De noodzaak van het anticommunisme

Mijn Karel

BEGIN JAREN TACHTIG werd mij nog wel eens gevraagd hoe het kon dat ik er ‘linkse’ ideeën op nahield, maar tegelijkertijd zo’n felle anticommunist was. Meestal antwoordde ik dan met de tegenvraag waarom de vragensteller antifascist was. Verontwaardigd kreeg ik dan te horen dat zoiets toch vanzelf sprak, dat het fascisme een verwerpelijke ideologie was die miljoenen slachtoffers had gemaakt. Mijn repliek, dat er wat dit betreft geen verschil was met het communisme, leidde zelden tot een zinvolle gedachtewisseling.
Om misverstanden te voorkomen: deze vragenstellers waren meestal geen overtuigde communisten, en zelfs indien ze sympathiseerden met de CPN waren ze bepaald geen fans van communistische regimes in Oost-Europa. Maar een anticommunist, hadden ze van Sartre geleerd, was ‘een hond’. Omdat kwalijke types als Pinochet, Videla en Botha zich afficheerden als anticommunist was anticommunisme verdacht en riep het associaties op met de heksenjacht van Joe McCarthy. Anticommunisme was ‘rechts’, en intellectuelen als Jacques de Kadt, Karel van het Reve en Bart Tromp mochten zich dan ‘links’ noemen, mentaal en ideologisch gezien hoorden ze thuis bij De Telegraaf. Als ‘linkse mensen’ in die jaren iets gemeenschappelijks hadden, was het hun anti-anticommunisme.
De Sovjet-Unie mocht dan geen paradijs zijn, op tal van terreinen was er veel bereikt en de communisten hadden toch maar mooi een einde gemaakt aan het tirannieke regime van de tsaren. Onder Stalin waren weliswaar misdaden begaan, maar het Westen had ook tonnen boter op het hoofd en bovendien was dat stalinisme niet meer geweest dan de ontsporing van een nobel en humaan ideaal. Wie, zoals Karel van het Reve, met behulp van feiten aantoonde dat bovengenoemde anti-anticommunistische leerstellingen onhoudbaar waren, maakte zich in linkse kring niet populair.
In 1976 publiceerde Van het Reve het fotoboek Rusland hoe het was, een blijkens de ondertitel ‘merkwaardige verzameling’ foto’s uit de jaren 1852-1932. Het album had meer dan veertig jaar in de kluis van uitgeverij Contact gelegen en was samengesteld door drie volstrekt onbekende Hongaren – onder wie de pas in 1999 internationaal ‘ontdekte’ romanschrijver Sándor Márai – die weinig kennis van zaken hadden gehad. De teksten die Van het Reve bij de foto’s schreef waren informatief en maakten korte metten met veel clichés over tsaristisch Rusland en het daaropvolgende communistische bewind. Bovendien gaven ze niet zelden blijk van de hem zo kenmerkende ironie. Zo schreef hij bij een foto van een alfabetiseringscampagne uit de jaren dertig waarop de boeren vooral belangstelling bleken te hebben voor de foto van Stalin dat deze portretten natuurlijk ‘geweldig bijdroegen tot het opvoeren van het culturele peil van de landbouwers’. Ook constateerde hij dat op veel foto’s van de zogenaamde ‘oktoberrevolutie’ van 1917 de ‘revolutionairen’ overduidelijk poseren: ‘Niemand heeft ooit kunnen vaststellen waar al die met rode vlaggen versierde en met gewapende revolutionairen volgestouwde open vrachtwagens in die eerste dagen van de revolutie eigenlijk heenreden.’ Deze opmerking schoot de recensent van De Groene Amsterdammer danig in het verkeerde keelgat, zodat hij vinnig eindigde met: ‘Er zijn mensen die dat leuk vinden.’ En linkse mensen werden niet geacht dit leuk te vinden.
Dat het communisme een politieke religie was, die het zoals alle religies moet hebben van rituelen en propaganda en een beroep doet op de goedgelovigheid van mensen, was iets wat veel mensen lange tijd niet wilden horen. Want links waande zichzelf voor alles heel ‘krities’. Vandaar dat Van het Reve’s essays en zijn boek over de communistische ideologie, Het geloof der kameraden (1969), in deze kringen nauwelijks werden gelezen en zijn werk ten behoeve van de sovjetdissidenten met veel argwaan werd bekeken. Van de noodzaak anticommunist te zijn waren vóór de val van de Muur weinig linkse mensen overtuigd.
Nu het communisme vrijwel niet meer bestaat, lijkt het overbodig anticommunist te zijn (al zijn er nog altijd heel wat mensen die zichzelf op de borst slaan omdat ze ‘antifascist’ zijn), zodat het werk van Van het Reve op het eerste gezicht verouderd is. Wie hem echt gaat lezen, komt erachter dat dit niet het geval is, althans niet in sterkere mate dan het werk van Ter Braak, Kurt Tucholsky, Albert Camus of George Orwell. Behalve door zijn schijnbaar achteloze stijl en superieure ironie wordt Van het Reve’s werk namelijk gekenmerkt door een enorme afkeer van ideologieën, van denksystemen die aanspraak maken op de totale, voor iedereen en voor alle tijden geldende waarheid. Zo schrijft hij aan het eind van zijn dissertatie Sowjet-annexatie der klassieken (1954), opgenomen in het eerste deel van zijn Verzameld werk, dat het klopt dat in de Sovjet-Unie de wetenschap wordt misbruikt voor propagandistische doeleinden, maar dat ook het Westen hiervoor moet oppassen: ‘Het zijn (…) naar onze mening geen politieke of wereldbeschouwelijke grenzen, maar moeilijk definieerbare zaken als gevoel voor proporties, smaak, fatsoen, redelijkheid, een zekere persoonlijke halsstarrigheid ook, die de beschaving van de barbarij scheiden.’ Het waren deze ‘moeilijk definieerbare zaken’ die het programma vormden waaraan hij zich altijd gehouden heeft, en die ook voor ons als leidraad kunnen fungeren.