De omweg als kern

Nicolien Mizee toont zichzelf in haar faxroman © Tessa Posthuma de Boer

De kernzin van deze ‘faxroman’, die zich in 1999/2000 afspeelt, staat ergens tegen het einde: ‘“Ik kan goed poseren en nog beter verdwalen,” zei ik.’ De ik is schrijver Nicolien Mizee, die bij allerlei tekenclubs en clubjes naakt model staat, zich daarbij in allerlei poses neer laat zetten en dan een tijdje stil zit, in afwachting van een nieuwe pose. Kortom, ze laat zichzelf zien net zoals ze zich in haar hele boek door ons laat bekijken. Ze toont zich. Als model dus, als uitkeringstrekker, als dochter van bizarre ouders, als vriendin die het uitmaakt met Louise, als zus en tante en als schrijfster van een roman die uit faxen bestaat. Kleine belevenissen zijn het, vaak in de familiekring en met vrienden en vriendinnen, met toenemende verbazing over alles, over leven en schrijven, plus een fijn, scheef gevoel voor een rare blik, understatement en opgewekt zelfbeklag.

Ze brengt van dit alles in faxen verslag uit aan ene Ger, die zelf niet live optreedt, hij reageert niet op haar faxen, af en toe spreekt ze met hem af, maar daar hoor je verder niks over. Ze voert zelfs schilderwerk bij hem thuis uit, maar dit blijkt verder geen item. Mizee heeft een bijzonder hoge pet van hem op, vindt hem buitengewoon, noemt hem ‘Ger van m’n hart’, of ‘Allerverpletterendste’, zwaait hem voortdurend alle lof toe, maar waarom precies blijft in het midden. Hij begrijpt haar, zal ik maar zeggen.

Het blijft steeds boeien en kraken en schuren. Zelfspot als literair programma

Uit de Mizee-kunde weten we dat die Ger ooit haar docent scenarioschrijven was van de schrijfschool, de toneelschrijver Ger Beukenkamp. Maar hij blijft een mysterie. Van erotische gevoelens is geen sprake, al zou ze hem graag willen knuffelen (geen Mizee-woord). Hij is de enige die een onversneden goeie pers krijgt, op het obsessionele af, al verdenkt ze hem er wel van te weinig voor haar schilderwerk te betalen. Er zit iets vertwijfelds in Mizees adoratie voor deze nietszeggende Ger-figuur. Is het God zelf, soms zou je het denken. Maar al met al is deze vertelconstructie een eerste klas vondst. De schrijver richt zich niet direct tot de lezer maar doet dit via een ‘bemiddelaar’ die figureert als het ideale publiek waar je makkelijk je hart bij kunt uitstorten. Een soort voorzitter van de Tweede Kamer dus.

Verdwalen is zonder meer de tweede sterke kant van Mizees schrijverschap. Van alles komt voorbij, ze laat zich voortdurend gaan in zijpaden, in bespiegelingen over haar jeugd, haar familie, haar rare gedrag, in overpeinzingen over haar moeder, die haar bijvoorbeeld als meisje van zestien stimuleerde om voor honderd gulden naakt voor een fotograaf te poseren. ‘Een week later ging ik erheen. De fotograaf was een klein, dik mannetje, dat opschepperig met een reusachtige camera in de weer was en zei “dat hij wel eens een prijs had gewonnen”.’ Wie niet keihard lacht om deze laconieke beschrijving, kenmerk van Mizees schrijfstijl, moet zich maar eens na laten kijken. En dan volgt dit: ‘Wat voor prijs? dacht ik, maar ik zei natuurlijk niets. Het was immers mijn taak de man op zijn gemak te stellen. Gewillig liet ik me in alle gewenste standen plaatsen.’ Top Mizee-werk, scheefpraat tot en met. ‘Immers’! Mannen op hun gemak stellen, dat is de taak van vrouwen, vindt Mizees moeder. Wat is er tegen als mannen aan je willen zitten, dat willen ze nu eenmaal, is haar mantra.

Bijzonder geestig is ook wanneer in het begin uitgever Vic van de Reijt allerlei kritische opmerkingen over haar werk maakt. ‘Ik bleef misschien te veel aan de oppervlakte. Alsof ik omwegen zocht. Misschien wist ik zélf nog niet waar ik heen wilde. Wat was het grote thema.’ Als hij klaar is met zijn verhaal denkt Mizee: ‘(…) ik raakte er vaster van overtuigd dat mijn boek zo en niet anders moest. Gek hè (…).’ Nee, helemaal niet gek, de omweg is de kern van dit schrijverschap en in dit (al weer vierde) faxboek demonstreert ze haar schrijfprogramma in optima forma. Ze is gelukkig niet de wijze en grote heldin die alles beter weet en doorziet. Haar gedrag ten opzichte van vriendin Louise, met wie ze het uitmaakt, waarom is totaal onduidelijk, is geheel gevoelloos: ‘(…) ik heb me vaak afgevraagd of ik soms een beetje gevoelsarm was’. Ja, zeg dat wel, maar tegelijkertijd schoot ik toch weer in de lach. De ironie hiervan is aan mij wel besteed. ‘Volgens mij is het misgegaan door haar vervelende gezeur’, schrijft ze ergens, met direct daar achteraan de zin: ‘Ik ben niet ontevreden over mezelf.’ Hoe kun je hier nu kwaad over worden? Mizee in de bocht en het blijft steeds boeien en kraken en schuren. Zelfspot als literair programma.

Tussen neus en lippen door mengt ze allerlei opmerkingen over schrijven door haar heen en weer huppelende boek. Bijvoorbeeld: ‘Als schrijver in een onvrij land schrijf je over dat wat je verbindt, als schrijver in een vrij land ga je je eigen uniciteit bezingen. En voor een goeie schrijver zijn die twee dingen hetzelfde.’ Maar het mooist blijven de kleine invallen en beschrijvingen die je overal in haar boek tegenkomt. Deze bijvoorbeeld: ‘Nu ga ik mijn fiets binnenzetten. Het regent. De berging is aan de andere kant van de straat. Ik ben soep aan het trekken.’ Of deze: ‘Zie je Van Veldman nog wel eens?’ vroeg ik. ‘Ja, laatst nog, bij de trombosedienst.’