De obsessie oltmans

Hoe kon Willem Oltmans tot zo'n obsessie voor de Nederlandse overheid uitgroeien dat deze hem nog steeds dwarsboomt? De Koude Oorlog? Die is allang voorbij. De kwestie Oltmans heeft nu lang genoeg geduurd.

BIJNA TIEN JAAR na de val van de Berlijnse Muur heeft het begrip ‘Koude Oorlog’ nog slechts een historische betekenis. Het staat gelijk aan de voltooid verleden tijd en verwijst naar een periode waarin de spanningen tussen Oost en West groot waren. Met name in het Westen was de achterdocht groot; er heerste een ware obsessie met het communisme. Die obsessie, voortgekomen uit de vrees voor Russische expansie, uitte zich niet alleen in crises of in de nucleaire wapenwedloop maar ook op veel kleinschaliger niveaus. Mensen die contacten onderhielden met communisten in het buitenland, zoals in Nederland de leden van de CPN en andere communistische partijen, waren verdacht en werden angstvallig in de gaten gehouden. De BVD vond het zelfs nodig in enkele van deze partijen te infiltreren. Onder de verdachte personen bevonden zich behalve politici ook filmers en journalisten. Bekend voorbeeld is de inmiddels overleden cineast Joris Ivens. Een ander voorbeeld is de journalist Willem Oltmans. Net als Ivens is Oltmans er de dupe van geworden dat de Nederlandse overheid zichzelf en haar afkeer van het communisme niet in bedwang kon houden. In 1957 leverde Oltmans scherpe kritiek op het Nederlandse beleid inzake Nieuw-Guinea, wat voor hem zeer ingrijpende gevolgen zou hebben. Het dekolonisatieproces van Nederlands-Indië bevond zich destijds, in de tweede helft van de jaren vijftig, in zijn laatste fase. De kwestie Nieuw-Guinea kwam aan de orde nadat Nederland in 1949 de soevereiniteit had overgedragen aan Indonesië. President Soekarno, de nationalist onder wiens leiding de soevereiniteitsoverdracht was bewerkstelligd, eiste westelijk Nieuw-Guinea op, maar de Nederlandse regering weigerde dit laatste restje koloniaal bezit in Azië af te staan. Soekarno werd gehaat in Nederland. Zijn felle strijd tegen de Nederlandse overheersers bracht dit met zich mee. Bovendien had Soekarno zich in de westerse perceptie meer en meer laten kennen als een communist. Het 'rode gevaar’ zou steeds serieuzere vormen aannemen in Indonesië, dat inmiddels vriendschappelijke betrekkingen had ontwikkeld met de Sovjetunie en China. Deze (omstreden) constatering voedde de vrees voor uitbreiding van het communisme in Zuidoost-Azië, iets waartoe ook de escalerende situatie in Vietnam bijdroeg. In deze dagen was het voor journalisten ongebruikelijk om vrijuit verslag te doen van de vijandige standpunten en opinies. Censuur en zelfcensuur, erkent men nu in journalistieke kring, zorgden sinds het begin van de politionele acties voor eenzijdige berichtgeving vanuit en over Indonesië. Oltmans was als betrekkelijk jonge correspondent in Rome onbekend met dit fenomeen. Hij zag in 1956 kans reportages te maken van het Indonesische staatsbezoek aan Italië en Duitsland, en ontmoette president Soekarno meerdere malen. Zijn publicaties hierover leidden in Nederland tot verontwaardigde reacties, niet in de laatste plaats onder de met buitenlandse zaken belaste bewindslieden en ambtenaren. Gewend als zij waren aan gezagsgetrouwe correspondenten, lag het voor de hand tegen deze eigenzinnige journalist maatregelen te nemen. En dat gebeurde. De hoofdredacteur van een landelijke ochtendkrant, een van Oltmans’ werkgevers, werd stevig onder druk gezet en zegde prompt diens medewerkerschap op. Deze gang van zaken werd Oltmans in 1991 duidelijk, toen hij via een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) de beschikking kreeg over enkele honderden overheidsdocumenten. HET VOERT NIET te ver te stellen dat dit voorval het begin markeert van een geheime overheidscampagne tegen Oltmans met de bedoeling hem van zijn werkgevers te ontdoen en het zwijgen op te leggen. Dit laatste werd pas echt nodig gevonden toen de journalist een heus adres tot de Staten-Generaal richtte waarin hij en enkele honderden mede-ondertekenaars, zijnde in Indonesië werkzame Nederlanders, de overdracht bepleitten van westelijk Nieuw-Guinea aan Indonesië. De groep stelde dat het vasthouden aan het overzeese gebiedsdeel op de lange duur onhoudbaar was en de Nederlandse belangen en reputatie in Azië zou schaden. Escalatie van het sluimerende conflict diende voorkomen te worden. Deze politieke actie, volgens Oltmans de enige mogelijkheid om aandacht te krijgen voor de nieuwe inzichten die hij in Indonesië had opgedaan, zette de hem vijandige mechanismen definitief in werking. Hoofdredacteuren van drie andere dagbladen, die eerder zijn politiek gevoelige artikelen hadden geweerd, ontsloegen hem op staande voet. Naar in 1991 duidelijk werd, waren ook zij intensief door overheidsdienaren bewerkt. Vanwege zijn 'staatsgevaarlijke’ stellingname in het conflict met Indonesië had minister van Buitenlandse Zaken Luns dit in eigen persoon nodig gevonden. Wat volgde waren verregaande en aanhoudende activiteiten om Oltmans onherroepelijk in diskrediet te brengen. Er ontstond een netwerk van ambassadeurs, lagere diplomaten, veiligheidsfunctionarissen en andere ambtenaren. In het geheim wonnen zij informatie over Oltmans in, die ze met elkaar en genoemde minister uitwisselden. Tegelijkertijd benaderden ze personen met wie hij beroepshalve te maken had. Gaandeweg, zo laten de vrijgekomen documenten zien, breidde de kwaadsprekerij zich uit. Oltmans was niet zomaar een correspondent die de zijde van de 'communist’ Soekarno had gekozen. Het zou hier gaan om een onbetrouwbare, 'renegade’ journalist die zich mogelijk aan oplichting schuldig maakte en bovendien 'homoseksuele neigingen’ vertoonde. Nadat ten tijde van zijn verhuizing naar New York (1958) tevergeefs was geprobeerd Oltmans de toegang tot de VS te ontzeggen, werden Amerikaanse kranten, ministeries en lezingenbureaus vertrouwelijk gewezen op de achtergrond van deze 'kwalijke figuur’. Er vond onderzoek plaats naar zijn financiële situatie, iets waarvoor zelfs Amerikaanse inlichtingdiensten werden ingeschakeld. Ook werd de laatste overgebleven werkgever in Nederland herhaaldelijk te verstaan gegeven de relatie met Oltmans te verbreken. Oltmans, luidde samengevat de opdracht, diende buiten gevecht gesteld te worden. Hij was namens dat ene blad als Nederlands correspondent geaccrediteerd bij de Verenigde Naties en berichtte, althans dat probeerde hij, over de politieke ontwikkelingen in de kwestie Nieuw-Guinea. Beëindiging van zijn medewerkerschap zou het mogelijk maken om 'Oltmans (het) etiket van bonafide journalist te ontnemen’ en daarmee de bijbehorende privileges. Bij officiële gelegenheden werd Oltmans doelbewust geweerd, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de geheime ambtelijke correspondentie omtrent het bezoek van (toen nog) prinses Beatrix aan de Nederlandse ambassade in Washington. Het geven van lezingen, voor Oltmans een alternatieve bron van inkomsten, diende eveneens stilgezet te worden. Het zo stelselmatig dwarsbomen van een journalist werd, anders dan men misschien zou verwachten, na de overdracht van Nieuw-Guinea eerder geïnstitutionaliseerd dan afgezworen. Alle posten en consulaten-generaal in het buitenland kregen de opdracht in geval van navraag naar Willem Oltmans erop te wijzen dat het hier ging om iemand 'die niet acceptabel is voor de Nederlandse regering’. Minister Luns schreef dit eind december 1962. Ruim een jaar later liet hij een soortgelijke opdracht uitgaan. Oltmans was vanaf dat moment permanent persona non grata. Verdachtmakingen en obstructies zouden zijn wegen blijven kruisen. In de jaren zeventig bijvoorbeeld, de periode waarin hij regelmatig naar de Sovjetunie reisde om documentaires te maken over het werk van de Club van Rome, stuitte hij naar eigen zeggen op tegenwerking door de Nederlandse ambassade in Moskou. In de jaren tachtig zouden nieuwe werkgevers in Zuid-Afrika door tussenkomst van ambtenaren en veiligheidsfunctionarissen zich hebben teruggetrokken, nadat de Nederlandse ambassadeur in Pretoria eerder had gewaarschuwd voor de komst van 'een gevaarlijke communist’. Afgaande op deze en andere beweringen was Oltmans klaarblijkelijk een obsessie geworden voor de Nederlandse overheid, precies zoals het wantrouwen op statelijk niveau gedurende de Koude Oorlog een eigen leven kon gaan leiden. Later werd Oltmans Zuid-Afrika uitgezet, naar zijn stellige overtuiging na zorgvuldige regie vanuit Nederland. Eenzelfde regie zou ervoor gezorgd hebben dat hij 28 jaar lang niet in Indonesië werd toegelaten. AANNEMENDE DAT Oltmans’ beweringen op waarheid berusten, zal men zich afvragen hoe het kon gebeuren dat de Nederlandse ambtenarij zich zó ver liet gaan om een enkele journalist het werken onmogelijk te maken. Dat kan toch niet alleen uit het westerse wantrouwen tegen het communisme worden verklaard? Een deel van de verklaring schuilt zonder twijfel in de persoon Willem Oltmans, die bekend staat om zijn non-conformistische houding, en conflicten met ambtenaren of politici nimmer uit de weg is gegaan. Sommigen verdenken hem er zelfs van dat hij de conflicten juist opzoekt. Bovendien is Oltmans behalve als journalist ook als onderhandelaar actief geweest in het diplomatieke circuit. Dat was al zo ten tijde van de kwestie Nieuw-Guinea, toen hij als intermediair optrad tussen de Indonesische regering en een groep Nederlandse industriëlen. Ook daarna zou Oltmans zich als een soort diplomaat in verschillende politiek-gevoelige kwesties mengen, iets wat onder collega-journalisten met argwaan werd gadegeslagen en de weerzin van Nederlandse autoriteiten tegen hem vergrootte. Niettemin moet het de bredere context van de Koude Oorlog zijn geweest, dat wil zeggen: de heersende achterdocht tegen (veronderstelde) communistische sympathisanten die maakte dat Oltmans tot een obsessie voor de Nederlandse overheid kon uitgroeien. De indruk dat Oltmans inderdaad tot zo'n obsessie is uitgegroeid, wordt anno 1999 nog regelmatig bevestigd. De nu 74-jarige journalist is momenteel verwikkeld in een rechtszaak tegen de Nederlandse staat om de gederfde inkomsten als gevolg van alle tegenwerking vergoed te krijgen. De gang van zaken in deze rechtszaak wijst erop dat de overheidsdienaren hun voortdurende strijd tegen de journalist allerminst hebben opgegeven. Al in 1991, nadat hij de geheime documenten in handen had gekregen, deed Oltmans het verzoek aan de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Van den Broek om tot een voor beide partijen aanvaardbare regeling te komen. De afwijzing van dit voorstel - er zou 'geen sprake van’ zijn dat de staat sinds 1957 tegen hem onrechtmatig heeft gehandeld - luidde vervolgens de rechtszaak in. VANAF DE EERSTE zittingsdag verloopt de procedure zeer moeizaam. Oltmans en zijn advocaten moeten bewijzen dat de geheime campagne tegen hem ook na 1964 heeft aangehouden. Documenten uit dossiers van Buitenlandse Zaken en de BVD zouden dit kunnen aantonen, maar het beroep op de WOB heeft tot dusverre slechts de inzage opgeleverd in een beperkt aantal stukken over de afgelopen 34 jaar. Het voor de hand liggende vermoeden bestaat dat Oltmans volledige inzage wordt onthouden, omdat daarmee de bewijzen van een voortdurende campagne naar buiten zouden komen. De vrijgekomen stukken uit de periode 1956-1964 worden door de rechter als verjaard beschouwd, in zoverre dat de vorderingen over deze periode niet meer geldig zijn. Bij gebrek aan documenten zijn de advocaten van Oltmans gedwongen om via getuigenissen voor de rechter de voortdurende tegenwerking door de overheid te bewijzen. Gegeven de lange geschiedenis van 34 jaar is dit een buitengewoon lastige opgave. In tegenstelling tot Oltmans, die van alle incidenten en voorvallen nauwkeurig dagboekaantekeningen bijhield, kunnen getuigen zich niet alles herinneren. Bovendien zijn velen van hen partij in het conflict met de journalist, waardoor ze geneigd zijn hun medewerking beperkt te houden. Probleem is ook dat de opstelling van overheidszijde een vlotter verloop van de rechtszaak in de weg staat. Tegen het horen van bepaalde getuigen wordt regelmatig bezwaar gemaakt, zodat over dit soort kwesties aparte zittingen nodig zijn. Ook komt het voor dat getuigen weigeren in de rechtszaal te verschijnen. Het vermoeden dat de overheid zich nog altijd door een obsessie laat leiden en veel in het werk blijft stellen om Oltmans te dwarsbomen, wordt verder gevoed door de diverse bemiddelingspogingen die Kamerleden en andere (oud-)politici hebben ondernomen. Een serieus aanbod voor alsnog een financiële regeling is op Buitenlandse Zaken nooit in bespreking gekomen. Hoe moet dit aflopen? Naar verluidt is het horen van weer een nieuwe reeks getuigen onlangs gestaakt, althans voorlopig. De rechtszaak van Oltmans tegen de Nederlandse staat zou anders zijn negende jaar ingaan en nog vele jaren kunnen duren, zeker als de landsadvocaat de beroepsmogelijkheden blijft benutten. Van Oltmans bestond lange tijd het beeld dat hij samenzweringen tegen zijn persoon zag die er niet waren. Collega’s namen zijn aantijgingen tegen de overheid niet geheel serieus, uit ongeloof of om andere redenen. De laatste jaren echter groeit het begrip voor de omstreden journalist. Dit ontstond met name na de uitspraak van de rechter dat de staat zich wel degelijk onrechtmatig tegen hem heeft gedragen, in ieder geval tot 1964. Een ieder die zich sindsdien met de zaak-Oltmans heeft beziggehouden, is er langzamerhand van overtuigd geraakt dat de opzettelijke tegenwerking zich tot in de jaren negentig heeft voorgedaan. Zelfs voormalig minister-president Lubbers suggereert dit, blijkens een brief die hij aan de advocaten van Oltmans schreef. Daarin uit hij het vermoeden dat Oltmans’ uitzetting uit Zuid-Afrika (1992) vanuit Nederland was georganiseerd. AL MET AL kan men zich over de kwestie Oltmans verbazen en verwonderen. Verbazen over een overheid, die willens en wetens de fundamentele rechten van een enkele journalist heeft geschonden. De verregaande vormen van tegenwerking illustreren eens te meer tot welke buitengewone proporties het westerse wantrouwen jegens andersdenkenden kon leiden tijdens de Koude Oorlog. Niet alleen Joris Ivens ondervond dat, ook Willem Oltmans. Verwonderen kan men zich over het feit dat na al die jaren nog altijd wordt geweigerd met de gedupeerde een fatsoenlijke regeling te treffen, zoals wel is gedaan met Ivens. 'Men wil daar (bij Buitenlandse Zaken) niet erkennen dat er fouten zijn gemaakt ten opzichte van Oltmans. Het is een prestigekwestie geworden…’ schreef Lubbers over de weerstand tegen zijn pogingen om aan de slepende affaire een eind te maken. Een eenling moet het aldus blijven opnemen tegen een ambtelijk apparaat, dat nota bene zelf in de fout is gegaan. Maar vooral is groot ongenoegen op z'n plaats. De rechtszaak van Oltmans lijkt niet meer te zijn dan een nieuwe dimensie aan een langdurige strijd die nooit had mogen plaatsvinden. De Koude Oorlog en de aversie tegen de persoon Oltmans kunnen die strijd wel verklaren, maar uiteraard niet rechtvaardigen. Desondanks geven dienaren van de overheid er blijk van zich nog altijd door een obsessie te laten leiden. Zij zullen dit zeker ontkennen. Maar hoe langer ze de zaak-Oltmans laten voortduren, hoe ongeloofwaardiger zij zich maken.