We moeten leren werken of we gaan ten onder

De noodzakelijke liberalisering van Cuba

Het moet anders in Cuba, vindt nu ook de Communistische Partij. Deze maand zal president Raúl Castro economische hervormingen aankondigen. Maar gevreesd wordt dat die louter cosmetisch zijn. ‘Een aspirientje voor een stervende.’

OP HET RAAM van een cafetaria in het centrum van Havana is een met de hand geschreven papier geplakt met een citaat van Fidel Castro: ‘Revolutie is alles veranderen wat veranderd moet worden.’ Een papier op het raam aan de andere kant van de deur meldt: 'We zitten al in het Zesde Congres en we gaan door.’
Vijf partijcongressen van de Cubaanse Communistische Partij zijn er tot nu toe geweest in een halve eeuw tijd. Kennelijk moest er in de ogen van de machthebbers nooit zo veel veranderd worden. Maar nu hebben diezelfde machthebbers de oudbakken uitspraak van Fidel uit het archief gehaald om te onderstrepen dat het écht niet langer kan zoals het gaat in Cuba.
Dat officiële standpunt zal bekrachtigd worden op het Zesde Partijcongres dat van 16 tot 19 april wordt gehouden. Inmiddels zijn op lokaal niveau de ruim duizend gedelegeerden gekozen die zullen stemmen vóór de economische hervormingen waartoe president Raúl Castro heeft besloten. Afwijzen van de 'liberaliseringsplannen’ is in het communistische systeem natuurlijk ondenkbaar. Bovendien is een flink deel van zijn maatregelen al ruim voor het begin van het congres doorgevoerd.
Dé grote verandering in Havana: iedereen loopt op straat hamburgers, hotdogs en andersoortige broodjes te eten. De kwaliteit ervan is niet best, maar de Cubanen zijn culinair niet verwend en werken ze massaal en enthousiast naar binnen. De broodjeshandel is het meest in het oog springende aspect van de economische liberalisering. De nieuwe 'middenstanders’ zijn veelal vrouwen die gewoon in de deuropening van hun flat staan met een bescheiden voorraadje zelfgemaakte versnaperingen.
Ook de piraterij van dvd’s en cd’s blijkt een vorm van inkomen te zijn geworden. In tal van portieken worden de illegaal gebrande muziek-cd’s aan de man gebracht. Het simpelste privé-bedrijf nieuwe stijl is dat van een man met een doos appels op straat, terwijl steeds meer bloemenverkopers de fletse straten van de hoofdstad beginnen bij te kleuren. Natuurlijk verschijnen er ook meer serieuze neringen. In de Obispo, de meest toeristische straat van het oude centrum, zit behalve een paar nieuwe kapperszaken en schoonheidssalons ook een supermoderne schoenenwinkel genaamd Demócrata, boordevol geïmporteerde sport- en damesschoenen.
Het cuentapropismo heet dit hier, zeg maar het werken voor eigen rekening, oftewel eigen baas zijn. Dat werd door het regime dat het staatsmodel tot de meest absurde consequenties heeft doorgedreven altijd als iets vies beschouwd, op de rand van subversief. De voorwaarden en beperkingen waren zo fnuikend dat de meeste Cubanen het wel uit hun hoofd lieten iets voor zichzelf te beginnen.
Zo moesten de paladares, de privé-restaurantjes, zich beperken tot maximaal twaalf stoelen. Ze mochten geen rundvlees en mariscos (schelp- en schaaldieren) serveren en geen personeel in dienst nemen. Alleen familieleden mochten 'helpen’ de tent draaiende te houden. Bovendien moesten de eigenaren het voor Cuba buitensporige bedrag van achthonderd dollar per maand belasting betalen, los van de omzetbelasting. Op het hoogtepunt van de trend, eind jaren negentig, waren er zo'n zeshonderd paladares in Cuba, waarvan er halverwege vorig jaar nog maar enkele tientallen over waren.
Begin jaren negentig, na het verdwijnen van zijn voornaamste sponsor de Sovjet-Unie, experimenteerde Fidel Castro noodgedwongen met een liberalisering. Die Speciale Periode staat nog steeds te boek als de diepste economische crisis van de Cubaanse revolutie. Door het wegvallen van de steun van Moskou was Cuba in drie jaar tijd 35 procent van zijn bruto nationaal product kwijtgeraakt.
Een paar jaar later werd de liberalisering langzaam weer de nek omgedraaid. Halverwege de jaren negentig hadden tweehonderdduizend Cubanen een vergunning om eigen baas te zijn, in oktober 2010 waren dat er nog 150.000. Nu zijn er in de laatste drie maanden meer dan 75.000 vergunningen uitgegeven in 178 beroepen, die stuk voor stuk nauwgezet zijn omschreven, van schoenpoetser tot parkeerwachter. De staat moet wel, want ze kan niet langer 4,2 miljoen mensen, oftewel tachtig procent van de werkende bevolking, in overheidsdienst houden. Anderhalf miljoen Cubanen zullen worden ontslagen, van wie in de huidige eerste fase een half miljoen. Vóór 2015 moeten die allemaal in de privé-sector werkzaam zijn, wat een illusie lijkt.
Raúl Castro schijnt naar een gemengde economie toe te willen, waarin de Communistische Partij natuurlijk wel de politieke hegemonie behoudt. 'We rectificeren of we gaan ten onder’, zei hij vorig jaar toen hij het begin van de economische hervormingen aankondigde. De Cubaanse president wil niet langer het Amerikaanse embargo, hoe schadelijk dat ook is, de schuld van alle feilen in Cuba geven. Dat toegeven is op zich al een ingrijpende koerswijziging.

HAVANA VIEJA ZIT inmiddels vol nieuwe restaurants en hotels. De meeste worden gerund door Eusebio Leal, de historiador de la ciudad, de stadsrestaurateur, die zijn eigen economische project heeft. Leal, een overtuigd communist met nauwe banden met de Castro’s, restaureert het oude centrum van Havana pand voor pand. Veel van de gerenoveerde panden krijgen een toeristische bestemming en worden door Leals organisatie geëxploiteerd. Het verdiende geld wordt vervolgens weer gestoken in de restauratie van volgende panden. Het is een opzichtige succesformule in een land waar zo goed als niets werkt, maar het bewind heeft er niet de conclusie uit getrokken dat de formule ook op andere economische terreinen van toepassing zou kunnen zijn.
Natuurlijk is het maar een heel klein stukje van Havana. Zodra je daar buiten komt, loop je weer in straten die de indruk wekken dat ze net gebombardeerd zijn. Alles is kapot, geen huis is gespaard, sommige gebouwen zijn compleet ingestort, de rest is dichtgespijkerd maar wel bewoond. Ruiten zijn er niet meer, verf is er niet, er is niks.
De beroemde paladar La Guarida zit ook in zo'n pand dat aan de buitenkant is dichtgetimmerd. Boven de ingang in de lange trieste straat hangt wel het enige goed geverfde en rode uithangbord, je ziet van honderden meters afstand waar het restaurant is. De klant moet drie hoge trappen op in een pand dat doet denken aan Berlijn 1945: je kijkt er aan alle kanten dwars doorheen. Het diende als decor voor de beroemde film Fresa y Chocolate. La Guarida was een van de eerste paladares in Havana en zonder twijfel de succesvolste. Maar anderhalf jaar geleden zag eigenaar Enrique Núñez zich gedwongen de zaak te sluiten omdat het steeds moeilijker werd 'binnen de wet de zaak draaiende te houden’. Nu is hij weer open.
Op de derde verdieping een deur en een bel. In de gang hangen foto’s van vele tientallen beroemdheden die hier hebben gegeten, van Sting tot Jack Nicholson en de Spaanse koningin Sofia. La Guarida wordt ook nooit overgeslagen door Amerikaanse politici en zakenmensen die hier op verkenningsmissie zijn.
De vrouw van de eigenaar kijkt op een computerscherm om de reserveringen te controleren. Dit is de enige tent die ik in Cuba zie waar ze zo'n voor Europese begrippen doodnormaal kasregister hebben. De staatsrestaurants hebben vaak niet eens iets om de bestelling op te schrijven, een gevolg van het enorme tekort aan papier, aan inkt, aan pennen, aan alles.
Krachtens de nieuwe verordening mag La Guarida twintig stoelen hebben, maar dat blijken in de praktijk twintig tafels, die in drie dagelijkse rondes helemaal vol zitten. Het eten is voortreffelijk, er zijn nu ook ruimschoots garnalen, kreeft en biefstukken, en alles is redelijk geprijsd. De bediening is voor Cubaanse begrippen razendsnel. Eigenaar Núñez heeft tien mensen in dienst, het maximaal toegestane aantal dat het nieuwe beleid toestaat.
Núñez, die is opgeleid als ingenieur, geeft de door Raúl Castro ingezette economische herkansing vooralsnog het voordeel van de twijfel: 'Het is een interessant moment. Een hoop mensen zijn natuurlijk heel sceptisch, maar het is duidelijk dat er steeds meer kansen zullen zijn voor wie ze weet te zien.’
Hij is een van de weinige optimisten over de hervormingen. Niet iedereen kan natuurlijk hamburgers gaan verkopen, stelt een Europees diplomaat. Dit soort activiteiten is bovendien heel gecompliceerd. De staat heeft het monopolie op de verkoop van vlees, vis, kip, noem maar op. De nieuwe zelfstandigen moeten dat allemaal van de staat betrekken. Bovendien is het 'eigen-baas-model’ ongelooflijk bureaucratisch, met eindeloos veel mitsen en maren, plus enorme belastingen. Op deze manier is elke accumulatie van kapitaal onmogelijk en dus leidt het ook niet tot nieuwe investeringen van de mensen die nu hun nek uitsteken.

OSCAR IS CHAUFFEUR bij een staatsbedrijf en rijdt in een dure Audi buitenlanders rond over het eiland. Hij krijgt fooien in convertibele pesos (cuc) waarmee je kunt betalen in valutawinkels en dure restaurants en behoort dus tot de groep meer welvarende Cubanen. Volgens Oscar zijn de hervormingen louter cosmetisch: 'Een aspirientje voor een stervende. Ze zijn alleen bedoeld om de mensen een beetje rustig te houden met al die ontslagen, en om het imago van het bewind in de wereld te verbeteren.’
'Macht, dat is het enige waar het om draait: dat dezelfde groep aan de macht blijft. Zolang het communistische systeem er is, komen er geen echte veranderingen. China, ja dat is anders, daar mogen mensen geld verdienen en rijk worden zodat ze kunnen investeren. Hier mag je niets verdienen. Het gedoe van de eigen-rekening-werkers is een farce, de meeste van die baantjes zijn een lachertje. En al die voorschriften: nu mogen de paladares twintig zitplaatsen hebben, maar degenen die zo'n tent runnen moeten alles van de staat kopen en ook nog eens krankzinnige belastingen betalen. Ook mogen ze nu mensen in dienst nemen, maar voor hen moeten ze ook belastingen en sociale lasten betalen. Met dat alles houden ze nauwelijks iets over en zeker niet genoeg om te investeren.’
De Cubaanse autoriteiten praten veel, maar doen weinig, vonnist Oscar: 'In dit land is alles fictie. Neem het gezondheidssysteem. Dat is perfect, zeggen ze. Dat was misschien twintig jaar geleden zo, maar nu niet meer. Er zijn lange wachtlijsten voor operaties en onderzoeken, als je het ziekenhuis in moet, moet je je eigen handdoek en lakens meebrengen, er zijn problemen met het desinfecteren van de operatiezalen. Ja, er zijn klinieken voor buitenlanders, maar daar komen gewone Cubanen niet in. De medicijnen in de staatsapotheken zijn spotgoedkoop, maar ga maar kijken: de apotheken zijn leeg.’

HET ZESDE PARTIJCONGRES moet, in de woorden van Raúl Castro, 'het Cubaanse model actualiseren. Hiervan hangen de duurzaamheid en het behoud van ons sociale systeem af.’ Het oude socialistische model leidt naar 'de afgrond’, maar de term markteconomie blijft uit den boze. Het gaat meer om het recyclen van het aloude socialisme waarvan het wezen nooit verloren gaat. Minister van Economie Marino Murillo benadrukt dat er zeker geen privatisering van de productiemiddelen wordt overwogen om de crisis te lijf te gaan: 'De economische categorieën van het socialisme blijven de voorrang krijgen, en niet de markt. De gecentraliseerde planeconomie blijft intact. We gaan niet het eigendom overdragen.’
Het eerste zichtbare hoofdpunt is het massaontslag van overheidspersoneel. De staat oftewel de Communistische Partij kan niet langer de schijn van volledige werkgelegenheid ophouden. Decennialang is, net als in de voormalige communistische landen van Oost-Europa, de fictie in stand gehouden dat iedereen een baan had. Ook in Cuba is de regel: jij doet net of je werkt, dan doen wij net of we je betalen. Ook al waren de salarissen minimaal, die illusie was altijd erg duur en het geld is op. Cuba wordt slechts nog overeind gehouden door de zo goed als gratis geleverde olie van de Venezolaanse president Hugo Chávez.
De absurditeiten van het huidige systeem zijn evident. Volgens officiële cijfers ligt de helft van alle landbouwgrond in Cuba braak, terwijl tussen de zeventig en tachtig procent van al het voedsel moet worden geïmporteerd, en zelfs dat is niet voldoende om de schaarste te bestrijden. Een derde van alle oogsten gaat verloren door coördinatieproblemen tussen de producenten, de transport- en de opslagbedrijven, allemaal door de staat gerund. En waar in Het Kapitaal beveelt Karl Marx aan dat zelfs kapperszaken en schoonheidssalons staatsbedrijven zijn?
De Cubanen moeten bovendien leren werken. Raúl Castro heeft al het einde aangekondigd van het 'paternalisme dat de stimulans om te werken om te leven wegneemt’. Dat betekent in de eerste plaats het drastisch aanpakken van de subsidies die de miserabele salarissen in Cuba compenseren.
'Het libreta, het bonnenboekje dat voor veel Cubanen van levensbelang is, wordt verder uitgehold en langzaam afgeschaft’, zegt Oscar. 'Maar de meeste mensen kunnen de producten op de vrije markt niet betalen. Een pond suiker kost daar nu zeven of acht pesos. Met het bonnenboekje was dat vijftig cent. Dus dat is vijftien keer zo duur. Neem een gepensioneerde, die krijgt per maand hooguit tweehonderd pesos. Daarvan moet-ie zijn huur, zijn licht en misschien zijn telefoon betalen. Als die in de maand zo'n vier pond suiker en vier pond rijst koopt is hij al bijna veertig pesos kwijt, een vijfde van zijn inkomen. En hij kan natuurlijk niet alle dagen alleen rijst met suiker eten. De rest is nog veel duurder, een pond kip kost 25 pesos.’
De schrijver Pedro Juan Gutiérrez, van wie in Nederland de trilogie Dirty Havana verscheen, ziet de nabije toekomst somber in: 'De combinatie van massaontslagen en het langzaam afbouwen van het bonnenboekje is op korte termijn desastreus. Als de regering dit doorzet, vrees ik dat tachtig procent van alle Cubanen definitief buiten de boot zal vallen.’
Gutiérrez merkt wel iets positiefs van wat je sarcastisch een 'terugtredende overheid’ zou kunnen noemen: 'Ik ben mijn huis een beetje aan het opknappen. Voorheen kreeg je dan voortdurend een inspecteur over de vloer. Die moest het aankoopbonnetje van het cement zien, en van de verf, van de spijkers noem maar op. Nu laten ze het maar op z'n beloop. Ik heb nog geen inspecteur gezien.’
Geruchten willen dat binnen de Cubaanse bureaucratie een sector zich klaarmaakt voor een overgang naar het kapitalisme en posities inneemt om toe te slaan, net zoals gebeurde in de Sovjet-Unie en Oost-Europa. Maar vaker wordt gesteld dat Raúl Castro met zijn economische koerswijziging zou proberen het Chinese model te imiteren: een door de staat gecontroleerde opening naar de markt zonder de honderd procent politieke controle op te geven. Dat zal echter bepaald niet meevallen, want er zijn nogal wat verschillen: Cuba heeft veel minder boeren dan China, de bevolking is gemiddeld veel ouder, er is geen Cubaans kapitaal in het buitenland dat om nationalistische redenen wil investeren in het eiland, er bestaat traditioneel geen cultuur van innovatie in Cuba, en, last but not least, de productiviteit van de Cubanen is eindeloos veel lager dan die van de Chinezen.
In de aanloop naar het partijcongres is van bovenaf een debat in het hele land georganiseerd dat je met goede wil een soort inspraakprocedure zou kunnen noemen. De bedoeling van het debat, dat niet toegankelijk is voor buitenstaanders, is om 'zonder angst voor represailles’ de voorgestelde en reeds gepubliceerde veranderingen te bediscussiëren. Men verwacht dat stilte deze bijeenkomsten domineert, juist omdat er niet veel valt te discussiëren en omdat de angst om je mond open te doen er diep in zit.
De meeste Cubanen hebben weinig fiducie in de aard en de omvang van de koerswijziging. De eerste maatregelen treffen het hardst de armste en zwakste groepen, net als in elk willekeurig kapitalistisch land. Maar iedereen is het er wel over eens dat het zo niet verder kan, dat er iets moet gebeuren. Vanuit het bewind lijkt de redenatie vooral dat er nu meer dan ooit voor gewaakt moet worden dat de lang lopende economische crisis ontaardt in een politieke crisis die het bewind regelrecht ondermijnt.


Cuba en de Arabische lente
De Cubaanse staatstelevisie is niet al te scheutig met berichtgeving over de opstanden in de Arabische landen. Je moet je eigen mensen tenslotte niet op een idee brengen. Bovendien is het ene Arabische land het andere niet, is de officiële versie die het duidelijkst wordt verwoord door Fidel Castro. De wegens ziekte teruggetreden leider van de Cubaanse Revolutie publiceert tegenwoordig vrijwel dagelijks zijn ‘Overpeinzingen’, waarin hij als een soort nationale commentator optreedt. De opstand in Egypte kon de goedkeuring van Castro wegdragen, dat was ‘een revolutionaire rebellie tegen corrupte heersers in het land dat de meeste wapens van de Verenigde Staten krijgt’.
Het geval Libië is een stuk ingewikkelder. Hoewel Fidel zich ervoor hoedt Kadhafi en zijn regime te verdedigen, schreef hij wel vanaf de eerste dag van de opstand in Libië over ‘een complot van de Navo om een olieland te bezetten’. In zijn ‘Overpeinzingen’ benadrukt hij ook dat de betrekkingen van Kadhafi met de VS en de landen van de Navo de laatste jaren uitstekend waren, tot de opstand in Tunesië en Egypte, en dat de wapens die Kadhafi gebruikt tegen zijn eigen bevolking geleverd zijn door diezelfde Navo-landen. Een extra veeg uit de pan krijgt natuurlijk telkens ‘Keizer Obama’: ‘Het zou me niets verbazen als Obama zelf de belachelijke titel heeft bedacht voor het bloedbad in Libië, Odyssee Dawn, die het stof van de resten van Homerus deed schudden.’
Door het gebrek aan informatie over wat zich in Noord-Afrika afspeelt, gaan de Arabische opstanden vrijwel geheel langs de Cubanen heen. Laat staan dat geprobeerd wordt om het voorbeeld te volgen.


Dit artikel is mede tot stand gekomen dankzij een financiële bijdrage van het Postcode Loterij Fonds van FreeVoice.
Deze week verschijnt Cees Zoons boek Narco-staat Mexico: Hoe de drugsmaffia de macht in het land overneemt (Meulenhoff, € 18,95)