Manifest voor een nieuwe politiek (6)

De nostalgie van de wanhoop

De beschermende verzorgingsstaten van Europa hebben verveelde en verwende samenlevingen opgeleverd. Anders dan China, India en Brazilië, met een toekomst van ongekende mogelijkheden. Pleidooi voor de staat als ballenbreker.

TONY JUDT IS VAN 1948 en heeft een pesthekel aan zijn generatiegenoten. Ik ben van 1963 en heb een pesthekel aan zijn generatie. Zelfingenomen zondagskinderen, arrogant en morele superioriteit veinzend, hebben de babyboomers onder het mom van vooruitgang, bevrijding en verheffing vooral voor zichzelf gezorgd. De mooiste baantjes in de journalistiek, de kunst- en cultuursector, de reclame-industrie en in Academia, de fraaiste huizen, de beste arbeidsvoorwaarden, de zekerste pensioenen en het indrukwekkendste historische ego hebben zij zich vanaf de jaren zeventig toegeëigend. Het ergerlijkst is dat de babyboomers dit als eigen verdienste zien en niet als historisch toeval. De uitbouw van de omvattende verzorgingsstaat in de jaren zestig en zeventig creëerde talloze mogelijkheden voor een beter geschoolde generatie om verschillende schakeringen pluche te veroveren en nimmer prijs te geven. Met als gevolg dat de bestuursposten bij de omroep, op de universiteit, in de schouwburg en het toneelgezelschap nog altijd worden bemenst door de zelfbenoemde mastodonten van ‘68.

Ik kende Judt van zijn stukken in The New York Review of Books, maar las voor het eerst een boek van hem toen ik in het Amsterdamse Martyrium voor vijf euro een gebonden editie van zijn magistrale Post War: A History of Europe Since 1945 op de kop tikte. Het is niet eenvoudig uit dat rijke, wijze en meerdimensionale boek een eenduidige these te destilleren, maar als Judt iets duidelijk maakt is het wel hoezeer de Europese naoorlogse geschiedenis is doortrokken van de rampzalige gebeurtenissen tussen 1939 en 1945 die de Europese bodem hebben doordrenkt met bloed. Van de onvoorwaardelijke steun van Europa voor Israël, de haat-liefde-verhouding tot de VS, het project van de Europese integratie tot aan de uitbouw van publieke voorzieningen die burgers van de wieg tot het graf moesten verzorgen - geen van deze ontwikkelingen kan worden begrepen zonder een goed begrip van de materiële en morele verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog.

Met name dat laatste punt benadrukt Judt in Post War. De staat - die negentiende-eeuwse vinding die, in de definitie van Max Weber, wordt gekenmerkt door het driedubbele monopolie van geldcreatie, belastingheffing en geweldsuitoefening, en die de kraamkamer is gebleken van een moderne, neutrale en regelgeleide bureaucratische organisatie - verkeerde door de staatsgeïnitieerde geweldsexplosies van de eerste helft van de twintigste eeuw in een legitimiteitscrisis. De taak die Judt zichzelf in Post War stelde, is verklaren hoe diezelfde staat er in de tweede helft van die bloedige eeuw in is geslaagd opnieuw legitimiteit te verwerven. Judts antwoord is even simpel als overtuigend: door de staat te transformeren in een schenkende, beschermende en bevrijdende organisatie. Met veel oog voor detail schetst Judt hoe via sociale-zekerheidsarrangementen, culturele verheffingsprogramma’s en universeel toegankelijke zorg- en onderwijsstelsels in land na land de pijnlijke herinneringen aan de oorlogsjaren werden uitgewist. Eerst voor veteranen en hun weduwen en wezen, daarna voor gepensioneerden en invaliden, uiteindelijk voor alle burgers en ingezetenen. Dat is wat de naoorlogse geschiedenis van de VS verbindt met die van Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Nederland: de staat compenseert het historische lijden van zijn burgers met materiële waarborgen en zekerheden.

HILARISCH WAREN JUDTS UITHALEN naar zijn eigen generatie en vooral de misplaatste verheerlijking van haar zogenaamd revolutionaire prestaties. 'The practical achievements of the Sixties seemed rather thin’, aldus Judt: een lagere kiesgerechtigde leeftijd, de massa-universiteit (een gemengde zegening), ruimere mogelijkheden voor echtscheiding, homorechten, abortusrechten en vrije toegang tot anticonceptiemiddelen. Dat was het wel zo'n beetje: ‘Hardly the revolution envisaged in the slogans and actions of the generation of 1968.’ Op cultureel vlak vonden de voornaamste vernieuwingen niet plaats in de jaren zestig en zeventig, aldus Judt, maar in de jaren vijftig. Kind of Blue van Miles Davis, L'ascenceur pour l'echafaud van Louis Malle, Waiting for Godot van Samuel Beckett, Under Milk Wood van Dylan Thomas, On the Road van Jack Kerouac, Naked Lunch van William Burroughs - kunstwerken die de kunstontwikkeling tot in onze tijd hebben bepaald en allemaal dateren uit de jaren vijftig.

De Franse intellectuele renaissance, nauw verbonden met de mythe van Parijs 1968, blonk vooral uit in ‘narcistisch obscurantisme’, aldus Judt, gestoeld als zij was op die typisch Franse mix van gespeelde intellectuele gravitas, veracademiseerd marxisme en een scheut fascistische Duitse romantiek van het kaliber Heidegger, Nietzsche en Schmitt. Luc Ferry en Alain Renault aanhalend concludeert Judt dat ‘the greatest achievement of the thinkers of the Sixties was to convince their audience that incomprehensibility was the sign of greatness’.

Uit Judts nadruk op de tragische wortels van de Europese verzorgingsstaat en zijn afkeer van intellectuele pretentie en zelfgenoegzaamheid leidde ik een politieke stellingname af die je typisch Brits zou kunnen noemen en die ook te vinden is bij Keynes en Tawney: conservatieve scepsis jegens blauwdrukken en overspannen heilsverwachtingen gepaard aan een humanistisch gemotiveerd negatief utilitarisme: al onze interventies gaan nu eenmaal gepaard met onbedoelde neveneffecten, maar omdat we de morele plicht hebben pijn en lijden te minimaliseren, ontkomen we er niet aan desalniettemin in te grijpen. Het besef dat het leven niet heroïsch is maar tragikomisch sijpelt van alle 831 pagina’s van Post War.

Tony Judt lijdt aan een spieraandoening die hem nog maar weinig tijd laat. Hij heeft dus haast om te zeggen wat hij nog te zeggen heeft. Deels doet hij dat in de vorm van herinneringen uit zijn rijke professionele leven die in korte afleveringen nu al een aantal maanden met ijzeren regelmaat The New York Review of Books vullen en absolute aanraders zijn. En deels doet hij dat in de vorm van het politieke pamflet Ill Fares the Land, een felle aanklacht tegen het immorele materialisme en de zelfverrijking - belichaamd door de bonusrijgende handelaren van Wall Street en hun exorbitante levensstijl - die ons stijgende inkomens- en vermogensongelijkheden hebben gebracht en die als levensfilosofie door de crisis van 2007-2009 in diskrediet zijn gebracht. Maar ook is Ill Fares the Land een waarschuwende oproep aan de grote en kleine voertuigen van emancipatie en (zelf)verheffing (lees: Amerikaanse liberals en Europese sociaal-democraten) om een nieuwe taal te munten voor collectieve solidariteit, die weerstand weet te bieden aan het perverterende gedachtegoed dat zonder ophouden, vrij naar Orwell, ‘state bad! market good!’ krijt.

Het boek is door een stervende geschreven voor de jongvolwassenen van nu. Judt constateert dat jongeren geprononceerde morele standpunten hebben - tegen milieuverontreiniging, tegen racisme en discriminatie, tegen de bio-industrie, tegen de politieke macht van multinationals - maar dat het hun aan een verhaal ontbreekt om deze standpunten coherent te onderbouwen en met elkaar te verbinden. Ill Fares the Land belooft hun zo'n verhaal aan te reiken.

Hoewel ons respect en mildheid jegens de stervenden past, heeft Judts poging om zo'n nieuwe morele taal te munten mij niet overtuigd. Ten eerste verbaast mij zijn nadruk op de discursieve dimensie van het politieke spel. Tot vervelens toe stelt Judt dat het ons aan een verhaal ontbreekt, dat onze taal is uitgeput, dat we onze stem moeten hervinden, dat ons onvermogen discursief is, dat we de economistische monoloog voor een publieke dialoog moeten verruilen. Alsof onze problemen vooral discursief van aard zijn! Iets wat je voor de nakende milieucrisis, de energieschaarste of het voedselvraagstuk toch moeilijk vol kunt houden.

Ook al zou ik Judt na lezing van Post War nooit hebben geschaard onder de materialistische historici die zijn generatie en zijn professie zo lang hebben gedomineerd (daarvoor besteedt hij te veel aandacht aan hoge en lage cultuur), verbaast het om historicus Judt met zo'n simpele analyse en zo'n eendimensionale oplossing op de proppen te zien komen. De historicus weet immers als geen ander dat de geschiedenis meer wordt bepaald door de verdeling van hulpbronnen, toeval, gebeurtenissen, Kairos en tactisch (on)vernuft dan door het juiste verhaal. Bovendien wordt het verhaal van morgen vandaag al lang ergens verteld, alleen ontbreekt het deze verhalen vooralsnog aan overtuigende vertellers. Veel lastiger is het om de vertellers van morgen aan te wijzen, laat staan om vuistregels op te stellen voor hoe zij gezaghebbende voorsprekers kunnen worden.

Omdat het ruim 150 pagina’s duurt voordat Judt de contouren van zijn alternatieve verhaal schetst, blijft dat verhaal noodgedwongen ook wat vaag. Het bestaat uit de oproep om toch vooral de strijd aan te gaan met groeiende ongelijkheden; om toch vooral niet de vermeende superioriteit van de markt voor zoete koek te slikken; om toch vooral de eigenstandige waarde van de staat als voertuig van collectieve mobilisatie en emancipatie te onderkennen; en om toch vooral te behouden wat er de laatste decennia met zoveel strijd verworven is. De sociaal-democratie van morgen, aldus Judt, is een sociaal-democratie van de angst; angst voor verandering, angst voor de toekomst, angst voor valse noodzakelijkheden. Maar zonder gêne, zonder schaamte voor de weemoed die er onvermijdelijk in doorklinkt. Wie een rijk verleden heeft, heeft immers ook veel te verliezen.

Het is al eerder geconstateerd: de Judt van Ill Fares the Land wentelt zich schaamteloos in nostalgie. Geen nostalgie naar de vermaledijde jaren zestig en zeventig evenwel, zoals onder Nederlandse sociaal-democraten gewoon is. Judt koestert ook in dit boek zijn babyboomershaat. De leiders van zijn generatie - en hij noemt Bill Clinton en Tony Blair met name - ontberen ‘overtuiging en gezag’, zijn op hun best ‘politicians lite’, zijn medeschuldig aan de afbraak van het collectief door te hameren op individualistisch egotisme, en hebben onze tijd gemaakt tot een ‘age of political pygmies’.

Nee, Judts nostalgie gaat uit naar de jaren vijftig en de vroege jaren zestig, naar het conservatieve pragmatisme van staatsmannen als Beveridge, Monnet, Adenauer, Marshall, Eisenhower en hier te lande Drees. Gedreven als zij werden door een diepgevoelde afkeer van geweld en bezield door een humanisme dat streefde naar verbetering van de levenskansen van de minstbedeelden, maar altijd stapsgewijs, altijd binnen de grenzen van het mogelijke en altijd wars van gevaarlijk ideologisch enthousiasme en fanatisme. ‘Incremental improvements upon unsatisfactory circumstances are the best that we can hope for, and probably all we should seek. (…) Social democracy does not represent an ideal future; it does not even represent the ideal past. But among the options available to us today, it is better than anything else to hand’, aldus Judt, en het is niet moeilijk hierin Churchills gekwalificeerde lofzang op democratie als staatsvorm te horen resoneren: twee hoeraatjes slechts, meer niet.

HET IS NIET GENOEG en tegelijk te veel. Is onze verzorgingsstaat de moeite van het behouden waard? Voor Judt is dat evident. Voor mij niet. Onze verzorgingsstaat is geënt op invullingen van de voornaamste parameters van ons bestaan - werk, opleiding, gezin, levensloop, onderneming - die wellicht adequaat waren voor de werkelijkheid van de jaren vijftig en zestig maar dat in de 21ste eeuw in afnemende mate zijn. Tegen de één miljoen zzp'ers en één- en tweepitters, sterk toegenomen scheidingen, scherp gestegen economische dynamiek, met alle consequenties van dien voor de grenzen van bedrijf en sector, hebben ertoe geleid dat de verzorgingsstaat steeds meer perverse effecten sorteert. Zij beschermt niet wie ze moet beschermen - opgroeiende kinderen (tegen de 400.000 geïsoleerde kinderen, aldus het SCP; 420.000 Wajongers), opdrachtloze zzp'ers -, zij overbeschermt de reeds beschermden (gepensioneerden, witte mannelijke werknemers met gebeitelde anciënniteitsrechten), en creëert machtige bolwerken van belanghebbenden die iedere poging tot vernieuwing en modernisering frustreren (werkgevers- en werknemersorganisaties).

Het is leerzaam Judts lofzang op de Europese verzorgingsstaat te contrasteren met de veel minder milde beoordeling ervan door scribenten uit de ontwikkelende economieën. De moreel geïnformeerde afkeer van Judt van een materialistische levensstijl steekt schril af bij de aspiraties van inwoners van China, India en Brazilië. Het consuminderen van Judt ademt de futloosheid van de verveelde, vergrijsde en verwende samenlevingen die de lidstaten van de Europese Unie zijn geworden. In China, India en Brazilië staat kapitalisme voor een toekomst van ongekende mogelijkheden die meer kansen dan gevaren herbergt. Zo bezien weerspiegelt ook de afkeer van het kapitalisme die in het zog van de crisis de kop heeft opgestoken de verveelde gemakzucht van een werelddeel dat weinig te winnen en veel te verliezen heeft en dat de toekomst alleen kan bezien door de bril van een nostalgie naar een beter verleden dat alleen al daarom beter was omdat het nog progressie beloofde. Ook Judt is in Ill Fares the Land bezweken voor de nostalgie van de wanhoop.

Een man als Roberto Unger, voormalig hoogleraar aan Harvard en tegenwoordig minister van Planning in Brazilië, hoef je niet lastig te vallen met pleidooien voor een verzorgingsstaat naar Europese snit, en dat geldt al evenzeer voor de Singaporese topambtenaar Kishore Mahbubani. Te weinig mobiliserend, de mens kleiner houdend dan hij kan zijn, hem compenserend voor beperkte levenskansen met uitkeringen die nimmer voldoende zijn en daarmee rancune en naijver voedend - Unger bepleit een vorm van superliberalisme die elke vorm van machtsconcentratie radicaal bestrijdt, in de politiek, de samenleving en in de economie. De belangrijkste rechten in Ungers maatschappijvisie zijn mobiliteitsrechten. Individuen hebben de plicht in beweging te blijven en kunnen het apparaat van de staat gebruiken om de blokkades opgeworpen door machtige anderen, die hun privileges willen consolideren, te slechten. Ik voel mij heel wat meer aangetrokken tot zo'n visie op de staat als ballenbreker dan tot Judts beschermende vader. Maar ja, ik ben dan ook van 1963, de wantrouwende do-it-yourself-generatie van punk en new wave.

TE PARTICULIER vind ik ook Judts bekommernis om ongelijkheden. Niet alleen spreekt hieruit een wel erg Anglo-Amerikaans perspectief - de meest gelijke samenleving ter wereld, namelijk de Nederlandse, kan wat mij betreft wel wat meer prikkelende ongelijkheden gebruiken - ook gebruikt Judt tamelijk eenzijdig empirisch materiaal. Het is lonend Judts eerste hoofdstuk te vergelijken met Peter Baldwins The Narcissism of Minor Differences. Daarin een provocerende analyse van de vermeende verschillen tussen de VS en Europa op basis van publiek beschikbare data over de prestaties van de verzorgingsstaten op de twee continenten. Baldwin constateert dat de VS nauwelijks onderdoen voor de Europese landen en dat de geringe resterende verschillen vooral worden uitvergroot om binnenlandse politieke doelen te realiseren; geen Europees socialisme in de VS; geen Amerikaanse toestanden in Europa.

Zo figureert Zweden in Ill Fares the Land als praalwagen van sociaal-democratische gelijkheid, maar komt er bij Baldwin bekaaid af. Prachtige gelijkheidsscores, aldus Baldwin, maar de Zweedse fiscus vist doodleuk achter het net als het gaat om de vermogens van de vijftig tot honderd rijkste Zweedse families. Dat bezit staat op rekeningen in offshore centra en wordt door de fiscus getolereerd zolang tenminste een deel in Zweden wordt belegd. De Amerikaanse fiscus zou dat nooit accepteren.

Soortgelijke kwalificeringen gelden de relatie tussen ongelijkheid en criminaliteit die Judt zo makkelijk legt. Ja, het aantal moorden is in de VS veel groter dan in andere ontwikkelde economieën. Maar als je de moordgevallen optelt bij de zelfmoorden en de verkeersdoden en vangt in een categorie van ‘abrupte levensbeëindigingen’ valt de excentrische positie van de VS plotsklaps weg. Je kunt data net zo lang martelen tot je er uit krijgt wat je wilt horen. Dat geldt voor Baldwin, maar zeker ook voor Judt. Of ongelijkheid onherroepelijk gepaard gaat met de sociale kwaden die Judt in het eerste hoofdstuk schetst is nog maar zeer de vraag.

Je kunt je zelfs afvragen of voor Judts preoccupatie met ongelijkheid wel goede morele argumenten zijn. Want waar het om zou moeten gaan is of iedereen zoveel mogelijk in staat wordt gesteld zijn eigen zelfgekozen leven te leiden. Niet of iedereen aan het eind van de dag ongeveer evenveel heeft. Oftewel, gelijkheid is geen doel op zich dat om morele redenen nastrevenswaardig zou zijn, maar een middel dat mensen in gelijke mate in staat moet stellen om eigen opvattingen van het goede leven te realiseren. Dat laatste vereist forse publieke investeringen in primair en secundair onderwijs, zo vroeg mogelijk om zo goed mogelijk te compenseren voor de sociaal-culturele ongelijkheden die in de boezem van het gezin worden overgedragen. Uitkomstgelijkheid is waar de Nederlandse verzorgingsstaat in uitblinkt. Kansengelijkheid is waar hij in faalt. Dit cruciale bestanddeel van elk toekomstgericht, moderniserend en vertrouwenwekkend politiek-filosofisch perspectief - namelijk het verruilen van een moreel niet te verantwoorden preoccupatie met uitkomstgelijkheid voor een moreel noodzakelijke nadruk op kansengelijkheid - mis ik bij Judt.

Het politieke verhaal van de toekomst heb ik in Ill Fares the Land niet aangetroffen. De weg heen lijkt niet op de weg terug, hoe glorieus en wijs ook. Nostalgie is begrijpelijk - wie veel heeft, heeft ook veel te verliezen -, maar dat laat onverlet dat weemoed een slechte raadgever is. Een betere denkoefening is het om de Nederlandse verzorgingsstaat te bekijken door de ogen van de Braziliaan, Indiër of Chinees. In die landen stapelt zich nu en straks ruim voldoende kapitaal op om in komende decennia zoiets als nationale verzorgingsstaten mee te construeren. Zullen zij net als wij voor een AOW, een Wajong of een Bijstand kiezen, of nieuwe evenwichten tussen bescherming en mobilisering bedenken? Ik denk het laatste. Voor ons betekent dit een herbezinning op onze relatie met dit soort landen. Zij zijn niet langer onze leerlingen; wij niet langer hun meesters. Wellicht kunnen wij straks van hen leren hoe wij de verhouding tussen mobilisering en bescherming, die nu is doorgeslagen in de richting van bescherming, opnieuw kunnen kalibreren. Voor die denkoefening ontbrak het Judt aan tijd en hersenruimte. Het zij die naoorlogse Europeaan vergeven.