Twee erflaters van het naoorlogse Amsterdam

De olifant Murugan, het Andreas en ik

Een olifant en een ziekenhuis hebben niets gemeen. Totdat een olifant en een ziekenhuis tegelijkertijd sterven. Historische associaties bij de dood van Murugan en het Andreas, twee erflaters van het naoorlogse Amsterdam.

Amsterdam wist al een paar maanden dat Murugan (50) ziek was, ziek van ouderdom. Begin deze zomer overleed hij in Artis, de oudste olifantenstier van Europa. Het was een simpele, aangekondigde dood. Hij sliep in na een spuitje van de dokter. Hij stierf de dood die veel van zijn Amsterdamse vrienden zichzelf ook zouden toewensen op de fatale dag dat het er dan echt van moet komen. Toen ik Murugan op televisie zag, waar zijn naderende dood werd aangekondigd, dacht ik bedroefd: ach jongen toch, dat jij nou zo rottig moet lopen.

Een dag na zijn dood werd ik zelf, die ook zo rottig liep, in het tot sloop veroordeelde Andreasziekenhuis door dokter J. voor onderzoek verwezen naar een revalidatiekliniek. Murugan en het Andreasziekenhuis hebben natuurlijk niet zo veel met elkaar te maken. Een olifant en een gebouw zijn verschillende grootheden. Maar in mijn hoofd knoopten ze zich aan elkaar vast, vanwege die in beide gevallen aangekondigde dood. En vanwege het feit dat ik ze alle twee redelijk goed kende.

Murugan was mijn olifant. Tenminste, meer van mij dan van de buren, want dat zijn neo-Amsterdammers die uit Groningen, Nijmegen en Emmeloord komen. Pandit Nehru, de premier van India, schonk hem in 1954 aan de jeugd van Amsterdam en ik maakte in 1954 deel uit van die jeugd. Ik was toen twee jaar oud, geboren in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis en getogen in de Von Zesenstraat, niet ver van het OLVG én Artis, en net zo oud als hij, het olifantje dat in een krat neerdaalde op de Handels kade. Hij was het cadeautje dat bij ons zou blijven, zijn hele leven lang.

En dan op een dag, hoewel je allang weet dat de dingen niet langer glimmen als in het begin, dan ineens is jouw olifant een zieke oude man met doorgezakte achterpoten. De rituele rouw van zijn medeolifanten werd reeds van tevoren gemeld op AT5. Olifanten rouwen nu eenmaal, dat is wel eens te zien op zo’n wildlife-reportage. Dan staat de kudde stil bij het lijk, ze houden er een tijd de wacht en ze beslurven de overledene. Ze registreren langdurig dat die-en-die er echt niet meer is.

De aangekondigde dood van een ziekenhuis is iets heel anders dan de aangekondigde dood van een geliefd dier. Maar tijdens dat laatste bezoekje aan dokter J. in de polikliniek van het Andreas merkte ik voor het eerst hoe het gebouw als een oud beest stond te vervalen, hoe welig het gras en het onkruid waren op geschoten naast het hobbelig geworden wegdek en hoe binnen, op het linoleum, de verschillend gekleurde strepen die naar de afdelingen leiden er wel heel armoedig en afgeschilferd bijlagen.

«Er is iets vreemds aan de hand, vind je niet?» zei ik tegen mijn escorte. «Het ruikt ook anders dan anders, of vergis ik me?»

Mijn escorte knikte. «Ja», antwoordde ze, «het is nog helemaal geen oud ziekenhuis, maar het ruikt als een oud gebouw. Als een ouwe duffe school. Niemand houdt het meer tegen.» «Het»: ze bedoelde de valigheid, het verval, de dood.

In mijn jonge jaren zwierf ik incidenteel wel eens een ziekenhuis binnen, met bijvoorbeeld een oorontsteking, een scheef gegroeide verstandskies of met gescheurde enkelbanden. Met niks ergs. Binnengasthuis, Slotervaartziekenhuis, Prinsengrachtziekenhuis. Bovendien zwierf ik van huisarts naar huisarts, want ik verhuisde vaak en had nog geen vast onderhoud nodig. Dan komt de tijd dat je dat wel nodig hebt, je schrijft je in bij een huisarts in de buurt en die huisarts verwijst zijn patiënten nu eenmaal vaak naar het Lucas of het Andreas.

Op een dag, een hele tijd geleden, fuseerden deze ziekenhuizen. Om het beleid, om Den Haag, om het geld. Ineens heetten beide een «locatie» van het Lucas Andreas Ziekenhuis. Ze rijden er tegenwoordig rond met bedrijfswagentjes, met daarop de waarschijnlijk door een extern bureautje gebrainstormde slogan «Bij ons gaat zorg om mensen».

Ik had en heb niks met het Lucas, ook na de grote verbouwing niet. Het blijft zo klassiek grauwwit en hoog. En zo katholiek op een verwaterde, gure manier. Het verplegend personeel mag dan honderd keer agnost zijn, dat maakt niks uit. Hoe zal ik het omschrijven? Wel een complete kerststal in de hal, maar die moet, zoals na afgelopen kerst, dagen te lang blijven staan in het januari-ochtendlicht. De vallende dennennaalden regenen dan neer op de kleine Heiland.

Ik houd meer van het Andreas, het kleinste en meest «Amsterdamse» van de twee. De naam zegt het al, zie de andreaskruisen in het stadswapen. Het is gebouwd door een adept van Frank Lloyd Wright: een redelijk laag, licht gebouw, niet specifiek opvallend of mooi, maar welgelegen in een rustige, tuinachtige omgeving, niet ver van het Vondelpark, niet ver van de echte stad, heel geciviliseerd.

Het Lucas was, is en blijft het monster uit Philip Larkins The Building:

This place accepts. All know they are going to die.

Not yet, perhaps not here, but in the end,

And somewhere like this. This is what it means,

This clean-sliced cliff; a struggle to transcend

The thought of dying, for unless its powers

Outbuild cathedrals nothing contravenes

The coming dark, though crowds each evening try

With wasteful, weak, propitiatory flowers.

Het lage, lichte gebouw van het Andreas zal, de zegeningen van de marktwerking indachtig, nu worden afgebroken om hoogstwaarschijnlijk plaats te maken voor huizen. Plotseling is de «locatie» Andreas een toplocatie, wat van het Lucas nooit gezegd kan worden.

Dus ook in dit vriendelijke kleine ziekenhuis spoedig geen bezoekersbloemen meer, geen zoenoffer aan het harde bestaan, of aan de harde God die de mensen zich nu eenmaal maken — het bloemenoffer omdat men de geliefde die er ligt, of de moeder, of de oma, de dans nog even wil laten ontspringen. En, mutatis mutandis, zichzelf.

Ik heb een vaste kerk, en wel een kerk op historische grond, in de Kalverstraat. Zo’n kerk breken ze niet zo snel af. In die kerk kom ik niet zo vaak: zes, zeven keer per jaar. Ik ga een beetje in luxe, slungelig om met de herinnering van al wat ik daar beleef, want hij staat er voor altijd. De hele omgeving, de ramen, de geur, de tijd van het jaar, zijn me zonodig tot steun wanneer ik een half in nevelen gehuld voorval boven water probeer te krijgen. De geest waart daar rond, ja, een kerk is als een bouillonblokje van geconcentreerde emotie. De vloer, de muren zijn doortrokken van mensengeest, niks dan mensengeest.

Ziekenhuizen zijn net zo. Hoe kan een afgebroken ziekenhuis de slungelige, maar toch zoekende herinnering bijstaan? Wanneer het er niet meer staat, hangt een deel van je geschiedenis los in je hoofd, het eigen verhaal wordt een zwevende vertelling. Hoogstens gesteund door een slecht belicht fotootje, genomen vanaf het ziekbed. Maar mensen maken zelden kiekjes in het ziekenhuis.

«De weg weten in een huis dat niet meer bestaat» — ik citeer Rudy Kousbroek uit de losse pols — is een eenzame exercitie. Zo zou je ’s nachts in je halfslaap kunnen ronddwalen door het Andreas, op zoek naar het sterfbed van je man — was het een kamer op die gang daar… nee, of daar, links van de lift…

Tenzij dus, in die toekomst die er niet meer komt, in een redelijk gebleven wereld, je lievelingsneef Adri met een zware hernia in het Andreas zou belanden, waardoor je het sterfbed van je man op geheel natuurlijke wijze weer had kunnen lokaliseren.

Met het afbraakpuin van het Andreas, doordesemd van de herinnering aan sterfbedden, geboorten, ternauwernood overwonnen ziektes en liefdes in vele vormen (ikzelf kreeg er een ongewenste, onhandige liefde) zullen gaten in provinciale wegen worden gedicht, of zeedijken worden opgehoogd. Daar kunnen risico’s aan zitten, klein of groot.

Met de afgebroken oudbouw van Amsterdam-West is ooit de dijk tussen Durgerdam en Uitdam versterkt. Wie daar een middag in de zon ligt, kan overspoeld worden door vleugen laat-negentiende-eeuws arbeidersleven. Ik ken een man die van zware ellendegevoelens bijna niet meer kon bewegen, na een paar uur op die plek. Hij had het bizarre gevoel dat er nog heel veel achterstallige huur betaald moest worden terwijl er toch echt niks aan de hand was met zijn hypotheek.

Maar ik ben blij dat ik Murugan met de scheve slagtanden, met zijn uiterlijk van een olifantenstruikrover, kan blijven gedenken in Artis. De laatste tijd, met die scheve tanden en die doorgezakte benen, vond ik hem wel wat weg hebben van prins Bernhard.

Terwijl het Andreas nog met de grond gelijk gemaakt moet worden. Zie het als een vorm van voortijdige rouw, als het voortijdig beslurven van een gebouw dat uiteindelijk moest verdwijnen om niets. Om geld.