De nuchterheid zelve

HET MOET halverwege de jaren zeventig zijn geweest, op een braakliggend terreintje te Zaandijk. Een rijzige, magere dertiger, wiens lange haar eruit zag alsof het mishandeld was door een minder begaafde dameskapper, sprak een gezelschap van actievoerende arbeiders toe. Fel ging hij tekeer tegen de Zaanse werkgevers, en nog feller tegen de regering-Den Uyl.

Het is dit beeld van Wim Kok, want hij was het, dat niet alleen mij is bijgebleven, maar dat door nogal wat mensen wordt gekoesterd. Velen prefereren deze Wim Kok boven onze huidige premier, de man voor wie het compromis geen middel meer lijkt te zijn, maar het ultieme doel.
Nu gaat het in de politiek altijd om het spanningsveld tussen radicalisme en realisme, tussen idealen en mogelijkheden. Niet alleen de politici hebben het daar moeilijk mee, ook de publieke opinie pendelt vaak tussen deze twee polen. Veel mensen hebben een zwak voor radicale, bevlogen politici, maar tegelijkertijd hebben ze vaak vooral waardering voor de gematigde bestuurders die keurig op de winkel passen. Vertederd worden er nog altijd herinneringen opgehaald aan Den Uyl, die in de nadagen van het Franco-regime op een auto klom om te protesteren tegen de wurgdood van een aantal ETA-strijders, maar vaak wordt daar aan toegevoegd dat de man ook wel iets te bevlogen en veel te drammerig was.
NEE, DAN DREES, dat toonbeeld van betrouwbaarheid en gematigdheid, de man die trouw aan de socialistische beginselen wist te paren aan zin voor realiteit. Het sociaal-democratische heiligenleven van deze twintigste-eeuwse vader des vaderlands wordt vaak ten voorbeeld gesteld aan Wim Kok, die wel Drees’ pragmatisme maar niet diens idealen overgenomen schijnt te hebben.
Maar in hoeverre is dit beeld van Drees terecht? Was hij wel zo beginselvast, of was ook hem het opportunisme niet vreemd? Was hij wel altijd zo gematigd en zo reëel, of was ook hij niet van radicale smetten vrij?
Een serieuze biografie van Drees die antwoord zou kunnen geven op deze vragen, is er nog altijd niet. Aan die biografie wordt al vele, vele jaren gewerkt door Hans Daalder, maar het kan nog lang duren eer hij verschijnt.
Wel is er nu het boek van Maarten Brinkman, die op 14 oktober promoveerde op Willem Drees, de SDAP en de PvdA. Dit proefschrift is niet bedoeld als biografie, en ook aan het werk van Drees als bestuurder op lokaal en landelijk niveau wordt weinig aandacht besteedt. Brinkman heeft zich beperkt tot Drees’ rol in, en verhouding tot, de twee sociaal-democratische partijen waarvan hij lid is geweest. Aangezien we het hier hebben over een periode van 67 jaar, en niemand in de Nederlandse sociaal-democratie zoveel functies heeft bekleed, een begrijpelijk en te verdedigen beperking. Bovendien kunnen in deze opzet, naast het al bekende en haast spreekwoordelijke pragmatisme van Drees, ook zijn socialistische idealen voldoende aan bod komen.
DE OP 5 JULI 1886 te Amsterdam geboren Willem Drees groeide op in een tijd waarin het socialisme op luidruchtige wijze zijn intrede deed in de Nederlandse politiek. De avond voor Drees’ geboorte had, op een steenworp afstand van zijn ouderlijke woning, Domela Nieuwenhuis voor een grote menigte verslag gedaan van zijn proces wegens majesteitsschennis. Onder de aanwezigen bevond zich ook politiecommissaris Stork. De behanger Johan Geel, ziedend bij de gedachte dat Domela het gevang in moest, trok zijn pistool en schoot de beruchte socialistenhater neer. Drie weken later brak, weer een steenworp verderop, het Palingoproer uit, dat aan 26 mensen het leven kostte.
Tijdens Drees’ jeugd leverden de socialisten niet alleen strijd tegen de klassevijand, ook onderling ging het er heftig aan toe, waarbij stoelpoten en bierpullen de argumenten nogal eens moesten onderstrepen. Aanvankelijk was het vooral de strijd tussen de ‘parlementairen’ en de anarchisten, die de gemoederen bezig hield. In de eerste tien jaren van deze eeuw werd de jonge SDAP vooral getijsterd door twisten tussen 'reformisten’ en 'marxisten’, de 'realo’s’ en 'fundi’s’ uit die periode. Voor anarchist was de brave en serieuze Drees niet in de wieg gelegd, zodat hij zich in 1904, op zijn achttiende verjaardag, aansloot bij de SDAP.
De eerste jaren nam Willem, die zich vanaf 1906 had gevestigd als beroepsstenograaf, deel aan het gewone partijwerk en besteedde hij veel tijd aan het bestuderen van de socialistische klassieken en de MO-studie staathuishoudkunde. Hij volgde privaatlessen van de econoom en socioloog Rudolf Kuyper, een marxist die in de partijtwisten de kant van Troelstra koos. Deze was zo te spreken over zijn leerling, dat hij Drees in 1909 vroeg hem te assisteren bij het opstellen van een verweerschrift tegen de beschuldigingen die de pas opgerichte SDP over de SDAP had geuit.
Over de opvattingen van Drees uit deze jaren weten we vrij weinig. Hij had grote bewondering voor het poëtische werk van Gorter en Roland Holst, maar hun politieke denkbeelden deelde hij blijkbaar niet. Wel was hij tegen het royement van de oppositionele 'Tribune-groep’, omdat dan ook de bewonderde Roland Holst en Gorter de partij zouden verlaten.
Tegen politieke of ideologische debatten heeft Drees nooit bezwaar gehad, maar met wat hij beschouwde als een 'georganiseerde oppositie’ binnen de partij had hij nooit veel geduld. In de conflicten met de linkse oppositie uit de jaren 1928-1932, het tweede Sociaal-Democratisch Centrum (eind jaren vijftig) en Nieuw Links, was hij dan ook onbuigzaam.
ZIJN POLITIEKE loopbaan begon Drees nadat hij eind 1907 naar Den Haag was verhuisd, omdat hij een vaste aanstelling had gekregen als stenograaf van de Tweede Kamer. In 1910 kwam hij in het bestuur van de afdeling Den Haag, om een jaar later reeds voorzitter te worden. In 1913 werd hij voor de SDAP in de gemeenteraad gekozen, en in 1919 in de Provinciale Staten. In dat laatste jaar werd hij wethouder van Den Haag, wat hij zou blijven tot 1933, het jaar waarin hij lid werd van de Tweede Kamer.
Drees’ opmars binnen de SDAP was gestaag maar onstuitbaar. Hij was in Den Haag de onbetwistbare partijleider, en drong in de loop van de jaren twintig ook door in de top van de landelijke partij. Hij gold als sociaal-economisch expert, en in die hoedanigheid was hij tijdens de crisis van de jaren dertig een van de weinige voorstanders van het loslaten van de gouden standaard. In de Tweede-Kamerfractie rees zijn ster heel snel, want reeds in 1937 werd hij tweede voorzitter van de fractie, om twee jaar later, toen voor het eerst SDAP'ers in de regering kwamen, de fractie te gaan leiden.
Was hij voor de oorlog opgeklommen tot een van de leiders van de sociaal-democratie, tijdens de bezetting groeide hij uit tot nationaal politicus. Hoewel hij reeds vrij snel, in oktober 1940, gearresteerd werd en daarna een jaar doorbracht in de zogenaamde 'gouden hoek’ van Buchenwald, en in 1942 een week in het gijzelaarskamp St. Michielsgestel zat, kwam hij de oorlog zonder veel kleerscheuren door. Mede dankzij zijn zwakke gezondheid - die hem niet zou beletten bijna 102 te worden - lieten de Duitsers hem betrekkelijk lang met rust. Doordat andere SDAP-leiders onbereikbaar waren - Albada zat in Londen en Vorrink en Wiardi Beckman belandden in de loop van de oorlog in concentratiekampen - werd hij de centrale man van de partij die formeel niet meer bestond. Door zijn enorme kennis, analytisch vermogen, zakelijke instelling en natuurlijk gezag werd hij in het illegale politieke overleg, dat zich voorbereidde op het moment dat de Duitsers verslagen waren, de toonaangevende man.
Na de oorlog kon dan ook niemand meer om Drees heen, hetgeen resulteerde in zijn dertienjarig ministerschap, waarvan hij de laatste tien jaar als premier de verpersoonlijking van de 'Wederopbouw’ werd.
WIE DE LOOPBAAN van Drees overziet, kan niet anders concluderen dat deze gevestigd is op Drees’ reputatie als door en door solide, uiterst betrouwbare bestuurder. Niettemin wordt uit het, eveneens solide en tevens zeer heldere, boek van Brinkman duidelijk dat de socialistische ideologie voor hem niet slechts een vehikel voor een politieke carrière was. Niet alleen bleef Drees ervan overtuigd dat socialisatie van een deel van de economie wenselijk èn noodzakelijk was, ook hechtte hij zeer aan de verbondenheid met de internationale socialistische beweging. Toen bij de fusiebesprekingen die zouden leiden tot de oprichting van de PvdA het lidmaatschap van de socialistische internationale en de handhaving van oude symbolen als bijvoorbeeld de rode vlag ter discussie stonden, hield de ogenschijnlijke pragmaticus Drees voet bij stuk. Dat hij dit ook gemakkelijk kon doen, omdat hij de overgrote meerderheid van de partij achter zich had terwijl de meeste 'Doorbraak’-socialisten relatief geïsoleerde intellectuelen waren, doet niets af aan het feit dat het voor Drees essentiële zaken waren.
Na zijn afscheid van de PvdA in 1971 was een van de redenen om niet toe te treden tot het door zijn zoon geleide DS'70 het gegeven dat deze partij geen lid was van de Socialistische Internationale. De oud-internationaal-secretaris van de PvdA, Alfred Mozer, loste dit, ook voor hem schrijnende, probleem op door lid te worden van de Noorse zusterpartij. Drees vond dat hij dat, als oud-premier van Nederland, niet kon maken.
FATSOEN, betrouwbaarheid, loyaliteit - voor Drees waren dit geen loze kreten. Toen in 1913 gediscussieerd werd over de vraag of de SDAP het aanbod om zitting te nemen in de regering moest aannemen, aarzelde Drees. Niet, zoals zoveel radicale partijgenoten, uit de overtuiging dat de partij geen verantwoording op zich mocht nemen voor een politiek die niet door en door socialistisch was, maar eenvoudig wegens het feit dat Troelstra tijdens de verkiezingscampagne had bezworen dat de partij niet toe zou treden tot een 'burgerlijk’ kabinet. Regeringsverantwoordelijkheid was in Drees ogen acceptabel, woordbreuk niet.
Ook in de debatten tijdens en na de bezetting, over de volgens velen noodzakelijke 'vernieuwing’ van het socialisme, stond Drees steeds op het standpunt dat het vertrouwen van de oude SDAP-aanhang niet beschaamd mocht worden. Dat allerlei intellectuelen met vage idealen zich niet langer thuis voelden in de oude 'zuilen’ en zich tot het democratisch socialisme bekeerden, was natuurlijk prachtig, maar dat mocht niet ten koste gaan van de traditionele sociaal-democratische arbeiders.
Hoezeer Drees zijn beginselen trouw bleef, bleek bij de kabinetscrisis van 1958, die een einde maakte aan zijn premierschap. Hij had de breuk kunnen voorkomen, maar weigerde dit omdat hij niet de 'Nederlandse MacDonald’ wilde worden. Hij verwees hiermee naar de Engelse Labour-leider Ramsay MacDonald, die in 1926 tegen de wil van zijn partij was gaan regeren met een nationaal kabinet, waarin de socialistische invloed nihil was. Regeren was prachtig, maar er moest wel iets te regeren zijn.
DAT IEMAND beginselen kan combineren met gezond verstand, is iets dat de meeste mensen zich met enige moeite nog wel kunnen voorstellen. Maar dat iemand dit reeds op jeugdige leeftijd kon, dat wil er bij weinig mensen in. Verschillende auteurs van boeken over Drees zijn dan ook naarstig op zoek gegaan naar uitingen van radicalisme van de jonge Willem. Zowel Harry van Wijnen als John Jansen van Galen en Herman Vuijsje hebben gesuggereerd dat Drees zich in zijn herinneringen gematigder heeft voorgedaan dan hij als jongeling in werkelijkheid is geweest. 'Waarom een achttienjarige geen gematigde opvattingen zou kunnen huldigen maken zij niet duidelijk’, constateert Brinkman even nuchter als terecht. Ook de veronderstelling, onder andere gedaan door Fasseur in zijn Wilhelmina-biografie, dat Drees in november 1918 achter Troelstra’s 'revolutiepoging’ heeft gestaan, berust volgens Brinkman op geen enkel feit.
Op momenten dat anderen zich lieten meeslepen door de emoties van het moment, en zelfs hun hoofd dreigden te verliezen, bleef Drees de nuchterheid zelve. Toen tijdens de oorlog Vorrink met zekere afgunst sprak over de heroïsche strijd van de Joegoslavische partizanen, en wenste dat er ook in Nederland zoiets zou plaats vinden, merkte Drees droogjes op dat hier dan eerst de Joegoslavische bergen zouden moeten worden opgeworpen.
Drees’ grote hartstocht was de democratie met een socialistisch gezicht. Dat gold ook voor de interne partijdemocratie. Het mocht natuurlijk geen zootje worden, en aan fractievorming had hij een bloedhekel, maar gekozen volksvertegenwoordigers moesten naar eer en geweten hun taak kunnen uitoefenen. In de jaren dertig, toen verschillende afdelingen hun wethouders naar huis wilden sturen omdat ze akkoord gingen met verlaging van de lonen der gemeentearbeiders - in een tijd dat alle lonen daalden - keerde Drees zich dan ook resoluut tegen deze stemdwang. Toen echter na de oorlog allerlei 'vernieuwers’ de invloed van de afdelingen wilden terugdringen, vonden zij Drees op hun weg om dit te verhinderen.
Drees was in dit soort situaties kalm maar onverzettelijk. Echt fel werd hij als er onrecht werd gedaan, zoals het neerslaan van de muiterij op de Zeven Provinciën in 1933. De redevoering die hij toen hield, was een van de meest bewogen redes uit zijn carrière, waarin hij het kapitalisme, militarisme en nationalisme aan de kaak stelde. Tegelijkertijd benadrukte hij echter dat de muiterij een, zij het door de jeugd en wanhoop der betrokkenen begrijpelijke, vergissing was geweest.
HET BESTAANDE Drees-beeld is door dit boek van Brinkman dus bepaald niet omver geworpen. Het is er wel door aangevuld en genuanceerd. Bovendien wordt uit dit proefschrift nog eens duidelijk dat het toch vrij problematisch is om Wim Kok te vergelijken met Drees. Niet alleen klom Drees in de partij omhoog van eenvoudig afdelingsbestuurder tot politiek leider, terwijl Kok op die positie werd geparachuteerd door Den Uyl, ook in onverzettelijkheid en beginselvastheid was Drees verreweg de meerdere van Kok. Drees peinsde er niet over om 'ideologische veren’ af te schudden, en het is hoogst onwaarschijnlijk dat hij bij de formatie van het eerste paarse kabinet zoveel concessies zou hebben gedaan als Kok bereid was te doen.
Zolang hij niet beticht kan worden van oorlogsmisdaden en grootscheepse fraude annex belangenverstrengeling, is het grote onzin om Kok te betitelen als de 'nieuwe Colijn’. De eretitel 'nieuwe Drees’ verdient hij echter evenmin.