Hannibal, inspiratiebron

De Norman Schwarzkopf van de oudheid

De bijna mythische status van Carthago is voor een groot deel gebaseerd op de roem van veldheer Hannibal, en vooral de verhalen over hem. Door de eeuwen heen inspireerde hij militaire leiders, van Napoleon tot Norman Schwarzkopf.

Medium 03 015953

De geschiedenis van Carthago kent episoden die altijd sterk tot de verbeelding hebben gesproken. Meestal had die verbeelding meer te maken met de sociaal-politieke omstandigheden van dat moment dan met de werkelijke geschiedenis van deze zo beroemde stadstaat uit de oudheid. Overigens is het niet eenvoudig de werkelijkheid van die vervlogen tijden te achterhalen. Schriftelijke bronnen uit het oude Carthago zijn er vrijwel niet en bronnen van tijdgenoten, zoals de Romeinen, zijn overduidelijk gekleurd. Ook hier spelen weer politieke belangen mee. Vooral Carthago’s vijanden hadden er belang bij de Carthagers als gewelddadige barbaren af te schilderen. Uiteindelijk moest er een rechtvaardiging gevonden worden voor de vernietiging van de belangrijkste concurrent in het westelijke Mediterrane gebied.

Veel van wat wij denken te weten over het Punische Carthago is gekleurd door latere gebeurtenissen. Zelfs de beroemde uitspraak van de Romeinse senator Cato, ‘Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden’, blijkt een verzinsel van een negentiende-eeuwse historicus te zijn. De strekking van deze uitspraak staat ongetwijfeld dicht bij de waarheid, Cato was nu eenmaal geen vriend van de Carthagers, maar de letterlijke weergave ervan is ontsproten aan het brein van de Duitse historicus Franz Fiedler.

Bij het grote publiek is Carthago vooral bekend vanwege het feit dat de beroemde veldheer Hannibal er vandaan kwam en vanwege de verwoesting van de stad door de Romeinen in 146 voor Christus. Klassiek geschoolden kennen daarnaast eveneens het stichtingsverhaal van de stad: het verhaal van Dido en Aeneas, het klassieke epos Aeneis door Vergilius. Om met dit laatste thema te beginnen, Vergilius’ versie van de stichting van Carthago kan al onmogelijk als een betrouwbare weergave van de werkelijkheid worden gezien. Vergilius schreef zijn heldendicht ter rechtvaardiging en verheerlijking van de macht van Rome, bijna negen eeuwen na de vermoedelijke stichtingsdatum van Carthago. Hij baseerde zijn verhaal weliswaar op een al bestaande mythe, die van de Fenicische prinses Elissa, maar dat betekent nog niet dat hij een historisch betrouwbaar beeld gaf. Ook de alom bekende mythe van prinses Elissa, die moest vluchten uit Tyrus en via Cyprus Carthago bereikte, is niet al opgetekend in de negende eeuw voor Christus, maar pas veel later. Hoewel historisch vaak onbetrouwbaar lenen dit soort verhalen zich goed voor een symbolisch-antropologische analyse van de inhoud. Het gaat meestal over een strijd tussen goed en kwaad, tussen buitenstaanders en lokale bewoners, tussen Goden onderling en tussen Goden en mensen. Het zijn algemene thema’s die in veel oorsprongsmythen van steden en culturen voorkomen.

Toch is het opmerkelijk dat Dido en Aeneas zo hardnekkig standhouden in de Europese cultuur. In de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw werden er veel tekeningen en prenten gemaakt met dit liefdesverhaal als thema. Vaak, gezien de onderschriften van die prenten, hadden deze afbeeldingen een moralistische strekking. Soms wordt Dido als de slechte vrouw afgeschilderd, omdat zij haar belofte breekt om nooit meer te trouwen, maar op andere momenten moet Aeneas het ontgelden, vanwege zijn beslissing Carthago en zijn geliefde te verlaten. Blijkbaar spreekt het verhaal van Dido en Aeneas veel mensen aan, ook nu nog.

Een andere Carthaagse vrouwenfiguur die sporen heeft nagelaten in de Europese beeldvorming is Salammbo. Deze volstrekt fictieve figuur, uit de gelijknamige roman van Gustave Flaubert (1862), heeft echter weinig met Carthago te maken. M.A. Wes heeft laten zien dat Flaubert zich vooral heeft laten inspireren door zijn ontmoetingen met Mme Elisa Schlésinger, een dame op wie hij smoorverliefd was. Er is eveneens een sterke relatie tussen de roman Salammbô en de sociaal-politieke situatie in het Frankrijk van rond 1850, maar het voert te ver om daar nu uitgebreid op in te gaan.

De beeldvorming rond Hannibal is wellicht nog omvangrijker dan die over Dido. Hannibal werd en wordt gezien als een briljante generaal die tot op de dag van vandaag invloed heeft op militaire leiders. De Amerikaanse generaal Norman Schwarzkopf heeft zich ondubbelzinnig uitgelaten over de grote invloed die Hannibal had op zijn handelen tijdens de eerste Golfoorlog in 1991 (zie de bbc-documentaire Hannibal: Conquerer of Rome uit 1995), maar het beste voorbeeld van gebruik en misbruik van historische figuren is ongetwijfeld Napoleon Bonaparte, de Franse eerste consul en later keizer, die regelmatig op zeer effectieve wijze de geschiedenis naar zijn hand zette. Direct na een veldslag bepaalde hij in detail welk beeld van het gebeurde naar buiten mocht komen. Hij bestierde op effectieve wijze zijn eigen pr en wist zich daarmee te verbinden met bekende leiders uit het verleden.

Napoleons manier van vechten tijdens de Slag bij Austerlitz doet denken aan Hannibal in de Slag bij Trebia

Natuurlijk werd Hannibal in dit proces opnieuw tot leven geroepen. Toen Napoleon in 1796 de Alpen over trok om Italië te veroveren, spiegelde hij zich onder anderen aan Hannibal. Zijn persoonlijke propagandaschilder Jacques-Louis David maakte er later een mooi schilderij van. Napoleon werd afgebeeld als een heldhaftig figuur die op een wit paard, al steigerend, de Alpen overstak. In werkelijkheid zat de held op een ezel en niet op een paard. Linksonder op het schilderij van David is een steen te zien waarop de naam Annibal geschreven is.

Toch is de relatie tussen Napoleon en Hannibal niet uit de lucht gegrepen, want Napoleon kende de historische bronnen over Hannibal goed. Er zijn minstens twee aspecten van Napoleons militaire verdiensten aan te wijzen die hem verbinden met Hannibal. Hoewel wij er weinig over weten, moet Hannibal een inspirerend leider zijn geweest, anders had hij zijn leger nooit tot zulke prestaties kunnen brengen. Napoleon stond bekend om een persoonlijke betrokkenheid met de manschappen, vooral met de Garde Impériale. Hij stimuleerde daarmee mensen tot ongekende prestaties. De vele geschreven herinneringen die zijn soldaten over ‘hun’ keizer hebben nagelaten, vaak jaren later, getuigen van een sterke band tussen Napoleon en zijn militairen.

Een tweede parallel tussen beide legerleiders is de tactiek op het slagveld. Napoleons manier van vechten tijdens de Slag bij Austerlitz (1805), waarbij hij een overmacht van Russische en Oostenrijkse legers verpletterde, doet erg denken aan Hannibals tactiek bij de Slag bij Trebia (218 voor Christus). Je wekt de indruk dat je zwak bent en haalt daarmee de vijand over tot een aanval. De tegenstander ziet echter over het hoofd dat elders verse en goed getrainde troepen klaarstaan om vanuit een onverwachte hoek aan te vallen. Bij Austerlitz lokte Napoleon de vijand de hoogvlakte van Pratzen af om de zwakke Franse rechtervleugel aan te vallen. Daarmee verzwakten de Oostenrijkers en Russen hun centrum en gaven het Franse leger de kans om, met speciaal daarvoor klaarstaande troepen (zo’n zeventienduizend man), toe te slaan. Iets soortgelijks deed Hannibal bij Trebia.

Ook de frontale confrontatie, waarmee Hannibal de Romeinen in 216 voor Christus bij Cannae probeerde te verpletteren (uiteindelijk succesvol), was een geliefde tactiek van Napoleon. Bij veel veldslagen zette hij zijn beste troepen, in colonnevorm, in om een bres te slaan in het centrum van de vijand. De paniek die daaruit ontstond deed meestal de balans in het voordeel van de Fransen doorslaan. Meestal, maar niet altijd. Bij Waterloo (1815) liepen Napoleons aanvallen op het centrum van Wellingtons troepen telkens weer vast. Uiteindelijk won Wellington, die overigens eveneens een groot bewonderaar van Hannibal was.

Bij al deze verhalen en interpretaties achteraf van het verleden blijft het natuurlijk de vraag of we niet in belangrijke mate naar historische constructies kijken, die veel kunnen afwijken van de werkelijkheid. Hannibals troepen zagen er ongetwijfeld niet erg heldhaftig uit toen zij na een zeer zware tocht over de Alpen in Noord-Italië aankwamen. Het leger had vermoedelijk nauwelijks meer slagkracht. Pas toen Hannibal zijn troepen kon aanvullen met mensen uit lokale bevolkingsgroepen, die ontevreden waren over de Romeinse overheersing, kreeg hij weer het initiatief in handen. Dat hij uit dat samenraapsel van soldaten een effectieve oorlogsmachine creëerde, mag een klein wonder heten. Wellicht is dit inderdaad te danken aan het leiderschap van Hannibal. Toch moeten we niet vergeten dat de werkelijke gebeurtenissen waarschijnlijk voor altijd voor ons verborgen zullen blijven. Lezers van Tolstojs Oorlog en vrede weten dat een veldslag zó chaotisch verloopt dat niemand kan achterhalen wat er precies is gebeurd. Militaire historici willen ons vaak doen geloven dat dat wél mogelijk is. Mede daardoor neemt de figuur van Hannibal bijna bovenmenselijke proporties aan. Maar zelfs hij faalde uiteindelijk. Bij Zama, vlak bij Carthago, werd hij in 202 voor Christus door de Romeinse veldheer Scipio Africanus verslagen. Scipio’s geadopteerde kleinzoon zou Carthago in 146 voor Christus met de grond gelijk maken.


Prof. dr. Pieter ter Keurs is hoofd afdeling collecties en onderzoek van het Rijksmuseum van Oudheden

Literatuur:
Johan Op de Beeck, Waterloo: De laatste honderd dagen van Napoleon (2013).
Ian Castle, Austerlitz 1805 (Osprey Campaign) (2002).
Franz Fiedler, Geschichte des römischen Staates und Volkes (1821).
Adrian Goldsworthy, Cannae: Hannibal’s Greatest Victory (2001).
Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage: The Punic Wars (2000). Vertaald als Carthago (2008).
David Howarth, The Near Run Thing (1968, 1997).
M.A. Wes, Gustave Flaubert en zijn Salammbô: meer dan historisch (1992).

Beeld: Jacques-Louis David,Napoleon steekt de Alpen over, 1800, olieverf op doek, 272 x 241 cm. Linksonder is nog een gedeelte van de naam van Hannibal te zien/ RMN-Grand Palais (musée des châteaux de Malmaison et de Bois-Préau) / Gérard Blot