Dwaalsporen vanuit Pakistan

De offerkoeien van een kernmacht

Pakistan claimt dat de Europese Unie is betrokken bij de illegale bijdragen aan het Pakistaanse atoomwapenprogramma. Een dwaalspoor. Net als de buitensporige aandacht voor het zwarthandelsnetwerk van de vroeger in Nederland werkzame Abdul Qadeer Khan.

«De zogenaamde ontmanteling van het nucleaire zwarthandelsnetwerk van Abdul Qadeer Khan is een poppenkast», zegt emeritus hoogleraar Hendrik («Hein») Das. «Khan en een paar van zijn collega’s worden ontslagen om de Amerikanen en de internationale opinie tevreden te stellen, maar het kan niet anders of de autoriteiten hebben zijn illegale handel jarenlang gesteund of door de vingers gezien. De bewaking van militaire installaties en projecten is in Pakistan ongelooflijk streng. Veel wetenschappers mogen niet eens het land uit. Er is geen sprake van dat oom Khan met zijn leren koffertje vol atoomgeheimen de wereld heeft rondgereisd zonder dat de regering en de legertop daarvan wisten.»

De laconieke Das (71) is een van de weinige Nederlanders die Khan en zijn entourage de laatste jaren van dichtbij hebben meegemaakt. In zijn Spartaanse werkkamer met uitzicht op de duinen schuift hij een stapel papieren over tafel. Daaronder het programma van het International Symposium on Advanced Materials 2003, afgekort ISAM 2003, dat hij afgelopen september in Islamabad bijwoonde. Dit tweejaarlijkse symposium onder auspiciën van Khan, de «vader van de Pakistaanse atoombom», gold jarenlang als hoogtepunt in Pakistaanse wetenschappelijke kringen. Ditmaal was de sfeer echter totaal anders dan in 2001, toen Das er voor het eerst bij was: «In 2001 was Khan het stralend middelpunt. Deze keer zag hij er oud en teruggetrokken uit. Hij woonde alleen de opening bij en was meteen weer verdwenen, alsof hij alleen maar voor de vorm zijn gezicht moest laten zien. Niemand van de andere gastheren bracht zijn naam ter sprake. Met de kennis die ik nu heb, besef ik dat hij op dat moment al had afgedaan.»

Toen de ambassade in Islamabad in 2000 een verzoek om Nederlandse deelname aan het symposium ontving, leek Das de aangewezen man om er eens een kijkje te nemen. Hij had na de oorlog fysische chemie gestudeerd in Delft en naam gemaakt op het gebied van de activeringsanalyse, een methode om de samenstelling van objecten te bepalen door ze licht radioactief aan te stralen. Eind jaren vijftig haalde hij De Telegraaf door het koper- en zilvergehalte te bepalen van een collectie «gouden» munten, ooit door de Turkse sultan aan koning Willem II geschonken. Nadien was hij hoogleraar in Amsterdam en Utrecht, medewerker van het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) en consultant voor het Internationaal Atoomagentschap (IAEA) in Wenen. In die laatste hoedanigheid verrichtte hij wetenschappelijk ontwikkelingswerk in Azië, Afrika en Latijns-Amerika. De laatste jaren reisde Das op kosten van de overheid naar buitenlandse conferenties en onderzoeksinstellingen en rapporteerde daarover aan de Koninklijke Academie van Wetenschappen en de AIVD.

Tijdens zijn bezoek in 2001 sprak Das met Khan in zijn zwaarbewaakte villa, had een onderhoud met president Musharraf en ontmoette Pakistaanse en buitenlandse collega’s. Het verbaast hem niet dat Pakistan zijn kernwapenprogramma tientallen jaren kon voortzetten ondanks internationale embargo’s: «De Nederlandse connectie is voor de Paki stani in het begin van groot belang geweest omdat veel materiaalkunde vanuit Delft naar Pakistan is geëxporteerd. Maar op de internationale markt is tegenwoordig alles te koop als je het een beetje slim aanpakt. Iedereen wil eraan verdienen. In de Verenigde Arabische Emiraten wemelt het van de wapen- en handelsbeurzen, daar is het meeste onder de toonbank te krijgen.» In Pakistaanse laboratoria trof Das niet alleen apparatuur uit West-Europa, China en de VS aan, maar zelfs uit Rusland, vanouds een bondgenoot van Pakistans nucleaire rivaal India. «Het zou me niet verbazen als meneer Poetin ook af en toe een leverantie aan Pakistan door de vingers ziet.»

De ontdekking van Khans illegale activi teiten in Noord-Korea, Iran en Libië is ook van veel ouder datum dan nu wordt gesuggereerd. «De Amerikanen beschikten al in 1991 over satellietfoto’s van Noord-Koreaanse ultracentrifuge-installaties voor de verrijking van uranium», zegt ingenieur en proliferatiedeskundige Jörn Harry, voor zijn pensionering werkzaam bij ECN en het IAEA. «Die foto’s zijn destijds in de Board of Governors besproken, maar de Chinezen hebben weten tegen te houden dat er iets mee werd gedaan. De strijd tegen nucleaire proliferatie strandt telkens weer op de noodzaak van consensus, ook met partijen die er zelf bij betrokken zijn. En er is inderdaad een internationale zwarte markt voor nucleaire technologie ontstaan, zoals IAEA-directeur AlBaradei heeft gezegd. Daarvoor zijn landen als Pakistan of Iran allerminst aangewezen op een paar dubieuze contacten in Duitsland of Dubai.»

Evenals Das meent Harry dat de Nederlandse voorgeschiedenis van Khans succesverhaal een afgesloten hoofdstuk is. Harry: «Khan heeft zoals bekend in 1976 tekeningen en specificaties van het ultracentrifugeproject van Urenco in Almelo gestolen en gebruikt voor zijn eigen centrifugeproject in het laboratorium van Kahuta. Hij heeft toen ook een lijst van westerse leveranciers meegenomen waaruit hij jaren kon putten. Maar de Nederlandse overheid heeft haar les geleerd. Potentiële leveranties vanuit Nederland zijn bij mijn weten succesvol onderschept en Urenco is een gesloten huis geworden: alle benodigde apparatuur werd voort aan binnen het project geproduceerd en verliet nooit het pand. Bij IAEA-inspecties in Irak, Iran en elders in de wereld zijn centrifugeonderdelen uit Duitsland, Italië, Engeland en andere landen aangetroffen, maar niet uit Nederland.»

In tal van commentaren is er ook op gewezen dat Khan nooit zijn wereldwijde nucleaire bazaar had kunnen openen zonder internationale contacten op hoog niveau. AlBaradei noemde Khans démasqué vorige week «slechts het topje van de ijsberg» en zijn woordvoerster Flemming suggereerde dat ingezetenen van ten minste vijf landen betrokken waren bij de smokkel van onderdelen en blauwdrukken voor ultracentrifuges, kernkoppen en draagraketten naar Noord-Korea, Iran en Libië. Voor smokkel operaties van dergelijke allure is een veel groter apparaat nodig dan het flinterdunne «internationale netwerk» waarover de media de laatste weken berichten. Bij nader inzien berusten die berichten op mededelingen van een Pakistaanse veiligheidsfunctionaris tijdens een briefing van de Pakistaanse pers op zondag 1 februari.

In die briefing werden drie Duitsers, een Brit en een Nederlander bij naam genoemd. De Duitsers zijn gepensioneerde en deels hoogbejaarde medewerkers van bedrijven als Siemens en Leybold-Heraeus die in de jaren tachtig in de problemen kwamen wegens twijfelachtige leveranties aan Pakistan. De Brit is Peter Griffin, een expat in Dubai die al geruime tijd de aandacht van westerse inlichtingendiensten op zich gevestigd wist. De Nederlander ten slotte, wiens naam door The New York Times tot «Hanks» werd verbasterd, is ingenieur Henk Slebos, directeur en enig aandeelhouder van diverse bv’s. Slebos werd inderdaad in 1985 veroordeeld wegens de uitvoer van een breedbandoscil loscoop naar Pakistan. In 1998 werden nog eens vijf zendingen van zijn bedrijfjes door de Economische Controle Dienst tegengehouden. Sindsdien treedt hij, voor zover bekend, alleen op als sponsor van Khans symposia.

Eind vorig jaar gaf Den Haag toe dat de Almelose centrifugetechniek behalve in Paki stan ook in Iran, Noord-Korea en Libië is aangetroffen. AIVD-woordvoerder Vincent van Steen bevestigt dat zijn dienst een nieuw onderzoek is gestart naar «eventuele Nederlandse betrokkenheid bij leveranties aan die landen». Concrete resultaten heeft dat niet opgeleverd. Het kan bijna niet anders of de vijf in Islamabad genoemde namen zijn weggevertjes van de veiligheidsdienst, de Interservices Intelligence (ISI), bedoeld om de aandacht af te leiden. «Het zijn offerkoeien», zegt Das. «In het geval van Slebos gaat het me zelfs aan het hart omdat hij een oude studievriend van Khan uit Delft is. Ik ben wel eens bij Slebos thuis geweest. Een hele verdieping van zijn huis is ingericht met Pakistaanse meubels en het nummer van Khan is voorgeprogrammeerd in zijn telefoontoestel. Maar hij is allang geen chef inkoper van Kahn meer, als hij dat al ooit is geweest. Hij is een relict uit de beginjaren van het Pakistaanse kernwapenprogramma.»

Ook de Finse IAEA-inspecteur Olli Heinonen, leider van de onderzoeksteams in Iran en Libië, meent dat de media een verjaard spoor volgen. Heinonen: «De Süddeutsche Zeitung publiceerde vorige week een verhaal waarin stond dat ik in december drie Duitse wetenschappers zou hebben bezocht om hen te confronteren met nieuwe feiten omtrent hun aandeel in Khans smokkel netwerk. Dat waren niet toevallig de drie wetenschappers die ook in die briefing in Islamabad zijn genoemd. Als ik hen al heb bezocht, wat ik om wille van mijn onderzoek niet kan zeggen, was het niet om die reden. In dat artikel werd ook Slebos genoemd, maar die ken ik alleen van affaires uit de jaren tachtig. Bij mijn weten houdt de Nederlandse regering hem scherp in de gaten. Ik verzeker u dat het IAEA-onderzoek in een heel andere richting gaat. We hebben werkelijk, zoals AlBaradei zegt, nog maar het topje van de ijsberg gezien.»

In Washington werd de summiere Pakistaanse versie van de feiten, gevolgd door de onvermijdelijke presidentiële amnestie voor Khan, met kennelijke tevredenheid ontvangen. Over Khans amnestie zei de woordvoerder van Buitenlandse Zaken dat het ging om een «interne aangelegenheid van Pakistan». CIA-directeur George Tenet ging een stuk verder in een toespraak op de Georgetown Universiteit waarin hij zijn inlichtingenwerk met betrekking tot massavernietigings wapens in Irak verdedigde. In een opmerkelijk terzijde eiste hij de eer voor Khans «ontmaskering» op, verklaarde dat Khans «netwerk» een «verpletterende slag» was toegebracht en dat de Maleisische autoriteiten inmiddels «een van de belangrijkste fabrieken van zijn netwerk hebben gesloten». Hij doelde op een fabriek van de Maleisische firma Scope, die onderdelen voor gascentrifuges naar Pakistaans ontwerp zou hebben vervaardigd. Volgens Maleisische berichten is die fabriek echter helemaal niet gesloten. De Maleisische autoriteiten ontkennen zelfs dat het bedrijf willens en wetens illegale goederen heeft geleverd.

Ronduit surrealistisch was het optreden van president Bush een dag later. Bij de benoeming van een onderzoekscommissie die het Amerikaanse inlichtingenwerk in landen met een «proliferatierisico» moet doorlichten, maakte hij enkel gewag van Libië, Iran en Afghanistan, niet van Pakistan. Zelfs als het gaat om de overdracht van gevoelige technologie aan terroristen is Pakistan het grootste risicoland. Kort na 11 september 2001 arresteerden de Pakistaanse autoriteiten twee kerngeleerden, Sultan Bashir-ud-Din Mahmood en Chaudiri Abdul Majeed, die al-Qeada hadden geholpen bij de verwerving van kennis omtrent kernwapens. Tot zijn arrestatie gold Mahmood als een vooraanstaand wetenschapper. Begin jaren zeventig vervulde hij een pioniersrol in het uraniumverrijkingsprogramma dat vanaf 1977 door Khan werd voortgezet.

In werkelijkheid is Washington natuurlijk niet zo naïef. Het Pakistaanse leger heeft decennialang aan een kernwapenprogramma kunnen werken dankzij de stilzwijgende toestemming van zijn Amerikaanse bescherm heren. «We weten al tientallen jaren van het bestaan van het Pakistaanse kernwapen programma», zegt Jörn Harry. «De Amerikanen hebben Pakistan aan wapens en apparatuur geholpen in dezelfde tijd dat Khan bezig was zijn handel te perfectioneren en marktrijp te maken. De Amerikaanse wet verbiedt het geven van steun aan landen die streven naar een nucleaire status, dus hebben opeenvolgende presidenten in strijd met de waarheid in het Congres moeten verklaren dat Pakistan niet aan kernwapens werkte.»

Zoals Pakistan in de Koude Oorlog het belangrijkste steunpunt voor de VS in Zuid-Azië was, zo is Musharraf vandaag de belangrijkste troef van de Amerikanen in hun militaire campagne tegen het terrorisme in de regio. De val van Khan is het resultaat van jarenlange stille diplomatie van Washington, bedoeld om het nucleaire «lek» te dichten en tegelijk Musharrafs fundamentalistische oppositie niet te zeer tegen de haren in te strijken. Diverse Pakistaanse dagbladen hebben onthuld hoe Musharraf en Khan de afgelopen maanden onderhandelden over de afwikkeling. Hun postiljon d’amour was Chaudhry Shujat, de voorzitter van de Pakistaanse Moslim Liga, een kleine maar invloedrijke partij die de steun van Musharraf geniet. De ontknoping, inclusief presidentiële vergiffenis in ruil voor Khans stilzwijgen over de ware toedracht, werd keurig volgens plan afgewerkt.

Intussen tracht Washington achter de schermen controle uit te oefenen op het Pakistaanse kernarsenaal. Het gerucht gaat dat Amerikaanse mariniers bij de bewaking ervan betrokken zijn en dat er speciale maatregelen zijn getroffen in geval van een fundamentalistische staatsgreep. Daarnaast beschikken de westerse inlichtingendiensten — met name de Duitse, Britse en Amerikaanse — al vele jaren over uitstekende «informatieposities» in het Pakistaanse militaire en wetenschappelijke establishment. Veel Pakistaanse wetenschappers hebben in het Westen gestudeerd, in de jaren zestig en zeventig vooral in Groot-Brittannië en Duitsland, vanaf de jaren tachtig vooral in de VS. Heel wat westerse, Chinese en Arabische natuurwetenschappers hebben weer zitting in Pakistaanse adviesraden, nemen deel aan onderzoeksprogramma’s en publiceren samen met Pakistaanse collega’s.

Het is moeilijk zicht te krijgen op alle onderlinge verbintenissen. Toch ligt de sleutel tot Khans illegale praktijken ergens in dit uitvoerige wetenschappelijke en technologische netwerk verborgen, aldus hoogleraar materiaalkunde in Oxford John Hutchison, die in 1993 en 1999 Khans symposium bezocht. Hutchison: «Islamabad suggereert dat het lek naar Iran, Libië en Noord-Korea het werk is van een handvol wetenschappers en tussenhandelaren. Dat is ondenkbaar, voor zulke operaties heb je een veel groter netwerk van wetenschappelijke en zakelijke verbintenissen en dekmantels nodig. ISAM was er één van, het diende ter meerdere eer en glorie van Abdul Qadeer Khan. Om precies te zijn: om zijn status te onderstrepen tegenover de Pakistaanse overheid en het internationale wetenschappelijke establishment.»

Hutchison maakte twee isam’s mee. Hutchison: «De eerste keer was in 1993. In dat jaar maakte het nog een enigszins serieuze indruk. Ik heb toen toegestemd om zitting te nemen in het comité van aanbeveling, maar er verder niet naar omgekeken. De tweede en laatste keer was in 1999. Het was een weerzinwekkende vertoning, het wetenschappelijk gehalte was nihil. Het was het eerste ISAM sinds de kernproeven van mei 1998 en Khan werd de hemel in geprezen door president Rafiq Tarar die de openingsspeech hield, door zijn Pakistaanse collega’s, door militairen en top ambtenaren. Het was Khan voor en Khan na. De meeste buitenlandse gasten zagen het met lede ogen aan. Maar ik kreeg niet de indruk dat er achter de schermen werd gehandeld of samengezworen. De meeste deelnemers zijn bonafide, die ken ik van tal van andere wetenschappelijke bijeenkomsten.»

Dat geldt wat Hutchison betreft uitdrukkelijk niet voor Khan zelf, die hij «eerder een gladjanus» noemt. Hutchison: «Khan is geen goede wetenschapper, hooguit een goede bedrieger en opschepper.» Hij toont een brochure die hij eind jaren negentig van Khans laboratorium in Kahuta toegestuurd kreeg. Daarin beschrijft Khan in lyrische bewoordingen zijn eigen patriottisme en vroomheid, zijn «vele belangrijke artikelen in gerenommeerde tijdschriften» en zijn «bovenmenselijke inspanningen» ten behoeve van de Pakistaanse atoombom. «We konden natuurlijk niet elk onderdeel voor de verrijkingsfabriek zelf produceren», schrijft hij terzijde, «en we besloten op de internationale markt te kopen wat we maar konden. Dankzij mijn jarenlange werk aan soortgelijke projecten in Europa waren mijn contacten met de diverse toeleveranciers aldaar van onschatbare waarde.»

Als het gaat om illegale bijdragen aan het Pakistaanse atoomwapenprogramma zingt Islamabad al jaren hetzelfde liedje: de Europeanen hebben het gedaan. Vorige week herhaalde minister van Buitenlandse Zaken Rashid nog eens dat «zeker de helft van de EU-lidstaten bij de tussenhandel betrokken is». Volgens Hutchison is dat een dwaalspoor, evenals de buitensporige aandacht die nu wordt gegeven aan Khan zelf en de naar hem vernoemde verrijkingsfabriek in Kahuta, de A.Q. Khan Research Laboratories. Hutchison: «Britse inlichtingenmensen met wie ik geregeld contact heb over proliferatiekwesties vertellen me dat de draaischijf van de Pakistaanse proliferatie een andere instelling van A.Q. Khan is, namelijk het Ghulam Ishaq Khan Instituut. Dat fungeert in hun woorden als in- en verkoopcentrum voor het Pakistaanse kernwapenprogramma.»

Het Ghulam Ishaq Khan Instituut voor Werktuigbouwkunde en Technologie, kortweg GIK, is in 1985 opgericht op initiatief van A.Q. Khan. Na een haalbaarheidsstudie van enkele jaren, eveneens onder leiding van Khan, werd in 1990 begonnen met de bouw van het instituut in Topi, een stadje in de noordwestelijke grensprovincie op 120 kilometer van Islamabad. In naam is het GIK een opleidingsinstituut en de eerste lichting studenten trad aan in 1993. Enkele jaren geleden protesteerden sommige studenten tegen het magere onderwijs en de gebrekkige studiebegeleiding. Dat verbaast Hutchison niet: «Het GIK investeert veel in apparatuur, maar te oordelen naar de artikelen en onderzoeksresultaten die dat oplevert is de opbrengst minimaal. Er staat bijvoorbeeld op de medische afdeling een grote hoeveelheid obstetrische apparatuur, ogenschijnlijk bedoeld voor gynaecologisch onderzoek, terwijl het GIK op dat terrein niets aanwijsbaars presteert. Die apparatuur is echter ook bruikbaar voor andere doeleinden, zoals stralingsonderzoek.»

Sinds de kernproeven van 1998 doet het GIK zijn best zich van Khan te distantiëren. Zijn portret werd uit de zalen en gangen verwijderd en de jaarlijks uitgereikte gouden A.Q. Khan-medaille voor uitmuntend onderzoek werd omgedoopt tot Quaid-i-Azam-medaille. Niettemin worden afgestudeerden van het instituut actief geworven door de Pakistaanse nucleaire en raketinstellingen, waaronder Khan Research Laboratories, de Pakistaanse Commissie voor Atoomenergie, het Luchtwapen Complex en de Pakistaanse Munitiefabrieken, aldus het Nuclear Threat Initiative, een antiproliferatiestichting van de welingelichte Amerikaanse senator Sam Nunn. Het GIK-bestuur bestaat voornamelijk uit vertegenwoordigers van de Pakistaanse regering, het leger, grote bedrijven en nucleaire laboratoria. Het instituut heeft ook een internationale netwerkfunctie, getuige de waslijst van buitenlandse contacten, gastonderzoekers en ereleden waarop het instituut zich beroept. De wetenschappelijke adviesraad van zeventien leden bestaat bijna helemaal uit Amerikaanse (negen) en Britse (vijf) hoogleraren.

Dankzij samenwerking binnen Comstech, de technologische poot van de Organisatie van de Islamitische Conferentie, beschikt het GIK over contacten in de hele islamitische wereld. De samenstelling van de wetenschappelijke staf weerspiegelt deze contacten. De lijst van onderzoekers en faculteitshoofden bevat een groot aantal namen uit Arabische landen en uit landen van de voormalige Sovjet-Unie als Oezbekistan, Kazachstan en Oekraïne. De samenwerkingsverbanden met Kazachstan zijn bijzonder hecht. Dat aandeel is verklaarbaar doordat menig Russisch nucleair programma na de val van de Sovjet-Unie werd opgeschort terwijl de betrokken wetenschappers werden uitgerangeerd. «En vergeet niet dat Pakistan de ambitie heeft om de strategische aanvoerder te worden van alle -stannen, dat wil zeggen alle islamitische landen in Centraal-Azië», aldus Das.

Het Arabische aandeel is minstens zo interessant uit een oogpunt van proliferatie. Khan en sommige van zijn collega’s hebben laten doorschemeren dat ze hun specifieke kennis over zoveel mogelijk islamitische landen willen verspreiden. De jongste kandidaat in de rij is echter niet Libië, dat zijn nucleaire ambities in december jongstleden definitief liet varen. Het is ook niet Iran, hoewel dat volgens Das waarschijnlijk als eerstvolgende land over een kernbom zal beschikken omdat het «de apparatuur, de wil en de capaciteit heeft». Het is Saoedi-Arabië, dat zijn olierijkdom de laatste dertig jaar onder meer heeft aangewend om het Iraakse en Pakistaanse kern wapenprogramma mede te financieren.

Westerse media legden vorig jaar de hand op een Saoedisch beleidsstuk waarin de nucleaire optie werd besproken als tegenwicht tegen Iran en Israël. Het sjeikdom heeft volgens Das niet de wetenschappelijke infrastructuur om uranium te verrijken of een kernkop te assembleren, maar «die technologie kun je tegenwoordig kopen». Zowel Das als Hutchison wijst erop dat er al heel wat Pakistaanse wetenschappers in Saoedi-Arabië wonen en werken. Hoge Saoedische delegaties hebben de afgelopen jaren Khans fabrieken bezocht. Volgens David Albright, directeur van de Washingtonse denktank ISIS, maken de VS zich al jaren heimelijk zorgen over een nucleaire koers van Saoedi-Arabië, temeer daar de oliestaat sinds 1975 beschikt over een kant en klaar ondergronds laboratorium nabij Al-Kharj. Het maakt de daadwerkelijke ontmanteling van Khans netwerk des te urgenter.