De mores van de Haagse journalistiek

De oesters van Nieuwspoort

In zijn boekje Je hebt het niet van mij, maar… doet Joris Luyendijk verslag van zijn verblijf op het Binnenhof. De Groene vroeg parlementair journalisten om een reactie. Een ‘flutboekje’ van een ‘aandachtsjunk’?

BEGIN OKTOBER bevond Peter Middendorp, Haags columnist van gratis dagblad De Pers, zich in de rookruimte van de sociëteit van perscentrum Nieuwspoort. De Nieuwspoort-sociëteit, grenzend aan het gebouw van de Tweede Kamer, telt meer dan tweeduizend leden: politici, journalisten, voorlichters en lobbyisten die samen ons beeld van de nationale politiek bepalen. In het rookhok spraken enkele parlementair verslaggevers ongerust over de naderende publicatie van Joris Luyendijks bevindingen. Hij was door het bestuur van Nieuwspoort gevraagd de jaarlijkse ‘rapporteur politiek-publicitair complex’ te zijn. Luyendijk had enige tijd rondgelopen op de vierkante kilometer rond het Binnenhof waar de macht wordt uitgeoefend, om de verhoudingen tussen de verschillende spelers - doorgaans lid van de Nieuwspoort-sociëteit - in kaart te brengen. Uit een voorpublicatie bleek dat het wel eens een kritisch boekje zou kunnen worden.

‘Hij is hier maar een maand geweest’, zei een Volkskrant-journalist. ‘Kunnen we niet afspreken dat we allemaal individueel zeggen: “Hij heeft geen research gedaan?”’
Peter Middendorp tekende het op in een column met als titel ‘Het vrije rookhok’. Maar niet dan nadat hij de Volkskrant-journalist, en een al even bezorgde collega van dagblad Trouw, had gevraagd of hij het gezegde mocht gebruiken. Zonder naam en toenaam natuurlijk, want ook de columnist wil graag lid blijven van de sociëteit en houdt zich dus aan de Nieuwspoort-code. Die staat als volgt vermeld op de Nieuwspoort-site: ‘Wat besproken wordt kan worden gebruikt in de krant, of voor radio en televisie, maar de bron blijft onbekend, net als de plaats waar het nieuws vandaan komt.’

Medium groene grafiek mores 1

Luyendijk is antropoloog en bekeek het Binnenhof als het jachtterrein van vier stammen. De toon van zijn boekje (klein formaat, 111 pagina’s) is onbevangen, soms naïef - een uitvloeisel van zijn poging om te zien wat de geoefende blik van de doorgewinterde journalisten, voorlichters, politici en lobbyisten niet meer opvalt. Hij gaf het de titel ‘Je hebt het niet van mij, maar…’, een verwijzing naar de Nieuwspoort-code die hem doet denken aan de werking van de censuur in Arabische dictaturen. De code leidt volgens Luyendijk tot journalistieke zelfcensuur omdat niemand precies weet wat eronder valt, maar niemand hem wil breken.

Tijdens zijn rapporteurschap stuitte hij op vier kinken in de kabel van de parlementaire journalistiek. Allereerst de verstrengeling: de leden van de vier stammen zijn volgens Luyendijk innig met elkaar verbonden. De parlementaire journalistiek kan zo de macht dus niet goed controleren. Dan de ondoorzichtigheid van de Nederlandse politieke cultuur: er bleken geen gegevens voorhanden over stemgedrag en lobbyisten; het ledenbestand van Nieuwspoort werd niet vrijgegeven. Ten derde stelde de rapporteur vast dat Tweede-Kamerleden nauwelijks ondersteuning kregen bij hun werk en bovendien veel minder invloed hadden dan ambtenaren en ‘Brussel’, wat hun rol marginaal maakte. Ten slotte verbaasde Luyendijk zich over het soapgehalte van de Haagse verslaggeving. Die draaide vooral om de poppetjes en de conflicten die ze binnen en buiten de partijen uitvochten.

Hij noemde zijn vaststellingen ‘grote ontdekkingen’. Dat had hij beter niet kunnen doen. Want voor de leden van de stammen die hij beschreef waren zijn vaststellingen oude koek, en bovendien reeds beschreven in lijvige rapporten als Medialogica (2003), die overigens vrijwel niemand leest. In een interview met de VPRO Gids wreef Luyendijk zout in de wonde van de parlementaire pers. ‘Als ik nu een journalist trots met een geheime notitie zie zwaaien’, zei hij, ‘denk ik niet meer: wow, wat knap, maar: wat is daar voor onderhandeling aan voorafgegaan? Zo iemand is voor mij niet meer de grootste held, maar de grootste hoer.’

Zijn boekje werd neergesabeld. NOS Journaal-hoofdredacteur Hans Laroes noemde hem een ‘aandachtsjunk’. ‘Ik denk dat er vooral boekjes verkocht moeten worden, en praatprogramma’s gevuld.’ De parlementaire redactie van NRC Handelsblad meldde zijn boekje niet lezenswaardig te vinden. De hoofdredacteur van Trouw schreef het zelfs de grond in zonder het ook maar gelezen te hebben, zoals hij in de eerste zin van zijn stukje meldde. Telegraaf-hoofdredacteur Sjuul Paradijs meldde per e-mail aan De Groene Amsterdammer: ‘Journalistiek belletje trekken is leuk en interessant, maar het leidt in dit geval tot weinig wol. Als je een keer toevallig ergens correspondent bent geweest, heb je de wijsheid toch niet in pacht? Dank voor de uitnodiging, maar ik doe dus niet mee.’

Ook de hoofdredacteuren van de Volkskrant en NRC Handelsblad die we benaderden voor dit artikel verleenden geen medewerking. Wel spraken we met jong- en oudgedienden rond het Binnenhof. En we hielden een kleine enquête naar ‘Haagse mores’ onder ruim 180 parlementair verslaggevers, werkzaam voor krant (44,2 %), televisie (29,9 %), radio (15,6 %), weekblad (5,2 %) en internet (5,2 %). 78 van hen (42 %) retourneerden onze vragen.

IN ZIJN COLUMNS voor De Pers observeert Peter Middendorp sinds 2007 het politieke bedrijf en vooral de spelers. Alles in het dagelijkse leven in ‘de aparte biotoop’ kan onderwerp zijn voor zijn literair geschreven stukjes. Middendorp bedrijft geen journalistiek. Hij luncht niet met politici, onderhoudt geen netwerk van voorlichters en journalisten. En als er even niets Haags te observeren valt dat in zijn ogen een column waard is, schrijft hij net zo goed over een bijna vergeten verliefdheid of een treinreis op plantaardige antidepressiva.

Drie jaar geleden was zijn werkwijze nieuw. De Haagse spelers moesten aan hem wennen, Nieuwspoort moest aan hem wennen. Nog voordat hij een letter had geschreven, werd hij streng toegesproken door Nieuwspoort-voorzitter Max van Weezel omdat het gerucht hem vooruit was gesneld dat hij de Nieuwspoort-code zou gaan breken en eens haarfijn uit de doeken zou gaan doen wat zich zoal in de sociëteit afspeelde. De soep bleek minder heet dan sommigen vreesden. Inmiddels is hij geen vreemdeling meer, maar er zijn nog altijd mensen die wegschuifelen als ze hem zien, bang dat hij over ze zal schrijven. Met name in zijn vroege columns beschreef hij wat hij zich zag afspelen in de wandelgangen, het circus tussen politici, voorlichters en journalisten. Ze werden gebundeld in het boek Lange Poten.

Middendorp herkent de receptie van Luyendijks boekje: ‘Je wordt gerecenseerd door Haagse journalisten. En die zeggen: “Nou, dat klopt niet hoor.” De discussie wordt onmiddellijk verlegd. Het gaat niet om zijn observaties over de journalistiek maar over Joris zelf. Dat hij niet genoeg research heeft gedaan, dat hij hier maar een maand is geweest. Het was belletje trekken, hij was meteen weer weg. Er wordt niet meer gepraat over zijn observaties op zich. Ik heb dat zelf ook ondervonden. Veel reacties op Lange Poten gingen over of dit wel kon, of het geen verloedering was. Die methode wordt altijd toegepast in de Haagse journalistiek.’

Middendorp vindt dat de parlementaire pers zijn werk vrij aardig doet: ‘Ik heb niet de indruk dat er heel veel verborgen blijft op het Binnenhof, dat het echt een verdorven wereld is en de parlementaire journalistiek heel slecht is. Maar sommige journalisten lijken een politieke agenda te hebben. Die van De Telegraaf bijvoorbeeld. Zij bedrijven campagnejournalistiek. Ze zitten er niet op te wachten dat de PVDA meer zetels krijgt of dat er geld gaat naar Milieudefensie.’

MAX VAN WEEZEL, sinds 1976 politiek commentator bij Vrij Nederland en vanaf 2003 voorzitter van Nieuwspoort, is ‘uiterst blij’ met de ophef rond Luyendijks boekje, al lijkt die aan zijn sociëteit voorbij te gaan: ‘Het ligt in stapels in de boekhandel, maar bij ons heerst een conspiracy of silence. Hoogstens krijg ik de vraag: waarom heb jij die Luyendijk eigenlijk binnengelaten? Ik heb van niemand gehoord: laten we er wat aan doen.’
Onder Van Weezels voorzitterschap werd de jaarlijkse Kees Lunshof-lezing ingesteld, ter reflectie op het vak. Maar om de boel écht op te schudden in het parlementaire verslaggeverswereldje besloot het Nieuwspoort-bestuur eveneens jaarlijks een rapporteur politiek-publicitair complex aan te stellen - Luyendijk is de tweede - die verslag doet op de dag van de lezing. Maar om nu te zeggen dat de rapporteurs Nieuwspoort op de grondvesten doen schudden…

‘Er bestaat een gesloten-oesterhouding van “wij zijn degenen die anderen om openbaarheid vragen en wij pikken het niet als mensen kritiek op ons hebben of ons op de vingers kijken”’, zegt Van Weezel. Tel daarbij op dat de tijden van de geëngageerde journalistiek uit de jaren zeventig, tachtig definitief voorbij zijn, en de lethargie is compleet. ‘Dit is de tijd dat de journalistiek door de Haagse journalisten heel erg als alleen maar een ambacht wordt gezien, minder dan als een maatschappelijke roeping. Sterker nog, men is allergisch voor iedere vorm van het dienen van een ideaal. Andere groepen in Den Haag voeren meer discussie over hun vak dan de journalisten. Voorlichters zijn voortdurend bezig met de ethiek van de voorlichting. Ik zat afgelopen week nog een discussie voor met lobbyisten over de ethiek van hun vak. En de politiek hield vorig jaar een congresdag over parlementaire zelfreflectie. Met een dik rapport. Geen journalist zat erbij. Geen interesse. De publieke journalistieke moraal is op dit moment kapot.’

HERMAN VAN GUNSTEREN, emeritus hoogleraar politieke theorieën en rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden, ging Joris Luyendijk voor als rapporteur politiek-publicitair complex. Samen met zijn echtgenote, de actrice en mediatrainer Cox Habbema, bracht hij vorig jaar verslag uit. Zij begonnen in januari en hadden meer tijd dan Luyendijk, al liepen ze niet dagelijks rond op het Binnenhof. ‘Ze zeiden van ons ook dat we er te kort geweest waren’, zegt Van Gunsteren. ‘Als wetenschapper weet je: één leven is niet voldoende.’

‘De toestand was minder ernstig dan verwacht’, concludeerden Habbema en Van Gunsteren. ‘Enkele courante klachten bleken oververhit.’ De media maakten fouten, zag hij, maar vooral de schrijvende pers bracht belangrijke zaken aan het licht, zoals met betrekking tot de Irakoorlog. Luyendijk schrijft dat Van Gunsteren en Habbema menen dat de veel gehekelde hype-journalistiek juist nuttig was omdat ze de kennis bij het publiek deed toenemen. ‘Dat heeft hij niet helemaal goed begrepen’, zegt Van Gunsteren. ‘We hebben een heel stuk geschreven over de gevaren van hypes. Dat de onderwerpskeuze van de parlementaire pers hyperig is, is niet goed. Maar omdat iedereen een eigen inbreng wil hebben, krijg je een aanscherping van de waarheidsvinding binnen de hype.’

Volgens Van Gunsteren wordt het hoog tijd dat er een mediaforum komt, een soort tuchtcollege, krachtiger en anders van opzet dan de Raad voor de Journalistiek, dat journalisten ter verantwoording kan roepen. Want de pers corrigeert de overheid, dus dan moeten de feiten en de werkwijze wel kloppen. ‘Daar moet je vijf, zes heldere basisregels voor opstellen.’ Hij zou het idee uitwerken met Telegraaf-hoofdredacteur Sjuul Paradijs. Het is er nog niet van gekomen.

Medium groene grafiek mores 2

Voor Van Gunsteren stond er niet veel nieuws in Luyendijks rapportage. De door Luyendijk geconstateerde verstrengeling van politici, woordvoerders, journalisten en lobbyisten constateerde hij zelf ook: ‘Ik deel zijn kritiek. Ik heb een hoofdstuk dat heet: Eén pot nat. Je kunt te dicht op elkaar zitten. Dat versterkt de indruk van een kliek, die de mensen toch al van Den Haag hebben.’ Een ergerlijk teken van een gebrek aan zelfreinigend vermogen van de journalistiek vond hij de kwestie met de twee oud-GPD-journalisten die bij de afdeling voorlichting van Sociale Zaken waren gaan werken en met hun oude wachtwoorden inbraken in het computersysteem van de GPD om artikelen te controleren en soms zelfs te wijzigen. Toen ze door Sociale Zaken werden ontslagen, werden ze prompt aangenomen bij het Algemeen Dagblad. ‘Bij ons in de wetenschap geldt: als je gepakt wordt, lig je eruit.’

WE VROEGEN ONZE parlementair journalistieke respondenten naar de verwevenheid van de werksferen rond het Binnenhof. Op de vraag ‘Hoe zou u uw omgangsvormen met voorlichters van departementen en partijen omschrijven’, antwoordde 65,2 procent ‘zakelijk’, 28,8 procent ‘collegiaal’ en 6,1 procent ‘amicaal’. In de toelichting schrijft iemand: ‘Zakelijk, hetgeen het drinken van een borrel in Nieuwspoort niet uitsluit.’ Een ander: ‘De rollen zijn duidelijk en daar bestaat geen misverstand over. Maar de relaties zijn goed en gebaseerd op vertrouwen.’ Ook hun omgang met politici karakteriseerden de parlementair journalisten voornamelijk als zakelijk (76,9 %), in mindere mate als collegiaal (16,9 %) en zelden (6,2 %) als amicaal. ‘Met sommigen heb je wel eens iets amicaals, maar ook dat is professioneel’, schrijft een respondent. ‘We hebben ze hard nodig’, schrijft een ander. 29,3 procent vond het problematisch als een journalist overstapte naar de voorlichting, de politiek of het lobbywezen. 70,7 procent vond dat geen probleem.

Soms vallen de belangen van een politicus en een journalist zozeer samen dat het opmerkelijke deals oplevert. Peter Middendorp hoorde eens aan de bar van Nieuwspoort een gesprek tussen een dagbladjournalist en een politicus. Beiden wilden graag de voorpagina halen. ‘Als jij morgen nou eens ruzie gaat maken’, zei de journalist tegen de politicus, ‘dan maak ik er een voorpaginaverhaal van.’

Jan Schinkelshoek las Luyendijks rapportage met ‘ingehouden adem en rode oortjes’. De parlementaire zelfreflectie van vorig jaar kwam er naar aanleiding van een motie van zijn hand. ‘Wij stelden ons als parlement de vraag: zijn we niet te hyperig bezig. Het antwoord was ja. Bij de presentatie van het rapport heb ik gezegd dat ik het pijnlijk mis dat ook de journalistiek eens grondig naar zichzelf kijkt. Incidentenjournalistiek en incidentendemocratie gaan hand in hand. Het is een vliegwiel.’

Tegelijkertijd is hij de vleesgeworden verstrengeling. Van 1973 tot 1983 was hij parlementair verslaggever voor de Haagsche Courant. Van 1983 tot 1994 was hij voorlichter. Hij was woordvoerder van CDA-fractievoorzitter Bert de Vries, campagnemanager van Ruud Lubbers en vervolgens directeur voorlichting van het ministerie van Justitie. Van 1994 tot 2001 was hij hoofdredacteur van de Haagsche Courant en vervolgens directeur communicatie van de Rabobank. Ten slotte kwam hij in 2006 voor het CDA in de Tweede Kamer, die hij moest verlaten na de voor het CDA desastreus verlopen laatste verkiezingen. ‘Toen ik overstapte van de parlementaire journalistiek om voorlichter te worden, moest ik daar heel diep over nadenken. Ik lag er wakker van. Waarom ik het deed? Wegens mijn grote nieuwsgierigheid om te weten wat er achter de schermen gaande was. Maar ik geef toe dat je zo het beeld kunt versterken dat het er niet toe doet aan welke kant van de streep je staat. Ik zie het gevaar.’

Luyendijk schrijft uitvoerig over de ‘intimidatie’ van journalisten door voorlichters. Ook 38,3 procent van de parlementair journalisten uit ons onderzoek voelt zich wel eens onder druk gezet door voorlichters. Schinkelshoek maakt zich zorgen: ‘Er is een verruwing aan beide kanten van de streep. De journalistiek is harder en cynischer dan ooit. Je wordt als politicus met het grootste gemak weggeschreven. Je ziet dat de politiek erop reageert met een zeer gepolitiseerde vorm van voorlichting. Het spindoctoren komt daarvandaan. Ik vind dat dit nu grenzen overschrijdt. Daarom begrijp ik Luyendijks pleidooi voor meer transparantie over wat er gebeurt achter de façade maar al te goed.’

Behalve columnist Peter Middendorp lopen nog drie journalisten van De Pers rond in Den Haag. Kustaw Bessems is een van hen. De Pers bestaat nu drie jaar en heeft zich onderscheiden door een non-conformistische aanpak. Zo ook in Den Haag. ‘Wij schrijven over wat wij belangrijk vinden’, zegt Bessems. ‘Als het niet nodig is volgen we niet de nieuwsagenda.’ Wie niet continu achter de poppetjes hoeft aan te hollen heeft meer tijd om te schrijven over de inhoud van het beleid. Dus zat hij laatst bij enkele begrotingsbehandelingen waar de onderwerpen immigratie en integratie langskwamen. ‘Geen spetterende debatten, geen hoogoplopende conflicten. Dat zijn nieuwsindicatoren, en die waren afwezig. Toch kon ik mijn artikel maken.’ De Pers hanteert nauwelijks scheiding tussen nieuws, reportage en analyse. ‘We houden niet zo van die zogenaamd neutrale stukjes waarbij je stiekem toch een mening wordt opgedrongen. Dan trekken wij liever zelf expliciet conclusies.’ Die autonome opstelling maakt De Pers minder vatbaar voor voorlichterstrucjes. Een tijdlang probeerden voorlichters nieuws ‘in te steken’. ‘Maar wij wisten niet wat we ermee moesten, dus dat was snel over.’

Ook bij nrc.next, net als De Pers een nog jonge krant, gaat het anders dan bij andere dagbladen. Hoofdredacteur Rob Wijnberg is een samenwerking met Luyendijk aangegaan om bloot te leggen hoe Den Haag werkt. Niet vanuit een poging tot onthullingsjournalistiek, maar door onbevangen te onderzoeken hoe de macht in elkaar steekt. ‘Door er min of meer als leek, als buitenstaander naartoe te gaan en bij alles waarvan je denkt: hé, gaat dat hier zo?, dat op te schrijven. De blik van ervaren journalisten is niet de blik van de lezers. Ik kan me voorstellen dat je Luyendijk populisme verwijt vanuit de ervaren Haagse journalistenblik, maar vanuit het lezersperspectief is dat veel minder aan de orde. De lezer weet niet hoe het daar gaat.’

Medium groene grafiek mores 4

Het eerste deel in de serie ging over de bv'tjes die politici erop na mogen houden: ‘Ze staan wel op de nevenfunctielijst, maar het is onduidelijk wat ze precies doen. Dat betekent, theoretisch, dat je relatief gemakkelijk bent om te kopen. Je kunt met zo'n bv'tje worden ingehuurd voor zoiets vaags als advies en afspreken dat je in ruil voor een zak geld dit of dat doet. Het gaat ons erom dat dat kán, zonder dat iemand het ziet.’ De klassieke journalistiek kampt volgens Wijnberg met het manco dat de politieke bv'tjes pas in de krant komen als de journalist heeft aangetoond dat ze daadwerkelijk worden gebruikt voor zaken die in strijd zijn met de wet op de nevenfuncties. ‘De dagelijkse praktijk zegt veel meer over hoe macht uitgeoefend wordt dan de uitzonderingen die het nieuws bepalen.’

BINNEN DE ‘OUDE’ journalistiek gaat intussen de discussie over Luyendijks boekje niet over wat erin staat. Dat bleek onder meer maandag, tijdens de Avond van de (zelf)censuur in Amsterdam. Daar debatteerden Journaal-hoofdredacteur Hans Laroes, Max van Weezel, voormalig GroenLinks-spindoctor Tom van der Lee en Kay van de Linde, de spindoctor die zich tegenwoordig ‘persstrateeg’ blijkt te noemen. Men sprak zich uit tegen Luyendijks ‘eis’ dat Haagse journalisten al hun bronnen openbaar moeten maken, wegens het ongewenste gevolg dat verslaggevers dan geen goede informatie meer zouden kunnen opdoen. Maar: dat schrijft Luyendijk nergens. Wel pleit hij voor transparantie over de aard van de contacten en werkwijzen die Haagse journalisten erop nahouden.

Kay van de Linde vatte de mening van veel Nieuwspoorters samen: ‘Luyendijks flutboekje heeft alleen waarde voor wie nog nooit in Nieuwspoort is geweest.’ Een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking dus. Van het flutboekje zijn er inmiddels ruim 26.000 verkocht. Het gaat momenteel met tweeduizend exemplaren per week over de toonbank.


Citaten uit het onderzoek onder parlementair journalisten:

Over invloed uitoefenen op de werkrelatie
_ ‘Bij onwelgevallige publicaties wordt de relatie nogal eens een tijdje op ijs gezet - wat ik begrijpelijk vind gezien de belangen die op het spel staan. Waaruit niet volgt dat ik me bij het schrijven er wat van aantrek. Het hoort erbij.’
_ ‘Sommige politici willen niet meer met me praten. Helaas zijn dat niet alleen onbelangrijke politici.’
_ ‘Soms zijn voorlichters of politici not amused over een bepaalde publicatie. Daarover laten ze hun ongenoegen blijken. Dat is niet erg. Journalisten mogen best aangesproken worden op hun werk. Er zijn verhalen bekend van journalisten die nadien in de ban zijn gedaan door politici/voorlichters. Ik heb dat zelf nooit ervaren.’
_ ‘Na een positief verhaal gaan meteen de deuren naar bestuurders en bewindslieden open. Interviews met de personen worden door voorlichters soms als lokkertje/drukmiddel gebruikt.’
_ ‘[Ik ben een] tijdje op zwarte lijst gezet.’

Over openheid over uw relaties op het Binnenhof
_ ‘Nee, informele relaties horen erbij. Zie WikiLeaks en de diplomatie. Met informatiefundamentalisme schieten we weinig op, betere journalistiek komt er in elk geval niet van.’
_ ‘Nee. Het gaat niemand wat aan hoe ik aan mijn nieuws kom. Ik word liever afgerekend op mijn artikelen, niet hoe die tot stand komen.’
_ ‘Lijkt me goed als structurele banden, bv adviseurschappen van partijen, openbaar zijn. Alle relaties [openbaar maken is] onwenselijk. Vertrouwelijke contacten werken alleen als ze vertrouwelijk zijn.’
_ ‘Nee, ik wil als journalist zo onzichtbaar
mogelijk blijven voor mijn publiek. (…) Je moet ook niet bij je lievelings-Chinees in de keuken willen kijken.’

Overstappen tussen journalistiek, voorlichting
en politiek
_ ‘Honderd jaar geleden was ik roomser dan
de paus; dat doe je niet. Nu ligt de journalistiek
op haar gat en moeten sommige collega’s wel;
ook een journalistenhypotheek moet worden betaald.’
_ ‘Vooral de overstap naar partijvoorlichting vind ik problematisch. Het is heel vreemd om een oud-collega opeens te ontmaskeren als een PvdA-spinner. Een overstap naar voorlichtingsbanen die op meer afstand staan van de politiek vind ik beter te rechtvaardigen.’
_ ‘Je kunt toch niet zomaar omschakelen? Ik vind het altijd enigszins ongeloofwaardig overkomen.’
_ ‘Het komt de reputatie van de journalistiek
niet ten goede.’
_ ‘Hou toch eens op met dat heilige gedoe over de journalistiek! Een journalist is een informatiemakelaar, net zoals een voorlichter. Niet alleen zijn contacten, maar ook het medium waarvoor hij werkt, is in hoge mate bepalend
voor de inhoud van zijn verhalen.’


Over druk van voorlichters
_ ‘Ja, onwelgevallige informatie uitzenden betekent dat de politicus de volgende keer niet in de uitzending komt. Voorlichters zitten vaak aan de knoppen.’
_ ‘Vooral bij autorisatie van interviews kunnen voorlichters nogal dwingend zijn (velen merken dit op - red.). Voorbeeld: we maakten (…) een reconstructie van de val van het kabinet-Balkenende IV. Daarvoor sprak ik met een van de sleutelfiguren uit het kabinet. De citaten werden zoals afgesproken voorgelegd aan de bron. Zijn woordvoerder was niet blij. Verlangd werd dat de hele tekst te zien zou zijn, “omdat dat zo was afgesproken”. Die afspraak was niet gemaakt. De woordvoerder hield eerst voet bij stuk en toen ik bleef weigeren, gooide hij het over een andere boeg. De voorlichter zou in problemen komen als de hele tekst niet werd voorgelegd. En er was nog wel zo veel moeite gedaan dat ik de desbetreffende politicus te spreken had gekregen! Heb vervolgens enkele delen van het verhaal voorgelegd, zodat er meer context was. Maar de hele tekst heb ik niet laten zien.’
_ ‘Met name bij het autoriseren van interviews halen voorlichters allerlei trucs uit de kast, soms best onaangenaam. Maar het is ook een spel (…) het gaat erom wie de slimste is,’
_ ‘[Voorlichters] worden regelmatig en snel boos over de inhoud… willen graag controle over het eindproduct en klagen makkelijk en snel bij leidinggevende.’
_ ‘Bij autorisatie alsnog proberen citaten uit het stuk te houden. Bij afwijzen artikel dreigen met een ban, of contact leggen met hoofdredactie.’

Omgangsvormen tussen politici en lobbyisten
_ ‘In de kern ook als zakelijk; politici worden gevoed door lobbyisten, en daar is op zich niets mis mee; meer rechtse politici krijgen inbreng van bv werkgeversorganisaties, linksere types laten zich meer leiden door bv natuur- en milieuclubs. Dat dat gebeurt is een ieder duidelijk; zo worden moties vaak niet door de partijen geschreven, maar door lobbyclubs. Die clubs vertegenwoordigen weer een achterban, die vaak overeenkomt met de achterban van de betreffende politieke partij. Enige moeite heb ik met lobbyisten die zelfs tijdens een debat “hun” politicus nog sturen; ging dat vroeger met een briefje, tegenwoordig via sms.’
_ ‘Lobbyisten die afhankelijk zijn van politici lopen hopeloos achter de feiten aan. Zij moeten bij ambtenaren zijn. De omgangsvorm tussen die twee is daarom nogal ongemakkelijk.’
_ ‘Bij de 3 grote partijen & D66: amicaal. Bij SP & PVV: afstandelijk tot nauwelijks contacten.’
_ ‘Bij lobbyisten denkt iedereen graag aan de tabaksindustrie, of Shell. Maar net zoveel (en even goed betaalde) lobbyisten zijn van Natuurmonumenten en Greenpeace. En Vluchtelingenwerk.’