Waarom werd Amerika aangevallen?

De oliejunta van Bush

Waarom werd Amerika op 11 september 2001 aangevallen? Wie zijn er schuldig? Gore Vidal, Amerikas meest omstreden criticaster van de regering-Bush, komt met opmerkelijke antwoorden. Amerika is niet geïnteresseerd in Bin Laden. Het gaat om olie, olie en nog eens olie.

Op 24 augustus 1814 zag het er zeer somber uit voor het Land van de Vrijheid. Het was de dag waarop de Britten Washington DC bezetten en het Capitool en het Witte Huis in brand staken. President Madison vluchtte naar de nabijgelegen bossen van Virginia en wachtte daar geduldig het moment af waarop de aandacht van de Britten zou verslappen, iets wat gezien hun reputatie nooit lang zou kunnen duren. Zo ook nu. De Britten trokken verder, en wat een Dag van Volslagen Duisternis had kunnen worden, draaide uit op een onverwachte meevaller voor de bouwnijverheid en makelaars in exclusieve onroerende goederen.

180 jaar later — en een jaar na 11 september — weten we nog altijd niet door wie wij op die notoire dinsdag werden aangevallen, of welk doel de aanslag nu werkelijk diende. Voor veel burgerrechtenactivisten is echter wel duidelijk dat 11 september niet alleen een zware slag heeft toegebracht aan een groot deel van onze kwetsbare Bill of Rights, maar ook aan ons ooit zo benijde republikeinse regeringsstelsel, dat het jaar ervoor heel plotseling een fatale dreun kreeg toen onze Hoge Raad de polonaise danste en een door het volk gekozen president verving door de Cheney-Bush-olie- en-gas-junta.

Natuurlijk is het al jaren geen geheim meer dat ondernemend Amerika onze presidentsverkiezingen openlijk, genereus en zonder morren financiert (Bush-Gore in 2000 kostte hun drie miljard dollar) en tevens eigenaar is van de media, die door van overheidswege gecontroleerde inlichtingendiensten als de CIA worden overstelpt met desinformatie. En ondertussen is onze regering, die zich steeds onverantwoordelijker gedraagt, overal op de wereld spelletjes aan het spelen waarvan wij, de lansdragers (voorheen: het volk) nooit het fijne zullen weten.

Toch hebben wij het afgelopen jaar met hulp van buitenlandse vrienden een aanzet gekregen tot het antwoord op de vraag: waarom werden we niet op voorhand gewaarschuwd voor 11 september? We schijnen te zijn gewaarschuwd, bij herhaling. Bijna het hele jaar heeft men ons verteld dat vijandig gezinde bezoekers ergens in september 2001 ons luchtruim zouden binnendringen, maar ondanks waarschuwingen van de presidenten Poetin en Moebarak, van de Mossad en zelfs van elementen uit onze eigen FBI, heeft de Cheney-Bush-junta verzuimd ons daarvan op de hoogte te brengen en ons daartegen te beschermen. Een gemeenschappelijk panel van de commissies voor inlichtingendiensten in het Congres rapporteerde (The New York Times, 19 september) dat de Pakistaanse terrorist Abdoel Hakim Moerad al in 1996 tegenover agenten van de FBI bekende dat hij «vlieglessen nam met de bedoeling om met een vliegtuig tegen het hoofdkwartier van de CIA te pletter te vliegen».

Alleen het hoofd van de CIA, George Tenet, leek de waarschuwingen serieus te nemen. In december 1998 vaardigde hij een «oorlogsverklaring» uit. De FBI was zo onder de indruk van zijn waarschuwingen dat het op 20 september «nog altijd slechts één analist had die zich volledig op al-Qaeda concentreerde».

Uit een instructie die begin juli 2001 voor de junta werd opgesteld: «Op basis van gegevens van alle bronnen die ons de laatste vijf maanden hebben gerapporteerd, geloven wij dat ObL in de loop van de komende weken een belangrijke terroristische aanslag zal uitvoeren op belangen van de VS en/of Israël. De aanslag zal spectaculair zijn en zich richten op het toebrengen van grootschalige schade aan Amerikaanse instellingen of belangen. Voorbereidingen voor aanslag zijn reeds getroffen. De aanslag zal gepleegd worden zonder veel of enige waarschuwing.» En zo gebeurde het ook. Toch zegt de nationale veiligheidsadviseur dat zij nooit heeft vermoed dat een kaping iets anders kon inhouden dan het kidnappen van een vliegtuig.

Gelukkig ligt daar, ergens aan de andere kant van de ringweg, Europa nog — door de media van de junta onlangs antisemitisch verklaard omdat het grootste deel van Europa geen oorlog met Irak wil, en de junta wel, om redenen die we nu langzaam kunnen gaan bevroeden dankzij Europese en Aziatische speurders met hun relatief vrije media.

Het beste en meest evenwichtige rapport dat tot dusver is verschenen over het onderwerp «Hoe en waarom werd Amerika op 11 september 2001 aangevallen» is van de hand van Nafeez Mossadeq Ahmed. Ja, ja, ik weet het, hij is een van hen.

Maar ze weten dikwijls allerlei dingen die wij niet weten — vooral over zaken die wij in ons schild voeren. Ahmed is politicoloog en directeur van het Institute for Policy Research & Development, «een denktank die zich toelegt op het bevorderen van de mensenrechten, gerechtigheid en vrede» en die is gevestigd in Brighton, Engeland. Zijn boek, The War on Freedom, is onlangs in de VS verschenen bij een kleine maar fatsoenlijke vaderlandse uitgever.

Ahmed schetst de achtergronden van onze oorlog met Afghanistan. Zijn opvattingen stroken in geen enkel opzicht met wat de junta ons heeft verteld. Hij heeft een groot aantal bronnen geraadpleegd, waarvan de belangrijkste de Amerikaanse informanten zijn die nu her en der opduiken en getuigenverklaringen afleggen — zoals die FBI-agenten die hun superieuren waarschuwden dat al-Qaeda plannen aan het maken was voor een kamikazeaanval op New York en Washington en slechts te horen kregen dat ze, wanneer ze deze waarschuwingen openbaar maakten, zouden worden vervolgd op grond van de wet op de nationale veiligheid. Een aantal van deze agenten heeft David P. Schippers, leidinggevend juridisch adviseur voor de juridische commissie in het Huis van Afgevaardigden, in de arm genomen om hen in de rechtbank te vertegenwoordigen, als hij niet ergens anders is. Zoals veel Amerikanen zich zullen herinneren gaf de majestueuze Schippers in het Huis van Afgevaardigden met succes leiding aan de impeachment-procedure tegen president Clinton. Het kan zijn dat hij zich, wanneer het mis mocht lopen met de Irakese Conventie (de verenigde Irakese oppositie — vert.), genoopt zal voelen dezelfde nobele dienst te bewijzen aan George W. Bush — de cheerleader van de junta — die toestond dat het Amerikaanse volk niet werd gewaarschuwd voor een op handen zijnde aanslag op twee van onze steden in een poging om een reeds beraamde Amerikaanse militaire aanval op de Taliban in Afghanistan op voorhand af te straffen.
The Guardian (26 september 2001) meldde dat voorafgaand aan 11 september, in juli, een groepje belangstellenden in een Berlijns hotel samenkwam om te luisteren naar Lee Coldren, een voormalige functionaris van het ministerie van Buitenlandse Zaken, die een boodschap doorgaf van de regering-Bush dat «de Verenigde Staten zo verschrikkelijk walgden van de Taliban dat zij mogelijk tot een militaire operatie zouden overgaan. (…) Het beangstigende van deze in besloten kring uitgesproken waarschuwing was dat zij — volgens een van de aanwezigen, de Pakistaanse diplomaat Niaz Naik — werd vergezeld van bijzonderheden over de wijze waarop Bush in zijn opzet zou slagen.» Vier dagen eerder had The Guardian gemeld dat «Osama bin Laden en de Taliban twee maanden voor de aanslagen op New York en Washington waren gewaarschuwd dat Amerika overwoog een militaire aanval op hen uit te voeren (…) [zodat] dit voor Bin Laden mogelijk aanleiding was een preventieve aanval uit te voeren als een antwoord op wat in zijn ogen Amerikaanse dreigementen waren». Een herhaling van de «Dag van Schande» in de Stille Oceaan, 62 jaar eerder? (De aanval op Pearl Harbor, vert.)

Amerika’s Euraziatisch avontuur
Twee dagen voor 11 september ontving Bush de ontwerptekst van een presidentieel besluit aangaande de nationale veiligheid, waarin de contouren werden geschetst van een mondiale campagne tegen al-Qaeda waarbij het leger, diplomaten en de inlichtingendienst betrokken waren en die werd ondersteund door de dreiging van een oorlog. Volgens NBC News «werd verwacht dat president Bush zijn handtekening zou zetten onder gedetailleerde plannen voor een mondiale oorlog tegen al-Qaeda (…), maar had [hij] daar voorafgaande aan de terroristische aanslag de kans niet toe gehad». Het presidentiële besluit kwam, afgaande op de beschrijving die NBC News had gekregen, precies overeen met het oorlogsplan dat na 11 september in werking trad. «Naar alle waarschijnlijkheid kon de regering zo snel reageren (…) omdat zij de plannen slechts ‹van de plank› hoefde te halen.»

En dan ten slotte nog BBC News, 18 september 2001: «Niaz Naik, voormalig minister van Buitenlandse Zaken van Pakistan, kreeg half juli van hooggeplaatste Amerikaanse overheidsfunctionarissen te horen dat de militaire operatie tegen Afghanistan half oktober van start zou gaan.» In de ogen van Naik zou Washington de oorlog met Afghanistan willen doorzetten, «zelfs wanneer Bin Laden onmiddellijk door de Taliban was uitgeleverd».

Werd Afghanistan aan puin geschoten uit wraak voor de drieduizend Amerikanen die waren afgeslacht door Osama? Nauwelijks. De junta is ervan overtuigd dat Amerikanen zo eenvoudig van geest zijn dat ze geen enkel scenario kunnen begrijpen dat ingewikkelder is dan dat van de eerbiedwaardige, eenzame en maniakale moordenaar (dit keer geholpen door zombies) die kwaad doet puur omdat hij dat leuk vindt, «omdat hij ons haat; omdat wij rijk zijn en vrij en hij niet». De akelige Osama werd op esthetische gronden uitgekozen om als angstaanjagend beeldmerk te dienen voor onze weloverwogen invasie en verovering van Afghanistan, waarvan de planning in de jaren voor 11 september met regelmaat een «optie» was geweest en dit opnieuw werd na 20 december 2000, toen Clintons vertrekkende team een plan ontwikkelde om een aanval op Osama en al-Qaeda uit te voeren ter vergelding van de aanslag op het fregat de USS Cole. Clintons nationale veiligheidsadviseur Sandy Berger bracht zijn opvolger Condoleezza Rice persoonlijk van de plannen op de hoogte, maar de dame, die nog altijd helemaal in haar rol zat van directeur van Chevron-Texaco, met speciale verantwoordelijkheden ten aanzien van Pakistan en Oezbekistan, ontkent nu — in de beste juntatraditie — dat zij ooit door haar voorganger werd bijgepraat over de belangrijkste overheidstaak op het gebied van onze nationale veiligheid. Anderhalf jaar later (12 augustus 2002) maakte het onverschrokken Times Magazine melding van deze merkwaardige lacune in haar herinnering.

Osama — als hij het was, en niet een natie — bracht eenvoudigweg de schok teweeg die nodig was om deze veroveringsoorlog in gang te zetten. Maar de verovering waarvan? Wat ligt er verborgen in het troosteloze, kurkdroge en zanderige Afghanistan dat het waard is om veroverd te worden? Zbigniew Brzezinski doet dit nauwkeurig voor ons uit de doeken in een uit 1997 daterende studie die werd opgesteld voor de adviesraad voor buitenlandse betrekkingen en die de titel kreeg: Het grote schaakbord: Amerikaanse suprematie en haar geostrategische vereisten.

De in Polen geboren Brzezinski was de tot het havikenkamp behorende nationale veiligheidsadviseur van president Carter. In Het grote schaakbord geeft Brzezinski ons een lesje in geschiedenis: «Vanaf het moment dat zo’n vijfhonderd jaar geleden de politieke interactie tussen de continenten op gang kwam, is Eurazië het brandpunt van wereldmacht geweest.» Eurazië is het hele gebied ten oosten van Duitsland. Dat wil zeggen: Rusland, het Midden-Oosten, China en delen van India. Brzezinski onderkent dat Rusland en China, die grenzen aan het olierijke Centraal-Azië, de twee belangrijkste mogendheden zijn die een bedreiging vormen voor de Amerikaanse hegemonie in dit gebied.

Het is voor hem een vanzelfsprekendheid dat de VS controle moeten uitoefenen over de voormalige sovjetrepublieken in Centraal-Azië, die door degenen die hun liefhebben «de Stans» worden genoemd — Turkmenistan, Oezbekistan en Kirgizië — en die «vanuit het gezichtspunt van veiligheid en historische ambities» stuk voor stuk «van belang zijn voor ten minste drie van hun meest directe en machtige buurlanden: Rusland, Turkije en Iran — terwijl China in de verte staat te gebaren». Brzezinski merkt op dat het energieverbruik over de hele wereld blijft toenemen. Wie de olie- en gasvoorraden van de Kaspische Zee beheerst, beheerst derhalve de wereldeconomie. Brzezinski komt vervolgens met een bespiegeling die volledig overeenkomt met de standaard Amerikaanse rationalisering voor het stichten van een imperium. We willen niets, nooit, voor onszelf. We willen alleen voorkomen dat slechte mensen goede dingen in handen krijgen waarmee ze goede mensen schade kunnen berokkenen. «Daaruit volgt dat het voor Amerika in de eerste plaats van belang is dat zij een bijdrage levert om zeker te stellen dat geen enkele [andere] mogendheid deze geopolitieke ruimte gaat beheersen en dat de wereldgemeenschap er onbelemmerd financieel en economische toegang toe heeft.»

Brzezinksi is zich er terdege van bewust dat Amerikaanse leiders over verbazingwekkend weinig historische of geografische kennis beschikken. Hij legt het er daarom lekker dik boven op, al gaat hij nog net niet zover dat hij het politiek incorrecte «onloochenbare bestemming» erbij haalt. Hij herinnert de adviesraad eraan hoe groot Eurazië is. Vijfenzeventig procent van de wereldbevolking is Euraziër. Als mijn berekeningen kloppen, dan betekent dit dat we tot op heden slechts controle uitoefenen over vijfentwintig procent van de wereldbevolking. Ga door! «Eurazië is verantwoordelijk voor zestig procent van het brutonationaalproduct van de wereld en bezit driekwart van de bekende energiebronnen.»

Brzezinski’s plannen voor «onze» wereldbol zijn blijkbaar overgenomen door de Cheney-Bush-junta. Ondernemend Amerika, dat al heel lang dolenthousiast is over de minerale rijkdommen van Eurazië, lift van meet af aan mee met deze rit.
Ahmed resumeert: «Brzezinski besefte duidelijk dat de vestiging, consolidatie en uitbreiding van de Amerikaanse hegemonie over Eurazië via Centraal-Azië vereiste dat het buitenlandse beleid op een ongekend grote schaal en voor onbepaalde tijd zou worden gemilitariseerd, en dat het noodzakelijk was dat er in het binnenland een ongeëvenaarde steun en eensgezindheid ten aanzien van deze militariseringscampagne zou worden opgewekt.»

Afghanistan is de poort die toegang geeft tot al deze rijkdommen. Zullen we de strijd aanbinden om ze te bemachtigen? We moeten nooit vergeten dat het Amerikaanse volk nooit heeft willen meevechten in de wereldoorlogen van de twintigste eeuw, maar dat president Wilson het voor elkaar heeft gekregen dat wij aan de Eerste Wereldoorlog deelnamen en dat president Roosevelt de Japanners op zo’n manier heeft weten te manipuleren dat zij in Pearl Harbor de eerste klap uitdeelden, zodat wij door een grootscheepse aanval van buitenaf bij de Tweede Wereldoorlog betrokken raakten. Brzezinski begrijpt dit allemaal en begint in 1997 vooruit te denken: «Bovendien zal Amerika, naarmate de Amerikaanse samenleving multicultureler wordt, het steeds moeilijker gaan vinden om consensus te bereiken over kwesties die het buitenlands beleid betreffen, behalve wanneer zich een enorme directe bedreiging van buitenaf voordoet die voor iedereen waarneembaar is.» En zo komt het symbolische geweer te voorschijn dat zwarte rook deed opwolken boven Manhattan en het Pentagon.

Sinds de oorlogen tussen Iran en Irak in de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig is de islam afgeschilderd als een satanische terroristische cultus die mensen aanspoort om zelfmoordaanslagen te plegen — iets wat overigens, het zij hier opgemerkt, volkomen in strijd is met de islamitische godsdienst. Osama is, zo lijkt het, correct neergezet als een islamitische zeloot. Om te zorgen dat deze boosdoener zijn verdiende straf niet ontloopt («dood of levend»), werd Afghanistan — waar de hele exercitie om begonnen was — niet alleen veilig gesteld voor de democratie, maar ook voor Union Oil uit Californië (Unocal), dat lijdzaam had moeten toezien hoe het werk aan de geplande oliepijpleiding die van Turkmenistan via Afghanistan en Pakistan naar de Indiase zeehaven Karachi moest gaan lopen, onder het chaotische bewind van de Taliban was stilgevallen. Momenteel zijn de werkzaamheden aan dit project weer in volle gang, omdat de junta een medewerker van Unocal (John J. Maresca) als haar diplomatieke vertegenwoordiger heeft geïnstalleerd in de prille democratie, waarvan de president, H. Karzai, eveneens een voormalig medewerker van Unocal is. Een samenzwering? Toeval!

Zodra Afghanistan weer braaf in de kudde leek te zijn teruggekeerd verving de junta, die erin was geslaagd een ingewikkelde diplomatiek-militaire poets te bakken, Osama, de personificatie van het kwaad, plotseling door Saddam Hoessein. Dit was lastig uit te leggen omdat er geen enkele link bestaat tussen Irak en 11 september. Gelukkig wordt er momenteel «bewijsmateriaal» verzonnen. Maar het is een helse klus, en het helpt ook niet echt dat er in de Amerikaanse pers berichten verschijnen over Iraks enorme olievoorraden, die — in het belang van de vrije wereld — aan Amerikaanse en Europese consortia moeten worden toegewezen.

Zoals Brzezinksi voorspelde heeft «een enorme directe bedreiging van buitenaf, die door iedereen kan worden waargenomen» de cheerleader-president van de junta in de gelegenheid gesteld een oorlogsdans voor het Congres op te voeren. «Een langdurige oorlog!» riep hij opgetogen. Daarna had hij het over een onsamenhangende As van het Kwaad die bestreden moest worden. Hoewel hij van het Congres niet de FDR Special kreeg — een oorlogsverklaring —, kreeg hij wel toestemming om achter Osama aan te gaan, die nu mogelijk ergens in Irak rondsluipt.

Bush en de hond die niet blafte
Na 11 september waarschuwden de Amerikaanse media ons voortdurend voor onpatriottische «bedenkers van complottheorieën» die zich niet alleen altijd onder ons bevinden, maar die door de media bovendien over het algemeen gemakkelijk in diskrediet kunnen worden gebracht, omdat het een geloofsartikel is dat zich in het Amerikaanse leven geen samenzweringen voordoen. En toch, wie zou pakweg een jaar geleden hebben kunnen denken dat het grootste deel van ondernemend Amerika met accountants complotteerde en geknoeid had met de boekhouding sinds… nou ja, in ieder geval sinds de heldere dageraad van het tijdperk-Reagan en de deregulering. Ironisch genoeg werden we nog geen jaar nadat wij kennismaakten met het enorme gevaar dat ons van buitenaf bedreigt geconfronteerd met een nog grotere vijand van binnenuit: het Gouden Kalf-kapitalisme. Transparantie? Ik ben bang dat grotere transparantie slechts de grote menigte maden aan het licht brengt die onderhuids aan een cultuur knagen die even een dutje moet doen voor zij fit genoeg is voor de volgende reuzenstap die zij wil zetten: de verovering van Eurazië — een avontuur dat heel goed kan uitlopen op een ramp, niet alleen voor onze gehavende instituties maar ook voor ons, de momenteel levenden.

Medeplichtigheid. De manier waarop president George W. Bush zich op 11 september gedroeg, geeft zeer beslist aanleiding tot allerlei voor de hand liggende verdenkingen. Ik ken geen ander staatshoofd dat zou blijven poseren voor «hartverwarmende» foto’s waarop hijzelf naar een jong meisje luistert dat verhalen aan het vertellen is over haar lievelingsgeitje, terwijl er ondertussen gekaapte vliegtuigen te pletter slaan tegen drie beroemde gebouwen.

Volgens de grondwet is Bush niet alleen staatshoofd, maar ook opperbevelhebber van de strijdkrachten. Hieronder volgt een verslag van wat president Bush werkelijk deed — en naliet — volgens Stan Goff, een gepensioneerde oud-soldaat met 26 dienstjaren in de US Army die in West Point heeft lesgegeven in militaire wetenschappen en doctrines. Goff schrijft in The So-called Evidence is a Farce: «Ik begrijp niet waarom er niemand is die een paar gerichte vragen stelt over de dingen die Bush en de zijnen op de dag van de aanslag hebben gedaan. Vier vliegtuigen worden gekaapt en wijken van hun vluchtschema af; ze zijn voortdurend zichtbaar op de radars van de Federal Aviation Administration (FAA).»

Net als andere verbijsterde militaire experts kan Goff niet bevatten waarom de door de overheid ingestelde en automatisch in werking tredende «standaardprocedure in het geval van een kaping» niet werd opgevolgd. Zodra een vliegtuig van zijn vluchtplan afwijkt, worden gevechtsvliegtuigen het luchtruim in gestuurd om polshoogte te nemen. Het gaat om een door de wet voorgeschreven actie waarvoor geen presidentiële toestemming nodig is; die is alleen vereist wanneer wordt besloten een vliegtuig neer te halen.

Goff geeft een nauwkeurige beschrijving van de gebeurtenissen: «De vliegtuigen worden gekaapt tussen 7.45 en 8.10 uur AM Eastern Daylight Time. Aan wie wordt dit gerapporteerd? Het is nu al een ongeëvenaarde gebeurtenis. De president wordt echter niet op de hoogte gebracht en is onderweg naar een lagere school in Floria om kinderen te horen voorlezen. Omstreeks 8.15 uur moet toch heel duidelijk zijn dat er iets helemaal misgaat. De president drukt de hand van de onderwijzers, die hem hartelijk welkom heten. Om 8.45 uur, wanneer vlucht 11 van American Airlines tegen het World Trade Center te pletter slaat, maakt Bush zich samen met de kinderen op voor zijn fotosessie in Booker Elementary. Het is inmiddels duidelijk dat er vier vliegtuigen tegelijkertijd zijn gekaapt, iets wat nog nooit eerder in de geschiedenis is gebeurd. Een van de toestellen heeft zich zojuist in de bekendste tweelingtorens ter wereld geboord. En nog altijd stelt niemand de nominale opperbevelhebber hiervan op de hoogte.

En klaarblijkelijk heeft ook niemand alarm geslagen en bevel gegeven onderscheppings jagers van de Air Force te laten opstijgen. Om 9.03 uur boort vlucht 175 van United Airlines zich in de tweede toren van het World Trade Center. Om 9.05 uur fluistert Andrew Card, de presidentiële stafchef, George W. Bush iets in het oor, [die] — volgens de verslaggevers — ‹even een somber gezicht zet›. Breekt hij het schoolbezoek af en roept hij een vergadering bijeen om de noodsituatie te bespreken? Nee. Hij luistert alweer naar wat de tweedeklassers te vertellen hebben (…) en gaat nog altijd op in deze banaliteit wanneer vlucht 77 van American Airlines boven Ohio onverwacht van richting verandert en koers zet naar Washington DC. Heeft hij stafchef Card bevel gegeven de luchtmacht te laten opstijgen en in te grijpen? Nee. Vijfentwintig moorddadige minuten later verwaardigt hij zich eindelijk een open bare verklaring af te leggen waarin hij de Verenigde Staten vertelt wat ze allang weten: dat er met behulp van gekaapte vliegtuigen een aanslag is gepleegd op het World Trade Center. Een van de gekaapte toestellen vliegt op dat moment linea recta naar Washington, maar is de luchtmacht al opgestegen om het een en ander te verdedigen? Nee.

Om 9.35 uur maakt het vliegtuig boven het Pentagon nogmaals een bocht, 360 graden. Nog altijd wordt het toestel op de rader gevolgd, maar het Pentagon wordt niet geëvacueerd en er bevinden zich ook nog steeds geen straalvliegtuigen van de luchtmacht in het luchtruim boven Alexandria en DC. En nu de klapper: een piloot waarvan ze ons willen doen geloven dat hij een training had gehad in een vliegschooltje waar ze vlogen met Piper Cubs en Cessna’s, daalt in een uiterst beheerste neerwaartse spiraalvlucht in tweeënhalve minuut minstens zevenduizend voet naar beneden, brengt het toestel in een koers die zo laag is dat de elektriciteitsdraden aan de overzijde van de straat langs het Pentagon worden doorgesneden, en vliegt met een snelheid van 460 knopen en met uiterste precisie te pletter tegen de zijkant van het gebouw.

Toen de theorie dat ze zo goed hadden leren vliegen in het vliegschooltje voor propellervliegtuigjes niet meer houdbaar leek, werd eraan toegevoegd dat ze hun training hadden voortgezet met behulp van een flight simulator. Dat is net zo geloofwaardig als wanneer je zegt dat je je dochter op haar eerste autorit tijdens de spits in New York hebt voorbereid door een computer-autospel voor haar te kopen. (…) Men is rond deze gebeurtenissen een web van verhalen aan het weven.»

Zo is het maar net, en hoe meer verhalen eraan worden toegevoegd, hoe mysterieuzer alles wordt. De achteloosheid van generaal Richard B. Myers, plaatsvervangend opper bevelhebber van het Amerikaanse leger, is al even verbijsterend als de ik-ben-gewoon-op-campagne-sketch van de president. Myers zat in het Capitool te keuvelen met senator Max Cleland. Een sergeant die hierover publiceerde in de American Forces Press Service (AFPS) beschrijft Myers in het Capitool: «In een personeelskantoor, zei hij, had hij op tv het bericht gezien dat er een vliegtuig tegen het World Trade Center was gevlogen. ‹Ze dachten dat het ging om een klein vliegtuigje of iets dergelijks›, zei Myers. En daarom was er voor de twee heren geen aanleiding om hun kantoorbezoek af te breken.»

Wat Myers en Cleland elkaar te vertellen hadden (meer geld voor het leger?) moet enorm interessant zijn geweest, want tijdens hun gesprek, zo meldt AFPS, «werd de tweede toren van het World Trade Center door een ander straalvliegtuig getroffen. ‹Niemand bracht ons hiervan op de hoogte›, zei Myers. ‹Maar toen we naar buiten kwamen was het duidelijk. En toen, precies op dat moment, vertelde iemand dat het Pentagon was getroffen.›» Eindelijk is er iemand die «Myers een draadloze telefoon in de hand stopt» en als bij toverslag heeft hij de bevelvoerende generaal van Norad — onze luchtverkeersleiding — aan de lijn, precies op het moment waarop de missie van de kapers tot een succesvol einde is gebracht, afgezien van het neergestorte toestel in Pennsylvania. Tegenover de senaatscommissie voor de gewapende strijdmachten verklaart Myers later dat hij denkt dat «het bevel om vliegtuigen te laten opstijgen pas gegeven werd» op het moment dat hij via de draadloze telefoon contact had met Norad.

Deze verklaring zou voor onze oude serieuze land- en luchtmacht voldoende zijn geweest om een aantal personen voor de krijgsraad te slepen en tegen deze en gene een impeachmentprocedure te beginnen. Ten eerste beweert Myers dat hij niet op de hoogte is gebracht voordat het derde toestel doel trof. Verder hield het Pentagon de gekaapte toestellen al zeker in de gaten vanaf het moment dat de eerste toren werd geraakt, terwijl het bevel dat de gevechtstoestellen moesten opstijgen pas werd gegeven nadat het derde toestel het Pentagon had getroffen.

En ten slotte de hond die niet blafte. Volgens de wet hadden de gevechtstoestellen zich omstreeks 8.15 uur in het luchtruim moeten bevinden. Als dat was gebeurd, zouden de drie gekaapte toestellen mogelijk allemaal in een andere koers kunnen zijn gedwongen, of kunnen zijn neergehaald. Ik geloof niet dat sergeant Stan Goff overmatige pietluttigheid verweten kan worden wanneer hij zich afvraagt wie en wat er de oorzaak van is geweest dat de luchtmacht de normale procedures niet heeft gevolgd, maar in plaats daarvan een uur en twintig minuten heeft gewacht, tot het kwaad al was geschied, eer het de gevechtstoestellen liet opstijgen. Het is duidelijk dat iemand de luchtmacht bevel heeft gegeven geen actie tegen de gekaapte toestellen te ondernemen totdat… wat?

Op 21 januari 2002 zet de Canadese media-analist Barry Zwicker op cbc-tv een aantal feiten op een rij: «Overal in het noordoosten van de Verenigde Staten liggen luchtmachtbases. Maar die ochtend waren er geen onderscheppingsjagers die tijdig reageerden in een situatie met de hoogste staat van alarm. Dit geldt eveneens voor de Andrews-eskaders, die het langst de tijd hebben om in actie te komen en zich op een kleine twintig kilometer van het Witte Huis bevinden. (…) Wat de verklaring voor dit gigantische debacle ook mag zijn, voor zover mij bekend zijn er geen reprimandes uitgedeeld. Hierdoor wordt de ‹onbekwaamheidstheorie› nog verder ondermijnd. Gewoonlijk wordt onbekwaamheid beloond met een uitbrander. Dit brengt mij ertoe de vraag te stellen (…) of er bevel is gegeven ‹in wacht te gaan staan›.» Op 29 augustus 2002 bericht de BBC: «[Op de ochtend van de aanslag] staan er in het noordoosten van de VS slechts vier gevechtsvliegtuigen paraat.» Samenzwering? Samenloop van omstandig heden? Fouten gemaakt?

Het is interessant om te constateren hoe vaak in onze geschiedenis, wanneer het onheil toeslaat, onbekwaamheid wordt gezien als een beter alibi dan… nou, ja, het kan erger. Na Pearl Harbor maakte het Congres zich op om een onderzoek in te stellen naar de vraag waarom de beide militaire bevelhebbers van Hawaï, generaal Short en admiraal Kimmel, de Japanse aanval niet hadden zien aankomen. President Roosevelt sneed dit onderzoek echter de pas af door zelf een onderzoek in te stellen. Short en Kimmel werden uit hun ambt gezet op grond van onbekwaamheid. De «waarheid» is tot op heden nog niet boven tafel gekomen.

De afleidingsmanoeuvres van de media
Maar Pearl Harbor is in de loop der jaren uitgebreid bestudeerd. Als het aan onze geheimzinnig doende junta ligt zal naar 11 september nooit een onderzoek worden ingesteld. Eind januari 2002 meldt CNN: «Bronnen uit het Congres en het Witte Huis vertelden CNN dat president Bush dinsdag persoonlijk aan Tom Daschle, de leider van de meerderheidsfractie in de Senaat, heeft gevraagd om het door het Congres ingestelde onderzoek naar de gebeurtenissen op 11 september beperkt te houden. (…) De bronnen zeiden dat het gesprek op initiatief van Bush werd gevoerd. (…) Hij verzocht alleen door de commissies voor inlichtingendiensten van het Huis en de Senaat te laten onderzoeken of de communicatie tussen onderdelen van de federale overheid volledig was spaak gelopen en of dit er de oorzaak van is geweest dat de terroristische aanslag zich heeft kunnen voordoen, in plaats van het bredere onderzoek waarop sommige wetgevers hebben aangedrongen. (…) Het gesprek van dinsdag volgde op het uitzonderlijk bezoek jongstleden vrijdag van vice-president Dick Cheney, die hetzelfde verzocht.»

Het excuus dat zij aanvoerden was volgens Daschle dat «materieel en personeel zouden worden onttrokken» aan de oorlog tegen het terrorisme wanneer een breder onderzoek werd ingesteld dat zich niet beperkte tot de aanname dat het feit dat de regering niet tot actie was overgegaan, volledig samenhing met «een ineenstorting van de communicatie tussen de instellingen van de federale overheid». En om redenen die wij nooit zullen vernemen wordt deze «ineenstorting» aangewezen als de zondebok. Of het klopt dat het in werkelijkheid niet om een ineenstorting ging, maar om een «bevel om in wacht te gaan staan», daar dienen wij ons verder niet mee te bemoeien. Dat het een uur en twintig minuten lang onmogelijk was om gevechtsvliegtuigen het luchtruim in te sturen, kan onmogelijk te wijten zijn aan een ineenstorting van de communicatieverbindingen binnen de gehele luchtmacht langs de oostkust.

Iemand heeft bevel gegeven dat de voorgeschreven standaard procedure moest worden afgebroken.

Ondertussen kregen de media de welbekende taak om de publieke opinie op te stoken tegen Osama bin Laden, van wie nog altijd niet was bewezen dat hij het meesterbrein achter de aanslagen was. Deze mediacampagnes vertonen dikwijls een sterke gelijkenis met het klassieke gebaar dat een goochelaar maakt om de aandacht van zijn publiek af te leiden: terwijl je kijkt naar het plooien van de helder gekleurde zijden zakdoek die hij in zijn ene hand heeft, stopt hij met zijn andere hand een konijn in je jaszak. We kregen al snel de verzekering dat Osama’s enorm grote en rijke familie het contact met hem had verbroken, net als de koninklijke familie van zijn geboorteland Saoedi-Arabië. De CIA verklaarde onder ede, met de hand op het hart, dat Osama tijdens de oorlog tegen de sovjetbezetting van Afghanistan niet voor hen had gewerkt. En ten slotte bleek het gerucht dat de familie Bush op de een of andere manier profijt had gehad van haar langdurige betrekkingen met de familie Bin Laden een — wat anders? — door partijpolitieke belangen ingegeven, onsmakelijke leugen.

Maar Bush jr.’s betrokkenheid met het kwaad gaat in ieder geval terug tot 1979, toen zijn eerste mislukte poging om te worden opgenomen in de grote Bond van Texaanse Oliebaronnen hem in contact bracht met ene James Bath uit Houston, een vriend van de familie Bush, die Bush jr. vijftigduizend dollar gaf voor een belang van vijf procent in Bush’ firma Arbusto. Volgens Wayne Madsen (In These Times — Institute for Public Affairs, nr. 25) was Bath op dat ogenblik «de enige Amerikaanse zakelijke vertegenwoordiger van Salem bin Laden, hoofd van de familie en een broer (een van zeventien) van Osama bin Laden. (…) In een verklaring die werd uitgegeven kort na de aanslagen van 11 september ontkent het Witte Huis het bestaan van deze connectie in zeer krachtige bewoordingen en houdt het vol dat Bath zijn eigen geld, en niet dat van Salem bin Laden, in Arbusto heeft geïnvesteerd. In elkaar tegensprekende verklaringen ontkende Bush aanvankelijk dat hij Bath ooit gekend had en erkende hij later dat hij inderdaad een belang in Arbusto had en dat hij zich ervan bewust was dat Bath de belangen van de Saoedi’s vertegenwoordigde. (…) Na enkele reïncarnaties dook Arbusto in 1986 op als Harken Energy Corporation.»

Achter Bush jr. staat Bush sr., bezoldigd employee van de Carlyle Group die eigenaar is van ten minste 164 bedrijven over de hele wereld, een feit dat bewondering oogst bij de onwrikbare vriend van de rijken, The Wall Street Journal, die al op 27 september 2001 meldde: «Wanneer de VS hun defensiebudget vergroten in verband met hun missie een einde te maken aan de terroristische activiteiten die Osama bin Laden ten laste worden gelegd, zal daar iemand heel onverwacht van meeprofiteren: de familie van Mr. Bin Laden. (…) De puisant rijke Saoedi-Arabische clan (…) heeft geïnvesteerd in een aandelenfonds dat werd ingesteld door de Carlyle Group, een handelsbank uit Washington met goede connecties, die zich specialiseert in het opkopen van defensie- en ruimtevaartbedrijven. (…) Osama is een van de meer dan vijftig kinderen van Mohammed bin Laden, de grondlegger van het familiebedrijf dat een tegenwaarde heeft van vijf miljard dollar.»

Maar in haar jacht op rijkdommen heeft de familie Bush haar schaamte of — zo zou je bijna gaan denken — haar verstand geheel verloren. Er zijn aanwijzingen dat ze bezig zijn het onderzoek naar Bin Ladens betrokkenheid met het terrorisme stop te zetten. Agence France Press schrijft op 4 november 2001: «FBI-agenten in de Verenigde Staten die de handel en wandel van familieleden van de in Saoedi-Arabië geboren en van terrorisme verdachte Osama natrokken (…) werd kort nadat George W. Bush tot president was benoemd te verstaan gegeven dat zij hun onderzoek moesten staken.»

En toch, volgens Newsnight van BBC TV (6 november 2001): «Slechts enkele dagen nadat de kapers vanuit Boston waren opstegen en koers hadden gezet naar de Twin Towers, voerde een speciale chartervlucht vanaf hetzelfde vliegveld elf leden van de familie van Osama in aller ijl naar Saoedi-Arabië. Het Witte Huis maakte zich hier niet druk om. Het officiële standpunt is dat de Bin Ladens boven alle verdenking verheven staan.»

Above the Law (Green Press, 14 februari 2002) concludeert: «We hadden hier, zo leek het, te maken met de grootste blunder die in de kringen van de veiligheidsdienst was gemaakt sinds Pearl Harbor, maar nu krijgen we te horen dat het geen blunder was, maar een bevel.» Waar? Onwaar? Wanneer Bush jr. door de impeachmentcommissie wordt verhoord, staat hij onder ede. Krijgen we dan te horen: «Wat is een bevel? Wat is dat?»

Hoewel de VS al jarenlang riepen dat Osama een terroristisch meesterbrein was onder wiens leiding enkele van onze ambassades in Afrika waren opgeblazen en een gat was geslagen in de zijkant van een in Jemen voor anker liggende torpedobootjager, werden er voorafgaande aan 11 september geen serieuze pogingen gedaan om «hem zijn gerechtigde straf te geven, dood of levend, schuldig of onschuldig», zoals de Texaanse wet van de jungle dat vereist. Clintons plan de campagne werd door Sandy Berger aan Condoleezza Rice overhandigd, zoals u zich nog wel zult kunnen herinneren — zelf zegt zij dit niet meer te weten.

Al in maart 1996, toen Osama in Soedan zat, deed generaal-majoor Elfatih Erwa, de Soedanese minister van Defensie, het aanbod hem uit te leveren. The Washington Post van 3 oktober 2001: «Erwa zei dat hij Bin Laden met alle plezier voor de Verenigde Staten in de gaten wilde houden. Maar wanneer dat niet volstond, was de regering ook bereid hem aan te houden en uit te leveren. (…) [Amerikaanse functionarissen] zeiden: ‹Vraag hem maar gewoon of hij het land wil verlaten. Zorg er alleen voor dat hij niet naar Somalië gaat›, waar al-Qaeda’s succesvolle aanslag op Amerikaanse troepen in 1993, die achttien commando’s het leven kostte, ooit op zijn conto was bijgeschreven.»

In een interview zei Erwa: «We zeiden: ‹Dan gaat hij naar Afghanistan›, en zij [de Amerikaanse functionarissen] zeiden: ‹Laat hem.›»

In 1996 stuurde Soedan Osama en drieduizend van zijn handlangers het land uit. Twee jaar later voerde de regering-Clinton — geheel in lijn met de nobele Amerikaanse traditie dat het onnodig was Soedan te bedanken voor het aanbod om Osama uit te leveren — een raketaanval uit op de Soedanese farmaceutische fabriek El-Shifa. Als reden werd opgegeven dat Soedan onderdak verleende aan de terroristen van Bin Laden en dat zij chemische en biologische wapens aan het maken waren. In werkelijkheid maakten ze echter gewoon vaccinatiestoffen voor de VN.

Vier jaar later liet John O’Neill, een zeer gewaardeerd FBI-agent, zijn beklag optekenen in The Irish Times (augustus 2001): «Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken — met achter zich de olielobby, die de entourage vormt van president Bush — heeft verhinderd dat er een poging werd gedaan de schuld van Bin Laden aan te tonen. De Amerikaanse ambassadeur in Jemen verbood O’Neill en zijn team van FBI-agenten (…) in augustus 2001 om Jemen binnen te gaan. Gefrustreerd diende O’Neill zijn ontslag in. Hij vond een nieuwe baan als hoofd van de veiligheidsdienst van het World Trade Center. Hij kwam om in de aanslag van 11 september.» Klaarblijkelijk werd Osama vanaf het moment dat hij zich als vrijwilliger meldde in de oorlog van de CIA om de sovjets uit Afghanistan te verdrijven, een hand boven het hoofd gehouden door zowel de Democraten als de Republikeinen. Maar op 11 september werd Afghanistan niet meer door de Sovjet-Unie bezet, er was zelfs helemaal geen Sovjet-Unie meer.

Een wereld veilig voor pijpleidingen
Ik heb Bush en Cheney op CNN gezien toen de As van het Kwaad-rede werd uitgesproken en de «langdurige oorlog» werd aangekondigd. Irak, Iran en Noord-Korea werden direct aangewezen als vijanden die op hun donder moeten krijgen omdat zij mogelijk onderdak verlenen aan terroristen die ons eventueel door een geheime operatie zouden kunnen verwoesten. Daarom moeten wij op het moment dat wij daar zin in hebben de eerste klap uitdelen. En zo werd door ons de oorlog tegen het terrorisme uitgeroepen — een abstract en enigszins misplaatst begrip omdat er van oorlog helemaal geen sprake kan zijn; daarvoor heb je een land nodig. Natuurlijk, we hadden het onschuldige Afghanistan dat vanaf grote hoogte werd plat gebombardeerd, maar wat deed het ertoe dat je een paar burgerdoelen raakte — een heel land, nota bene — wanneer je het vizier gericht hebt op — zoals Time, The New York Times, de omroepen, enzovoort hem afschilderen — de personificatie van het kwaad?

Zoals bleek had de verovering van Afghanistan niets met Osama te maken. Hij was slechts een excuus om de Taliban te verdrijven en te vervangen door een relatief stabiele regering die het mogelijk zou maken dat Union Oil uit Californië zijn oliepijpleiding kon aanleggen ten bate van, onder andere, de Cheney-Bush-junta.
De achtergronden? Goed. Het hoofdkantoor van Unocal bevindt zich zoals te verwachten was in Texas. In december 1997 werden vertegenwoordigers van de Taliban uitgenodigd om naar Sugarland, Texas, te komen. Op dat moment was Unocal al begonnen om met toestemming van de Amerikaanse regering Afghanen de vaardigheden te leren die nodig zijn voor het aanleggen van oliepijpleidingen. BBC News op 4 december 1997: «Een woordvoerder van Unocal zegt dat men verwacht dat de Taliban enkele dagen in het [Texaanse] hoofdkantoor van het bedrijf zullen doorbrengen. (…) Een in de regio verblijvende correspondent van de BBC zegt dat het voorstel om dwars door Afghanistan een oliepijpleiding aan te leggen deel uitmaakt van een internationale wedloop om profijt te trekken van de exploitatie van de overvloedige energiebronnen van de Kaspische Zee. (…) In Kandahar zijn vorige maand bijna 140 mensen in dienst genomen.»

Inter Press Service (IPS) meldde: «Enkele westerse bedrijven lopen warm voor de Taliban, ondanks het feit dat deze beweging terreurdaden, bloedbaden, kidnapping en verpaupering geïnstitutionaliseerd heeft.»

Hoewel de Taliban al berucht waren vanwege hun fantasievolle misdaden tegen de menselijkheid, kondigde The Wall Street Journal, die poen rook, onverschrokken aan: «Of ze je nu aanstaan of niet, de Taliban vormen de partij die op dit moment het best in staat is vrede tot stand te brengen.» The New York Times brandde op 26 mei 1997 wierook voor de moloch van de oliepijpleiding. «In de ogen van de regering-Clinton zou een overwinning door de Taliban kunnen fungeren als een tegenwicht tegen Iran (…) en de mogelijkheid bieden voor het openen van nieuwe handelsroutes die de Russische en Iraanse invloed in de regio zouden kunnen verzwakken.»

Maar omstreeks 1999 is duidelijk dat de Taliban nooit in staat zouden zijn de veiligheid te waarborgen die vereist is om onze kwetsbare oliepijpleidingen te beschermen. Wanneer Osama als strijder voor Allah op het toneel verschijnt, is dit een aanleiding om nieuwe prijsafspraken te maken. De regering-Bush staat inmiddels positief tegenover het idee van een invasie van Afghanistan (geïnspireerd door Sandy Berger?). Frederick Starr van Johns Hopkins University schrijft op 19 december 2000 in The Washington Post: «De Verenigde Staten hebben zich stilletjes in de rijen geschaard van diegenen in de Russische regering die roepen om militaire actie tegen Afghanistan, en spelen met het idee van een nieuwe inval om Osama bin Laden te verdelgen.»

Maar nee, het scenario is van de verpersoonlijking van het Kwaad gewoon overgeschakeld op: «We hebben nooit beweerd dat Osama bin Laden een doel is van deze inspanning». Hoewel we met veel ophef zijn uitgerukt om ons te wreken op de van hun zinnen beroofde, sadistische religieuze zeloten die drieduizend Amerikaanse burgers hebben vermoord, laten we Osama, zodra de «oorlog» eenmaal op gang is gekomen, vallen als iets wat verder niet ter zake doet. En dat voert ons weer terug naar de oliepijpleiding van Unocal, een project dat inmiddels weer volop in bedrijf is. In het licht van wat we nu weten, is het onwaarschijnlijk dat de junta Osama ooit levend in handen zou krijgen; hij kan een hoop vertellen. Een van de beste sketches die Rumsfeld momenteel opvoert gaat van: «Waar is hij? Ergens? Hier? Daar? Ergens? Wie weet?» En dan krijgen we zijn best geslaagde knipoog. Hij moet overigens opgetogen — en verbijsterd — zijn over het feit dat de media het absurde verhaal hebben geslikt dat Osama, als hij nog leeft, nog altijd in Afghanistan is, ondergronds, in afwachting van het moment waarop hij uit zijn schuilplaats verdreven zal worden, en niet in een gerieflijk woonhuis ergens in het Osama-minnende Jakarta, tweeduizend mijl naar het oosten en gemakkelijk bereikbaar voor Vliegend Tapijt Nummer Eén.

Het is veel commentatoren van een zekere leeftijd opgevallen hoe hitleriaans onze junta klinkt wanneer zij eerst het ene land dreigend toespreekt omdat het aan terroristen onderdak verleent, en dan het andere. Het klopt inderdaad dat Hitler het graag deed voorkomen dat hij de gekrenkte — of bedreigde — partij was, voor hij tot de aanval overging. Maar hij had veel illustere voorgangers, niet in de laatste plaats het keizerlijke Rome. In War in Afghanistan: A $28 Billion Racket van Stephen Gowan wordt Joseph Schumpeter aangehaald, die «het oude Rome in 1919 afschilderde op een manier die akelig veel lijkt op de Verenigde Staten in 2001: ‹Er was in de bekende wereld geen plek te vinden waarvan niet werd beweerd dat er gevaar dreigde of die daadwerkelijk onder vuur lag. Als het geen Romeinse belangen waren die op het spel stonden, dan waren het wel de belangen van Romes bondgenoten; en als Rome geen bondgenoten had, dan werden die wel verzonnen. (…) De strijd werd altijd omgeven met een aureool van legitimiteit. Rome werd voortdurend bestookt door kwaadwillende buurvolken.›» We overtreffen de Romeinen alleen doordat wij metaforen — zoals «de oorlog tegen het terrorisme», of «tegen de armoede», of «tegen aids» — weten om te zetten in daadwerkelijke oorlogen tegen doelen die we dikwijls willekeurig lijken uit te kiezen om roerige situaties in vreemde landen te laten voortbestaan.

Op 1 augustus 2002 worden overal in Washington DC proefballonnen opgelaten om de wereldopinie te laten wennen aan het idee dat de «Bush van Afghanistan» zich een eretitel heeft verworven die even indrukwekkend is als die van zijn vader, «Bush van de Golfoorlog», en dat Junior nu staat te trappelen om Irak-Babylon onder zijn heerschappij te brengen. Al deze ballonnen vallen op Europa en de Arabische wereld neer als even zovele loden lasten. Maar er is een nieuw element aan de klassieke, Romeins-hitleriaanse mantra toegevoegd: «Zij bedreigen ons, wij moeten als eerste aanvallen.»

Nu begint iedereen onthullingen te doen. De International Herald Tribune schrijft: «Het lekken begon menens te worden toen The New York Times op 5 juli berichtte dat het Pentagon plannen maakten die, naar het beweerde, betrekking hadden op een invasie van Irak door een Amerikaanse troepenmacht van maximaal 250.000 man die het land vanuit het noorden, zuiden en westen zou aanvallen. Op 10 juli verklaarde The Times dat Jordanië mogelijk gebruikt zou worden als uitvalsbasis voor deze invasie. The Washington Post meldde op 28 juli dat ‹veel hooggeplaatste officieren van het Amerikaanse leger betogen dat president Saddam Hoessein geen onmiddellijke bedreiging vormt›.» En dat de status quo in stand zou moeten worden gehouden. Overigens was het de bedoeling van de grondleggers van onze natie dat dergelijke discussies in naam van ons — het volk — door het Congres en niet door militaire bureaucraten zouden worden gevoerd. Van dergelijke discussies heeft men ons echter, al heel lang, gespeend.
Wel is er nu een verfrissend nieuw geluid te horen, iets wat in het keizerlijke Rome volstrekt ondenkbaar zou zijn geweest: de opgetogen erkenning dat we gewoonlijk onze toevlucht nemen tot provocatie. De International Herald Tribune vervolgt: «Minister van Defensie, Donald Rumsfeld, heeft gedreigd iedereen die achter het lekken zit in hechtenis te nemen. De gepensioneerde generaal Fred Woerner ziet echter een zekere methodiek achter het lekken. ‹Mogelijk zijn we al een plan aan het uitvoeren›, zei hij onlangs. ‹Zitten we misschien in een preliminaire psychologische dimensie die Irak moet dwingen iets te doen dat een aanval door de VS rechtvaardigt of tot het doen van concessies? Er is iemand die dat weet.›» Dat is duidelijk.

Elders in deze interessante editie van de Herald Tribune schrijft de wijze William Pfaff: «Een ander debat dat in Washington wordt gevoerd, handelt over de vraag of we een niet uitgelokte aanval op Iran moeten uitvoeren om een kernreactor te vernietigen die daar met Russische hulp wordt gebouwd, onder toezicht van de International Atomic Energy Agency, binnen het kader van het non-proliferatieverdrag dat Iran mede heeft ondertekend. (…) Geen enkele andere regering ter wereld zou een dergelijke actie ondersteunen, met uitzondering dan van Israël [dat] dit niet zou doen omdat het verwacht dat het door Iran zal worden aangevallen, maar omdat het er — niet zonder rechtvaardiging — tegen gekant is dat een islamitische regering, het maakt niet uit welke, de beschikking zou krijgen over nucleaire capaciteit.»

Verdachte staten en oorlogstrommels
«Van alle krachten die de vrijheid van de mens kunnen ondermijnen, is oorlog misschien het meest te duchten omdat daarin de kiem van elke andere vervat zit en tot ontwikkeling komt. Als stamvader van legers zet oorlog aan tot het maken van schulden en het heffen van belastingen, de beruchte instrumenten om de meerderheid onder de heerschappij te brengen van de minderheid. In oorlog worden tevens de discretionaire bevoegdheden van de gezagvoerder uitgebreid (…) en alle middelen die de geest van het volk moeten verleiden worden gebundeld met de middelen die haar kracht moeten bedwingen.» Aldus de waarschuwing van James Madison in het prille begin van onze republiek.

Na 11 september doen het Congres en de media er dankzij de «heerschappij van de minderheid» het zwijgen toe, terwijl de gezagvoerder door middel van propaganda en scheefgetrokken opiniepeilingen de geest van het volk verleidt en bezig is voorheen ondenkbare machtscentra op te bouwen, zoals het departement voor de Landsverdediging, en hij onlangs vier procent van de natie heeft uitgenodigd zich aan te sluiten bij Tips, een civiel spionagesysteem dat tot doel heeft iedereen aan te geven die er verdacht uitziet of bezwaar maakt tegen datgene wat de gezagvoerder in binnen- of buitenland doet.

Hoewel elke natie die daartoe de middelen en de wil heeft weet hoe zij zichzelf moet beschermen tegen schurken van het kaliber waardoor wij op 11 september werden bestookt, is oorlog in dit geval geen optie. Oorlogen zijn gericht tegen landen, niet tegen bendes die nergens vaste wortels hebben. Je zet een prijs op hun hoofd en spoort ze op. Italië heeft dat de afgelopen jaren met de Siciliaanse maffia gedaan en er is nog nooit iemand geweest die heeft voorgesteld om Palermo te bombarderen.

Maar de Cheney-Bush-junta is uit op een oorlog die haar in staat stelt om Afghanistan te overheersen, een oliepijpleiding aan te leggen ten behoeve van haar zakenpartners en controle te krijgen over de olievoorraden van de «Stans» van Eurazië, en om ondertussen zoveel mogelijk schade toe te brengen aan Irak en Iran op grond van het feit dat deze kwaadwillende naties onze goudgele graanvelden op een dag zullen bezaaien met een regen van miltvuurbacteriën of iets dergelijks.

De media, die nooit zo goed zijn in analyses, raken hoe langer hoe meer buiten adem en worden steeds verwarder. Op CNN begon zelfs de onverstoorbare Tim Clancey te hyperventileren toen een Indiase academicus probeerde uit te leggen dat Irak ooit onze bondgenoot en «vriend» is geweest in de oorlog die het land voerde tegen onze satanische vijand Iran. «Hou dat samenzweringsgedoe maar voor je», snauwde Clancey. Blijkbaar is «samenzweringsgedoe» een synoniem voor de onuitspreekbare waarheid.

In augustus ontstond, althans onder economen, een groeiende consensus over het feit dat — gelet op onze enorme nationale schuld en een belastingvoet die door de junta ernstig is teruggebracht ten faveure van de één procent die het grootste deel van onze nationale welvaart bezit — het absoluut onmogelijk is om aan de miljarden te komen die nodig zijn om Irak te verwoesten in een langdurige oorlog of zelfs in een kortstondige, nu het grootste deel van Europa zich tegen ons heeft gekeerd. Duitsland en Japan hebben de Golfoorlog betaald, met tegenzin: op het laatste moment ruziede Japan nog geërgerd over de vraag wat de wisselkoers was op het moment dat de overeenkomst werd afgesloten. Nu heeft Duitslands Schröder nee gezegd. Japan doet er het zwijgen toe.

Maar de oorlogstrommels roepen nog altijd om wraak, en het feit dat vrijwel de hele wereld tegen deze oorlog gekant is, lijkt niet meer dan een koortsachtige blos te toveren op de wangen van Bush sr. van de Carlyle Group, Bush jr. van Harken, Cheney van Halliburton, Condoleezza Rice van Chevron en Rumsfeld van Occidental. De bescheiden minister van Binnenlandse Zaken Gale Norton vertegenwoordigt BP Amoco. Als er ooit een regering is geweest die een stapje terug zou moeten doen in verband met een mogelijke belangenverstrengeling in aangelegenheden die met energie te maken hebben, dan is het de huidige junta wel. Maar ze verschillen met elke andere regering uit onze geschiedenis. Het is duidelijk dat ze met hun hart ergens anders zijn, geld aan het verdienen zijn, ergens ver weg van onze quasi-Romeinse tempels, terwijl wij — helaas —achterblijven met louter hun hoof den die dromen van een oorlog, het liefst tegen zwakke staten in de periferie.

Mohammed Hekal, de voormalige Egyptische minister van Buitenlandse Zaken, is een briljant journalist en observator. Op 10 oktober 2001 zei hij tegen The Guardian: «Bin Laden bezit de capaciteit niet om een operatie van deze omvang uit te voeren. Wanneer ik Bush hoor praten over al-Qaeda alsof het om nazi-Duitsland of de Communistische Partij van de Sovjet-Unie gaat, moet ik lachen omdat ik weet hoe de vork werkelijk in de steel zit. Bin Laden wordt al jaren nauwlettend in de gaten gehouden: elk telefoongesprek werd afgeluisterd en al-Qaeda is geïnfiltreerd door agenten van de Amerikaanse veiligheidsdienst, de Pakistaanse veiligheidsdienst, de Saoedische veiligheidsdienst en de Egyptische veiligheidsdienst. Het zou ze nooit gelukt zijn een operatie die zo’n grote mate van organisatie en raffinement vereist geheim te houden.»

Eckehardt Werthebach, het voormalige hoofd van de Duitse binnenlandse veiligheidsdienst (American Free Press, 4 december 2001), stelt dat de aanslag van 11 september «een jarenlange planning» vereiste, terwijl de schaal waarop de aanslag werd uitgevoerd erop wijst dat het hier om een «door een land georganiseerde operatie» gaat. Zie daar. Misschien had Bush jr. uiteindelijk toch gelijk toen hij het over een oorlog had. Maar welk land had ons dan aangevallen?
Willen de verdachten zich alstublieft in een rij opstellen. Saoedi-Arabië? «Nee, nee. Waarom betalen we jullie vijftig miljoen dollar per jaar om de koninklijke lijfwacht op onze heilige, zij het dorre bodem te trainen? Toegegeven, er zijn in ons koninkrijk rijke, goed opgeleide vijanden te vinden, maar…» Bush sr. en jr. wisselen een blik van verstandhouding. Egypte? Vergeet het maar. Zit ondanks Amerikaanse fooi volkomen aan de grond. Syrië? Beschikt niet over de contanten. Iran? Te trots om zich druk te maken om een parvenustaat als de VS. Israël? Sharon is overal toe in staat, maar hij mist het lef en de charme van de echte kamikazepiloot. En trouwens, op het moment dat de operatie begon met het installeren van «mollen» rond de Amerikaanse vluchtscholen, zo’n vijf of zes jaar geleden, was Sharon niet aan de macht. De Verenigde Staten? Bepaalde elementen van ondernemend Amerika kunnen niet wachten van ongeduld op de «enorme aanval van buitenaf» die het mogelijk maakt om op elk moment dat dit de president zou behagen op oorlogspad te gaan, onder tijdelijke opschorting van de burgerlijke vrijheden. (De 342 pagina’s tellende USA Patriot Act werd opgesteld vóór 11 september.)

Bush sr. en jr. staan nu te gniffelen. Waarom? Omdat Clinton indertijd president was. Terwijl de voormalige president uit de rij van verdachten stapt, zegt hij — meer boos dan teleurgesteld: «Toen we het Witte Huis verlieten, hadden we plannen voor een grootscheepse oorlog tegen al-Qaeda. We hebben ze aan de huidige regering overhandigd, en die heeft er niets mee gedaan. Waarom?» Op zijn lip bijtend loopt hij weg. Vader en zoon Bush giechelen niet meer. Pakistan slaat door: «Ik heb het gedaan! Ik beken! Ik had mezelf niet in de hand. Red mij. Ik ben de boosdoener!»

Klaarblijkelijk heeft Pakistan het gedaan, of althans een deel ervan. We moeten nu terugkeren naar 1979 toen in reactie op de sovjetinvasie van Afghanistan «de grootste geheime operatie uit de geschiedenis van de CIA» werd gelanceerd. Centraal-Azië-specialist Ahmed Rashid schreef (Foreign Affairs, november-december 1999): «Onder actieve aanmoediging van de CIA en Pakistans Inter Services Intelligence (ISI), die de Afghaanse jihad wilden omvormen tot een mondiale oorlog waarin alle islamitische staten het opnamen tegen de Sovjet-Unie, kwamen tussen 1982 en 1992 zo’n 35.000 radicale moslims uit veertig islamitische landen naar Afghanistan om te strijden. (…) Meer dan honderdduizend buitenlandse radicale moslims werden direct door de Afghaanse jihad beïnvloed.» Deze strijders werden in het geheim getraind en gesteund door de CIA.

In maart 1985 vaardigde president Reagan uitvoeringsbesluit 166 aangaande de nationale veiligheid uit, waarmee de militaire steun aan de Afghaanse opstand werd vergroot. Op hetzelfde moment hadden specialisten van de CIA een ontmoeting met hun collega’s van de ISI in de omgeving van Rawalpindi, Pakistan. Jane’s Defense Weekly (14 september 2001) geeft het beste overzicht: «De trainers waren hoofdzakelijk afkomstig uit Pakistans Inter Services Intelligence die het vak in verschillende trainingskampen hadden geleerd van de speciale eenheden van de Amerikaanse landmacht (de groene baretten) en luchtmacht (de Navy Seals).» Dit verklaart waarom de regering niet wilde uitleggen hoe het kon dat zoveel niet gekwalificeerde personen gedurende een zo lange periode visa kregen om onze gastvrije kusten te bezoeken. Tijdens het verblijf in Pakistan, «werden de Afghaanse [zeloten] vervolgens tijdens massale oefeningen onder toezicht van de elitetroepen van de Amerikaanse Special Services door het Pakistaanse leger getraind voor de Afghaanse jihad. (…) In 1988 vormde Bin Laden met medeweten van de VS al-Qaeda, een conglomeraat van quasi-onafhankelijke islamitische cellen verspreid over zo’n 26 landen. Washington liet al-Qaeda oogluikend zijn gang gaan.»

Op 4 september 2001 meldt de Londense Daily Telegraph dat het hoofd van de ISI, generaal Mahoud Ahmed, in Washington is aangekomen. Op 10 september vertelt het Pakistaanse dagblad The News dat «het nu al een week durende verblijf van ISI-chef Mahmoud in Washington heeft geleid tot allerlei speculaties omtrent de agenda van zijn mysterieuze ontmoetingen in het Pentagon en met de nationale veiligheidsadviseur. (…) Volgens bronnen in het ministerie van Buitenlandse Zaken betreft het officieel een routinematig tegenbezoek voor het bezoek dat het hoofd van de CIA, George Tenet, eerder aan Islamabad bracht. Officiële bronnen bevestigen dat hij Tenet deze week heeft ontmoet.»

Verdere bijzonderheden worden niet gegeven. En dan, op 8 oktober, wordt Mahmoud ontslagen uit zijn functie als hoofd van de ISI en gaat hij met vervroegd pensioen. The Times of India kwam als eerste naar buiten met nieuws over de reden waarom: «Zeer hoog geplaatste bronnen alhier hebben dinsdag bevestigd dat de generaal zijn baan is kwijt geraakt ten gevolge van het door India geleverde ‹bewijs› dat aantoont dat hij connecties had met een van de zelfmoordpiloten die het World Trade Center verwoestten. De Amerikaanse autoriteiten hebben aangedrongen op zijn vertrek nadat zij de bevestiging hadden gekregen dat Ahmad Uhmar Sheikh op verzoek van generaal Mahmoud vanuit Pakistan telegrafisch honderdduizend dollar heeft overgemaakt naar kaper Mohammad Atta.»

Het is inmiddels bekend dat Mohammed Atta de leider was van de negentien mannen die de vier vliegtuigen op 11 september 2001 kaapten. Hij kwam om toen zijn vliegtuig tegen de eerste toren van het World Trade Center te pletter vloog. Waarom stuurde generaal Mahmoud hem tijdens zijn bezoek aan Washington geld?

Toen Atta’s vliegtuig het World Trade Center trof, hadden Bush en het meisje van de lagere school in Florida het over haar bokje. Toevallig is ons woord «tragedy» samengesteld uit het Griekse woord voor «geit» — tragos — en uit iede, dat «zang» betekent. «Het gezang van de geitenbok.» Het is hoogst toepasselijk dat deze klaagzang, die gezongen werd in de satirestukken van de oudheid, weer opklonk precies op het moment dat wij getroffen werden door vuur uit de hemel en voor ons een tragedie begon waarvan het einde nog lang niet in zicht is.


Vertaling: Sander Hendriks