Essay: Filosofie van de morele desintegratie

De normen en de waarden

Over normen en waarden is de laatste tijd veel gesproken, maar weinig verhelderends gezegd. Daarom onderneemt Milo Anstadt (82) een stoutmoedige poging ons «gedachtegoed» op dat glibberige terrein aan een enigszins systematische analyse te onderwerpen. Na beschouwingen over de moraal, het individu, waardensystemen, de cultuur, macht, de tegenstelling staat-burger, op basis van het denken van Aristoteles, Kant, Marx, en Hegel, concludeert de auteur dat de voortschrijdende verloedering in de huidige «fun civilisation» niet zomaar in de schoenen van de jongere generatie kan worden geschoven. Morele desintegratie is een algemeen verschijnsel. De omvang ervan is de laatste jaren voor de brede massa zo storend geworden dat heimwee is ontstaan naar het oude burgerlijke beschavingsideaal.

Hoewel de woordcombinatie «normen en waarden» ons de laatste tijd van alle kanten tegemoet galmt, is het zeer twijfel achtig of iedereen die het daarover heeft zelf wel weet wat hij ermee bedoelt, laat staan er zeker van is dat anderen die deze begrippen bezigen het over hetzelfde hebben. Zodra over onze normen en waarden wordt gesproken, doemen bij velen weer andere begrippen op waarmee zij in verband kunnen of zelfs moeten worden gebracht: cultuur, godsdiensten, recht, macht, opvoeding et cetera. Er is van geen enkele zijde tot nu toe veel verheldering op dit terrein geboden. Laat ons daarom een stoutmoedige poging ondernemen ons «gedachtegoed» op dat glibberige terrein aan een enigszins systematische analyse te onderwerpen, zonder de pretentie dat onze stellingen en uiteindelijke uitkomsten onaantastbaar zouden zijn.

Wat in het menselijk leven behoort is wetenschappelijk niet sluitend te funderen. Dat voor veel stelregels redeneringen worden aangevoerd die velen bevredigen, verandert niets aan het feit dat die regels in beginsel betwistbaar zijn. Elke redenering is gebaseerd op gepostuleerde normen waarmee ze staat of valt. De aanvaarding van de redenering vooronderstelt een keuze voor de betrokken beginselen. Onze waardeoordelen wortelen in opvattingen over goed en kwaad, behoorlijk en onbehoorlijk, en andere. Zij blijken bij nadere beschouwing deel uit te maken van een omvangrijk waardensysteem. Waar wij ons rekenschap van moeten geven, is dat ons waardensysteem in ruimtelijk noch in historisch opzicht uniek is. Cultuur en waardensysteem vallen in zeker opzicht samen en de mensen binnen een bepaalde cultuur hebben de neiging zich grosso modo door hetzelfde waardensysteem te laten leiden. Dat wil echter nog niet zeggen dat al hun waardeoordelen identiek zijn. Het lijkt er sterk op dat elk waardensysteem een vrij stabiele kern bezit waardoor het krachtige turbulentie en talloze veranderingen in de periferie verdraagt, maar bij alle Umwertung aller Werte toch in beginsel zichzelf gelijk blijft.

Een waardensysteem kan ondergaan met een cultuur, kan tijdelijk overlaagd worden door een ander waardensysteem, kan geschokt worden door natuurrampen, verval of brute macht, zonder dat de kern wordt aangetast. Na een tijd kan die zich opnieuw gaan manifesteren.

Een onderzoek naar de geldigheidsduur van een aantal elementaire waardeoordelen van ons waardensysteem voert ons duizenden jaren in onze geschiedenis terug. Dat zijn waardeoordelen over onder meer waarheid, gerechtigheid, gelijkheid, eerbiediging van het menselijk leven, vrede, vrijheid, naastenliefde. Het is dit soort waarde oordelen dat tot de kern van een waardensysteem behoort. Moraalfilosofen hebben naar een eeuwig richtsnoer gezocht voor het menselijk handelen. Het bestaan van zo’n constante werd herhaaldelijk betwist. Wat minder betwist kan worden, is dat de kern van ons zedelijk waardensysteem van oude datum is en dat deze, ondanks opeenvolgende culturen, die uiterlijk zeer verschilden, zich betrekkelijk ongewijzigd heeft kunnen handhaven.

Wat behoort wordt afgeleid van een aantal elementaire, betrekkelijk constante grondwaarden. De secundaire gedragsnormen zijn veranderlijk, wat echter niet wil zeggen dat ze zich onttrekken aan het krachtenveld van de grondwaarden. Een van de elementen van dat krachtenveld is het recht dat doorgaans beantwoordt aan het waardensysteem, maar dat ook kan veranderen omdat het instituties schept die ertoe neigen een eigen leven te leiden.

Gedragsnormen (waarvan vele een verankering hebben in het recht) kan men ruwweg in twee categorieën verdelen: de ene omvat existentiële zaken, de andere het menselijke comfort. Anders gezegd, de ene refereert aan het min of meer naakte leven, de andere aan het welzijn. Het zou eenvoudig zijn als de oordelen over de waarde van het leven en over de noodzaak het te beschermen altijd ondubbelzinnig zouden zijn af te leiden van de grondwaarden en als zodanig als objectief of absoluut zouden zijn te kwalificeren. De werkelijkheid is echter dat, hoewel de existentiële grondwaarden een betrekkelijk constant karakter vertonen, het menselijk oordeel er wisselende interpretaties aan geeft.

Met een sanctiestelsel dat tot het zedelijk waardensysteem wordt herleid, rijst de vraag naar de verhouding van het individu tot dat waardensysteem. Op grond waarvan mag men een individu onderwerpen aan normen die wel op redelijke keuzen maar niet op een dwingende logica berusten? Men zou het standpunt kunnen verdedigen dat uit «zijn-stellingen» geen (morele) «behoren-stellingen» kunnen worden afgeleid. Aldus het primaat van de logica vestigend zou men, gewild of ongewild, de deur openzetten voor de heerschappij van de sterkste.

Het is intussen de vraag of het probleem zo abstract moet worden benaderd. Nu wij op het begrip «heerschappij» stuiten, is het waarschijnlijk zinvoller en productiever de genese van normen en waarden in het kader van macht te bezien. Machtsuitoefening veronderstelt een sociaal kader. Met de verruiming van sociale kaders verschijnt macht in steeds gecompliceerder vervlechtingen. Gaan we een stap verder, dan stellen we vast dat machtsuitoefening onder mensen zich voltrekt in de context van de cultuur en voorts dat zij zich vertaalt in termen van cultuur. De vraag naar de verhouding van het individu tot een waar densysteem van een gemeenschap dient verruimd te worden tot de vraag naar de verhouding van het individu tot de cultuur waarin hij leeft. Een van de kenmerken van een cultuur is dat zij voor de daarin levende mensen mogelijkheden creëert die hun persoonlijke vermogens te boven gaan. De bijdragen van tallozen gedurende vele generaties leiden tot groei van de cultuur en daarin heeft iedere deelnemer in contribuerend en profiterend opzicht een aandeel. In wezen leven wij in een cultuur allen ver boven onze stand, dat wil zeggen ver boven het niveau van onze eigen vermogens en onze eigen inbreng. Dat neemt niet weg dat individuen soms slachtoffer kunnen worden van een cultuur.

Ik meen dat wij de volgende stelling kunnen poneren: een individu dat de wil tot bestaan manifesteert, erkent impliciet de wil tot behoud van de cultuur. Dat wil niet zeggen dat hij altijd kritiekloos tegenover de betrokken cultuur moet staan. Zijn kritiek kan immers een waardevolle bijdrage tot de cultuur zijn. In een overdrachtelijke betekenis zou men de relatie tussen individu en cultuur als symbiose kunnen voorstellen, oftewel een relatie van onderlinge afhankelijkheid. Vluchten uit de cultuur is de moderne mens — levend in een overbevolkte wereld — niet gegeven. Als wij de metafoor van de symbiose nog even vasthouden, dan is het begrijpelijk dat de deelgenoten slechts de voordelen accepteren en op de nadelen afwijzend reageren. Vanwege de voordelen bestaat echter ten aanzien van de nadelen een zekere tolerantie. Uiteraard liggen de toleranties bij ieder individu, iedere groep van individuen en iedere cultuur anders. Bestaat aan de kant van het individu de wil tot zelfbehoud, ook de cultuur vertoont een dergelijk mechanisme. Reageert het individu afwerend tegen desintegratie, ook de cultuur doet dat. De cultuur, dat zijn de talloze specifieke kenmerken van een samenleving zoals die in een langdurig proces vorm hebben gekregen. En zoals ouderparen de in hun verzamelde erfmassa genetisch aan hun kinderen doorgeven, zo geven samenlevingen die door in de cultuur. In het biologische en in het culturele worden twee aspecten van het menszijn doorgegeven.

Hiermee kunnen we concluderen dat een individu evenzeer onderworpen is aan de dominantie van een waardensysteem — althans de kern ervan — als zijn erfelijke eigenschappen aan de dominantie van zijn genen. De verandering van een waardensysteem is een proces dat (niet minder dan erfelijkheidsprocessen) generaties vergt. Een individu kan een geldend waardensysteem niet sterk veronachtzamen zonder schade voor zichzelf. Hij kan vooral niet de van dat waardensysteem afgeleide heerschappijregels ignoreren zonder dat het recht in actie komt. Dat hoeft hem intussen niet te hinderen zich tegen bepaalde regels te verzetten. Veel regels houden immers verband met perifere waardeoordelen, die niet zo ontoegankelijk zijn voor veranderingen. Het zou verkeerd zijn zulke «bescheiden» veranderingen te onderschatten. Een groot aantal kleine veranderingen kan, zoals Marx het uitdrukte, tot het omslaan van kwantiteit in kwaliteit leiden.

Veranderingen zijn — positief of negatief — een bijverschijnsel van het menselijk streven, en wat zijn collectieve uitingsvorm aangaat, voltrekt dat streven zich door middel van de politiek. Dat de macht van de politiek veel groter is dan die van het individu doet niets af aan het beginsel dat zwakke individuen politiek maken. Door machtsvorming van individuen worden zijzelf en anderen in banen geleid; zij voegen zich daarin vrijwillig en met instemming of zij moeten zich voegen onder druk of dwang.

In een bepaalde fase van de geschiedenis zijn de staten verschenen als organisatievorm en gezagsorgaan van politieke wilsvorming (van enkelingen of velen). De staat als orgaan van het politieke trad de cultuur binnen en werd daarin een prominent verschijnsel. Echter niet zonder dat de grondwaarden van de cultuur zich aan de staat opdrongen en hem onvermijdelijk doordrongen. De staat is een van de mutaties in het organisme van de cultuur die in een bepaalde fase van de sociale ontwikkeling is opgekomen en in een geschiedenis van eeuwen zijn doelmatigheid heeft aangetoond.

Hoe doelmatig ook, de staat blijft echter in gebreke alles te vervullen wat van hem wordt verwacht. Om na te gaan waaraan dat zou kunnen liggen, keren wij terug naar de relatie van het individu tot de cultuur. Is het aan de ene kant juist te stellen dat individuele mensen in de cultuur ver boven hun stand leven, omgekeerd kan men opmerken dat individuele mensen nooit op het niveau van de cultuur leven. Niemand is in staat de totale kennis en wijsheid van de cultuur waarin hij leeft te doorgronden en te adapteren. Daarenboven eindigt ieder leerproces met de dood van het individu en moet ieder nieuw individu de moeizame leerschool van voren af aan doorlopen.

De mensen verkeren in de, voor mijn gevoel, tragische omstandigheid dat zij (hoe bekwaam zij ook zijn) de kwaliteiten missen om op de termijn van hun zelfgekoesterde verwachtingen te realiseren wat de cultuur hun als mogelijkheid en belofte voorhoudt. Te ongeduldig om een proces van vallen en opstaan vol te houden, worden vaak de politici, bestuurders en hun hulpkrachten voor het falen verantwoordelijk gesteld. Echter ondanks alle ontevredenheid lijkt er in onze samenleving een mogelijkheid te bestaan cultuurinhouden te materialiseren. Bij alle tegenstellingen en teleurstellingen blijkt er een surplus te zijn dat de burgers aan de staat verplicht.

Tot zo ver vertoont onze analyse een aristoteliaanse visie die de tegenstelling staat-burger ontkent. Volgens Aristoteles wordt de mens pas menselijk binnen de polis. Burger is hij die deelneemt aan de openbare macht, «die in een land dat hij bewoont, wordt toegelaten tot de rechtsmacht en het overleg». (Politika). Rekening ermee houdend dat Aristoteles’ begrip «polis» en het huidige begrip «staat» elkaar niet geheel dekken, is het interessant na te gaan hoe de begrippen polis en cultuur zich tot elkaar verhouden. Het deelnemen aan de polis is de gemeenschappelijke act tot culturele voortplanting, zoals de bijslaap die is tot de individuele voortplanting. Bij Aristoteles realiseert zich in alle dingen de intentie. «Doel» en «natuur» veronderstellen elkaar, of zoals hij het zelf zei: «de natuur van elk ding is zijn doel». Het telos dat de dingen inwoont, is dwingend en onvermijdelijk, en met het opsporen ervan doorgronden wij de laatste, onherleidbare waarheid.

Die conclusie van Aristoteles waag ik niet te onderschrijven. Ons streven is gericht op concrete doelen, maar of wij in de richting waarin wij ons spoeden nieuwe vergezichten zullen ontwaren, of in een afgrond zullen storten, weten wij niet. Men kan zich natuurlijk een onfortuinlijk einde denken dat opgesloten ligt in het telos. Wie echter het telos zo interpreteert, vervalt in een wereldbeeld waarin de vrijheid van het subject een waanverschijnsel is.

Ik meen dat niet het telos in de zin van bestemming maar in de zin van onderneming, avontuur, proef aan alle streven ten grondslag ligt. Er zijn geslaagde en mislukte experimenten. Dat onze grondwaarden, met hun millennia oude geschiedenis, experimentele veronderstellingen van een geslaagd karakter zijn, wordt reeds door hun ouderdom bevestigd. Ze zijn alle aanslagen te boven gekomen en het ziet er nog niet naar uit dat hun weerstandsvermogen uitgeput raakt. Zij hebben superieure kritieken als die van Nietzsche, Marx en Foucault doorstaan en dan kan de uitspraak van Nietzsche op ze van toepassing worden gebracht: wat niet vernietigt, maakt sterk.

De indruk bestaat dat een cultuur een zekere afweer heeft tegen nieuwe ideeën. Hoe ingrijpender die zijn, hoe meer zij ze als verwarrend, onrijp, onrustbarend in een soort wachtkamer plaatst. Tegenwoordig wordt het nieuwe zowel als het modieuze vaak in subculturen ondergebracht, waaruit het eventueel door de cultuur kan worden geadapteerd. Deze traagheid van de cultuur is een zwakte op korte termijn, maar een kracht op de lange termijn.

Een cultuur geeft niet altijd een eensluidend antwoord op de vraag wat tolerabel is. Onze cultuur, die wij pluriform plegen te noemen, stelt verschillende antwoorden aan de orde, brengt ze in discussie en polemiseert erover. Als de meningsverschillen ergens over gaan, dan is het over het karakter van gedragingen in relatie tot wat in het algemeen als de kern van ons waardensysteem wordt beschouwd. Waar komt die morele preoccupatie van de mensen vandaan? Volgens sommige denkers reflecteert zij de van nature rechtschapen inborst van de mens, volgens anderen komt zij voort uit bekommernis om zijn fundamentele slechtheid. Hobbes en Rousseau waren op dat punt de meest uitgesproken antipoden. Hobbes meende dat de cultuur een product was van de fundamentele slechtheid van de mens. Dit voortbrengsel beschouwde hij als waardevol omdat het de mensen tot een verstandige zelfbeperking aanspoorde waarmee zij hun zelfbehoud dienden. Rousseau achtte de natuurlijke deugd van de mens juist bedreigd door de cultuur. Hoe meer natuurstaat, hoe groter de kans dat de «natuurlijke» rede zich in de samenleving zou manifesteren, meende hij. Het negatieve van de cultuur zat hem in de instituties die zij voortbracht. Deze hadden de tendentie kunstmatige structuren te scheppen waarmee de mens niet in het reine kon komen en die hem vervreemdden van zijn oorsprong.

Misschien zijn de meest interessante denkbeelden over moraal door Immanuel Kant verkondigd. Volgens hem is de grondslag voor het menselijk handelen diens zedelijk bewustzijn. Het menselijk willen is onderworpen aan een autonome wet, de zogenoemde categorische imperatief. Deze verplicht tot een gedrag dat te allen tijde de norm van een algemene natuurwet zou kunnen zijn. Kants opdracht aan de mens is om gehoorzaam te zijn aan het innerlijk plichtsbesef, zonder rekening te houden met voordeel of verlies. Summa summarum is het nakomen van de plicht echter eerder een onbereikbaar ideaal dan een concrete mogelijkheid.

Hegel ging van een principieel andere redenering uit. Bij hem stonden niet individuele mensen centraal, maar de soort. Deze was dienstbaar aan een wezenlijker entiteit dan die waartoe zij zelf behoorde: de «Wereldgeest». Zo beschouwd waren de geestelijke hoedanigheden van het individu niet autonoom. Wel bezat hij een betrekkelijke vrijheid en die was voorwaarde voor een voortschrijdend ontwikkelingsproces. Deze vrijheid viel voor Hegel samen met de zedelijkheid, en de staat was voor de verwezenlijking van de zedelijkheid verantwoordelijk. Daarom was de staat voorwaarde voor de groeiende vrijheid van de mens en de zelfontplooiing van de Objectieve Geest.

Uitgaande van een minder vergeestelijkt wereldbeeld veronderstelde ook Marx een ontwikkelingsproces van de mensheid naar vrijheid en rede. Alleen was bij hem niet de staat het «vehikel» van de bevrijding, maar waren het de productiekrachten, met de klassestrijd als motoriek en het proletariaat als pièce de résistance.

Terugkerend naar de vraag waar de behoefte aan moraliteit op gegrond is, blijkt dat de verschillende redeneringen tot verschillende uitkomsten leiden. Bij Hobbes is het het verlangen naar veiligheid. Daar in zijn optiek de ene mens de andere een wolf is, moeten strenge wetten van de staat de gewenste veiligheid bieden. Bij Rousseau is moraliteit een hoedanigheid van de met rede begiftigde mens. De onderlinge spanningen zijn volgens hem een product van cultuur die ongelijkheid schept. Deze moet noodzakelijkerwijze worden opgeheven en daarvoor kan de «volonté generale» zorgdragen die de wil van allen manifest laat zijn voor allen. Met andere woorden: een soort totalitaire democratie, wat een paradox is. Het waren de communistische «volksdemocratieën» die de idee van de volonté generale aanhingen — wij hebben gezien met wat voor desas treuze effecten. Voor Hegel (en Plato) is de morali teit een Idee met een absoluut werkelijkheidsgehalte. De mensen kunnen haar niet volledig kennen. Wijsgeren kunnen door systematisch denken slechts enkele contouren aangeven. De mensheid heeft echter deel aan de Idee en daarom heeft zij de neiging zich ervoor open te stellen.

Voor Marx vormt de moraliteit de ideologische bovenbouw van een klassemaatschappij die wortelt in de materiële onderbouw van specifieke bezitsverhoudingen. Als zodanig is zij een van de instrumenten waarvan de heersende klasse zich in haar machtsuitoefening bedient. Voor hem is zij geen zaak die diepgaande beschouwing vereist omdat zij immers een voorbijgaand verschijnsel is. Zij zal pas haar menselijke karakter aannemen nadat de klasseloze maatschappij zal zijn gevestigd, waarmee de «voorgeschiedenis» van de mensheid ten einde zal zijn gekomen.

Om tot de moraliteit terug te keren: uit het oogpunt van denkers kunnen wij haar uitingsvormen herleiden tot angst, rede, telos, afschaduwing van de Idee, en de ideologische bovenbouw van een klassemaatschappij. Ik heb de neiging aan deze (beslist onvolledige) rij nog een mogelijkheid toe te voegen, met name de taal. Het meest kenmerkende in de mens is zijn taalvermogen, waarmee hij een volkomen authentieke mensenwereld schept, die essentieel anders is dan van welk ander leven ook en waaraan geen andere soort vermag deel te nemen. In tegenstelling tot andere soorten die een min of meer geprogrammeerd levenspatroon vertonen, treedt de mens naar voren als betrekkelijk onbepaald, in die zin dat hij het vermogen bezit zichzelf tot op zekere hoogte te bepalen. De grondslag van dit vermogen is zijn zelfbewustzijn, een uitvloeisel van de reflectie waarin de taal een doorslaggevende rol speelt. De taal schept een wereld van voortdurende vernieuwing. Door het begripsvermogen dat de taal verleent (oftewel is) kan de mens keuzemogelijkheden onderkennen, en zich in en door zijn keuzen nader determineren.

Wanneer wij vaststellen dat de taal de bron is van het meer variabele levenspatroon van de menselijke soort, kunnen wij daaruit afleiden dat de mensheid ontsnapt aan een vastgelegde natuur doordat zij die, op basis van de taal ten dele zelf maakt. Wat zij aldus maakt, noemen wij cultuur. Dat uit die cultuur weer impulsen uitgaan naar de taal is een duidelijke zaak. Het is door de taal dat de mensen hun werkelijkheid verbeelden, haar ontvouwen in ficties, mythen en feitelijke samenhangen en dat dit complex min of meer vrij in de cultuur opgaat, maar dat omgekeerd die cultuur de mensen vormt en conditioneert.

De denkexercitie die ons door het recente getob over normen en waarden werd ingegeven, vraagt nu om een aantal conclusies. Een eerste waarneming zou kunnen zijn dat de cultuur, die ons in laatste instantie zo sterk bepaalt, zo weinig aandacht krijgt van de overheid, waarop volgens vele denkers zoveel verantwoordelijkheid rust met betrekking tot de menselijke verhoudingen. Men zou kunnen vragen: waarom zoveel aandacht voor de economische welvaart en zo weinig voor het geestelijk welzijn? Ongetwijfeld is ons democratisch bestel — noemen we het de polis — verantwoordelijk voor deze disproportie, voor het feit dat de cultuur «aan het vrije spel der maatschappelijke krachten» werd overgelaten. Langzaam stelt men vast dat er iets mis is gegaan, maar wat?

Als het om normen en waarden gaat, waar heeft men het dan eigenlijk over? Over een adequater toepassing van het «ideeëngoed» van Groskamp-ten Have (van Hoe hoort het eigenlijk)? Gaat het om bestrijding van grof gedrag bij sociale strata die zich vroeger zo keurig gedroegen; de correctie van brutale jongeren, die wellicht een voorbeeld nemen aan hun brutale ouders; de correctie van agressieve macho’s? Om de wens meer controle uit te oefenen op het reilen en zeilen van de consumptiemaatschappij die overstroomd wordt met goed verkoopbare pulp en nauwelijks nog ruimte biedt voor goederen van kwalitatief gehalte? Om een beter toezicht op de markteconomie?

De overheid die een probleem aan de orde heeft gesteld is er nog niet in geslaagd te verduidelijken waarover zij zich precies zorgen maakt. Misschien wel over de contradictie tussen cultuur en beschaving. Ons culturele erfgoed laat weinig te wensen over. De moraliteit die erin opgesloten ligt, is van hoge kwaliteit. Het gaat waarschijnlijk om de manier waarop wij met onze cultuur omspringen. In Duitsland wordt er een fijn onderscheid gemaakt tussen cultuur en beschaving — daar gerepresenteerd door het woord Zivilisation. Er schort iets aan onze civilisatie.

Het probleem lijkt daarin te liggen dat we, ongeveer in de tweede helft van de vorige eeuw, het burgerlijk beschavingsideaal hebben losgelaten. Het korset van normen en waarden waarin men gesnoerd zat, werd door een groeiend aantal mensen als te knellend ondervonden. Vrijheid, blijheid werd het devies en op basis van liberale en neoliberale beginselen werd de ontwikkeling van nieuwe levensvormen en gedragsregels aan de inmiddels mondig verklaarde mensen overgelaten. Zorg van de eerste orde voor de overheid was de welvaart en de verdeling. De stoffering van het dagelijks bestaan kwam in handen van de commercie die de «fun civilisation» in het leven riep. Alles wat geld opbracht, werd aangeboden en niets was ongeoorloofd. Onze cultuur bood ruimte aan een nieuw heiligdom: de markt. De verstrekkers van producten en diensten zochten met niet te stillen ijver naar nieuwe klanten die hun beurzen zouden kunnen vullen en ze ontdekten dat een jong publiek — gesubsidieerd door ouders of dankzij eigen inspanning — over de financiële middelen begon te beschikken om als een belangrijke clientèle beschouwd te kunnen worden. Die jeugd moest au serieux genomen worden. Zo werd een categorie tot de polis toegelaten die voorheen nooit enige zeggenschap had gehad — bij wie de geijkte normen en waarden nog nauwelijks geïnternaliseerd waren en die zich in haar sterke neiging tot zelfbeschikking zeer eisend opstelde. De koopkracht van de jongeren werd een element van de publieke orde. Wie de geneugten van de «fun civilisation» niet kon betalen, zag er niet tegenop irregulier aan de nodige fondsen te komen. Openbaar vervoer werd als een gratis dienstverlening beschouwd en de fiets als collectief eigendom.

Het is geenszins mijn bedoeling de voortschrijdende verloedering voornamelijk in de schoenen van de jongere generatie te schuiven. Er zijn te veel voorbeelden van morele desintegratie in kringen van ouderen, oudere rijken en al te rijken, om het niet als een algemener verschijnsel te beschouwen. De omvang is de laatste jaren kennelijk voor de brede massa zo storend geworden dat er langzamerhand heimwee is opgekomen naar het oude burgerlijke beschavingsideaal. Hoe de gemeenschap met deze nostalgie zal moeten omgaan, wat voor middelen zij zal moeten aanwenden om het onbehagen weer te verdrijven, komt in dit artikel niet aan de orde. Om onwenselijke situaties de baas te worden is er in de eerste plaats behoefte aan een juiste diagnose. Dit artikel heeft geen andere pretentie dan hiervoor wat gegevens aan te dragen.