboek waarin Modiano schijnbaar onbewogen de trauma’s van zijn jeugd boekstaaft. Verwaarloosd als kind, van internaat naar internaat gestuurd. Een jong gestorven broer. Moeilijke relatie met zowel zijn Italiaans-joodse vader als met zijn Vlaamse moeder. Onmachtig om werkelijk contacten met anderen aan te gaan.

In de berichten in de Engelstalige pers lees je overal het van een persbureau gekopieerde zinnetje: ‘Patrick Modiano of France, who has made a lifelong study of the Nazi occupation and its effects on his country.’

Ik moet daar een beetje om grinniken, want Modiano schreef na zijn debuut De plaats van de ster (1968) eigenlijk nooit meer over de holocaust of de bezetting. De verloren Parijse zielen die hij later is gaan portretteren zijn hooguit heel indirect slachtoffers van de nazibezetting.

Wie zijn werk gelezen heeft, zou zo’n perszinnetje nooit klakkeloos overnemen. Het geeft aan hoe onbekend Modiano buiten Frankrijk is. Er zijn maar acht boeken van hem in het Engels vertaald. In het Nederlands zijn dat er twintig. Maar uitgeverij Querido verkocht er tot nu toe steeds hooguit vierduizend exemplaren van.

Momenteel zijn er maar twee titels leverbaar. In Frankrijk verkoopt hij steevast meer dan honderdduizend boeken, en bijna alles is verkrijgbaar als folio-pocket. Gelukkig is Modiano, dankzij die ogenschijnlijk ongecompliceerde stijl, prima in het Frans te lezen door iedereen die ooit middelbare-school-Frans of een vakantieliefde had en die nog ergens een zakwoordenboekje heeft liggen.

Dus wat let ons. Dertig romans, tweemaal daags vóór en na de maaltijd! Over twee weken kent iedereen zijn oeuvre op z’n duimpje.


Beeld: Nobelprijswinnaar Patrick Modiano is ongevoelig voor trends of vernieuwing (Jérôme Bonnet / Corbis Outline / HH).