Menno Hurenkamp

De onafhankelijke pers

Leefde Fred Emmer nog maar. De nieuwslezer die pas na zijn afscheid van de NOS zijn ego centraal stelde, als schrijver van erotische verhalen en – intrigerender – als principieel weigeraar van de warme maaltijd. Inmiddels is het tv-gewijs voorlezen van een stapeltje tekst blijkbaar zo gewichtig geworden dat Nederland een half jaar lang wordt voorbereid op de mogelijke komst van ene Charles Groenhuijsen, man met meningen. Groenhuijsen zou wel of juist niet anchorman worden, er waren zelfs persconferenties. Het was allemaal reuze spannend, voor wie met twee gebroken benen en een dwarslaesie klem zat voor de buis. Inmiddels komt-ie weer niet. Dat de NOS tijd steekt in geharrewar over zo’n baantje stemt niet gerust over de prioriteiten van de omroep. Zoals ook het recente verongelijkte gejammer van de publieke televisie makers niet hoopvol stemt. Wat maakt het de kijkers uit of de Vara en de Tros hun eigen directie secretaresses houden, sterker, of de Vara en de Tros blijven bestaan? Heel weinig.
«De traditionele journalistiek wankelt», volgens De nieuwe reporter, een weblog over de toekomst van de journalistiek. Aanleiding voor deze conclusie is een enquête onder veertig «deskundigen», waaronder ook mensen deskundig op het terrein van de media. De toe nemende behoefte aan service in plaats van informatie en de afnemende bereidheid om te betalen voor informatie maken kranten en tijdschriften kwetsbaar. Daar komt bij dat de burger zich vaker met het nieuws wil bemoeien, hij wil tegenwoordig zelf een mening kwijt of ook een filmpje laten zien, in plaats van lastig gevallen worden met ingewikkelde achtergrondanalyse. Gratis internetsites vervullen de verlangens van de burger sneller en goedkoper dan gedrukte media. Kortom, de burgers hebben het gedaan want die zijn lui, en de kranten hebben het gedaan want die schrijven ingewikkelde en arrogante stukken.
Geen van de deskundigen van De nieuwe reporter merkt op dat het een gevaar voor de diversiteit van de pers is als alle kranten in handen zijn van slechts een paar bedrijven. Terwijl het bestaan van mega-uitgever PCM toch Lenins natte droom van concentratie van informatie is. Niemand vraagt zich af of kranten per se hoog renderende ondernemingen moeten zijn, terwijl we dat van de publieke omroep niet verwachten. Is de krant een melkkoe of een publiek instituut? Die vraag doet er toe in een debat over de toekomst van de pers. Alle radio- en tv-journalisten halen immers hun ruwe grondstof uit de krant. Zonder kranten stijgt de tv op wegens gebrek aan zwaartekracht.
Wanneer het over de zwarte toekomst van de pers gaat dragen de burgers meestal schuld, door hun zogenaamd steeds onvoorspelbaar der kijk- en leesgedrag. (Gek is dat: Metro en Talpa hoor je nooit over die lastige want onvoorspelbare burger.) Het is maar de vraag of die burger echt zo fout is. Bij de publieke televisie overheerst een zorgwekkend gebrek aan zelf relativering door allerlei baasjes en omroepers. In de geschreven journalistiek blijft het veel te stil wanneer de vraag aan de orde is waarom met nieuws ook grootaandeelhouders tevreden moeten worden gesteld – liefst met winstmarges van twintig procent. Als de onafhankelijke journalistiek ten onder gaat, dan niet door «ontlezing» of andere vage culturele processen, maar door gebrek aan zelfkritiek.