De oliespuit

Het wordt meteen gezien als populisme wanneer je zegt dat je geen geloof hecht aan de politiek.

Onder populisme – wat het precies betekent weet ik nog steeds niet – wordt dan verstaan het hebben van een gemakkelijke mening die gevoed wordt door de onderbuik.

Maar ik hecht ook niet zo veel geloof aan de politiek en ik voel me altijd enigszins beledigd als dat wordt weggezet als een populistische mening.

(Terwijl het volk juist heel veel verwacht van de politiek!)

Politiek moet een ­ordinaire, maar goed ­betaalde ­kantoorbaan zijn

Aan de economie kan de politiek niet zo veel doen. Ze kunnen wat meer of minder belasting heffen, maar als het slecht gaat in Duitsland gaat het slecht met ons. Je kunt wel politiek beleid voeren, maar of dat verstandig is afgezet tegen: doe maar niks, is nog maar de vraag. Ik blijf België een sterk voorbeeld vinden, waar ze zo’n vijfhonderd dagen geen kabinet hadden en de economie stabiel bleef.

Het onderwijs dan. Ik dacht vroeger – toen ik zelf nog les gaf – dat de politiek daar van groot belang was. Zorg dat iedereen naar school kan. Dat kan nu. Verder hoor ik bijna elke dag van vrienden en vriendinnen die les geven dat de maatregelen die de overheid eist van een docent eerder tegen- dan meewerken. Als dat zo is, denkt de overheid niet in het belang van het kind.

De zorg. Het belangrijkste onderdeel. Daar gaat iets mis. De zorg wordt duurder en duurder en de overheid kan het met de maatregelen die ze voorstaat niet meer bijbenen. Een en ander heeft er wel toe geleid dat we vraagstukken over moraal en gezondheid wat genuanceerder behandelen. Hebben we via de verzekering recht op dure geneesmiddelen? Moet dat looprekje vergoed worden? Wat gaan we nu precies wel en niet vergoeden? Je vraagt je af: kan de politiek dit aan? Ze zeggen dat de markt het niet rechtvaardig oplost, maar de politiek blijkbaar ook niet. En wat is rechtvaardigheid?

Ik kan alles wel aflopen om duidelijk te maken waarom mijn geloof in de politiek is afgenomen. Het komt mij voor als een ouderwets instrument.

Ik herinner me Joop den Uyl aan wie men vroeg wat politiek voor hem inhield. Hij antwoordde: ‘Ach, eigenlijk ben je bezig met een oliespuit om de machine draaiende te houden. Nu eens spuit je hier, dan weer daar.’

Niets doen – ik betoog het vaak – is in de meeste gevallen zo’n slechte optie niet. Er moeten wat zaken worden geregeld, maar doe geen grote zaken. Al die miljarden verslindende vredesmissies (ik zie zelf heus wel dat dit een populistische zin lijkt) komen voort uit een zogenaamd hoogstaande moraal, uit betrokkenheid met de ellende die je ziet, en die zou je verantwoordelijk maken voor al dat leed.

Dat is piëtisme. De grote kwaal van deze tijd. Je bent niet verantwoordelijk. Al dat oorlogsgeweld en die half verbrande kinderen dan? Het is afschuwelijk leed, maar we kunnen er weinig aan doen.

We maken politiek te belangrijk. Het moet een ordinaire, maar goed betaalde kantoorbaan zijn.

De politici krijgen op hun eerste werkdag allemaal een oliespuit. Alleen voor intern gebruik.

We gaan de oliespuit niet gebruiken voor de wereldproblemen.