De onbekende nederlander

‘Als ik televisie kijk, denk ik telkens: waar ligt het toch aan dat ik daar niet sta? Volslagen nobody’s mogen een spelletje presenteren en staan met hun smoel in alle bladen. En Rene Plemp, die al 32 jaar in het wereldje meedraait en alles uit de kast heeft gehaald om bekend te worden, zit thuis. En moet na al die jaren nog steeds vertellen wie hij is.

Ik ben begonnen op mijn zeventiende, als drummer op feesten en partijen. Een te gek beroep vond ik dat: gratis drankjes en nog geld en applaus op de koop toe. Geweldig toch? Toen ik eenmaal bij Snip en Snap in de orkestbak zat, wist ik het zeker: ik zal beroemd worden. Sindsdien is het wereldje mijn leven. Ik noem maar wat op: zingen op bedrijfsfeesten, braderieen en campings. De Gladstone Zomershow en de Mercedes Benz Dealerdagen aan elkaar praten. Kinderen laten lachen met mijn theatershow Flip en Flappelientje. Screentests doen, de ene na de andere. Sappelen, zwoegen en jezelf op alle mogelijke manieren in the picture proberen te werken. Hoewel ik wel bijrollen heb gehad in Vrouwenvleugel, Die Twee en Zeg ’s Aaaaa, is het nog steeds niet gelukt om door te breken.
Ik weet ook niet wat het is. Bekende Nederlander zijn gaat niet alleen om kwaliteit. Als je maar vaak genoeg met je kop op de buis bent, vragen ze je vanzelf voor de 5 uur-show. Of als panellid van een of ander quizje. Dan rolt het balletje vanzelf door tot je opgenomen wordt in de Endemol-familie. Daar rinkelt de telefoon 24 uur per dag. Maar ja, Plemp bellen ze nooit.
Ik heb sterk de indruk dat ik word geboycot. Om een lang verhaal kort te maken: eens was ik de produktie- assistent van John de Mol. Daar zat ik heel dicht bij het vuur. Tot John mijn vriendin inpikte. Verhuiswagen voor de deur, baan kwijt, dat ging niet zo fris allemaal. Tot drie keer toe heb ik op mijn knieen gesmeekt of ik in ieder geval nog een screentest mocht doen. Maar ik heb nooit meer wat van ze gehoord. Hard hoor.
Soms loop ik nog wel eens een dag geil te zijn omdat ik heel eventjes op tv ben geweest. Maar de toekomst is somber. Ik word aan alle kanten ingehaald door de jonge garde. Mensen die nog naam moeten maken. Ik vraag vijfhonderd of duizend gulden voor een presentatie; zij doen het voor een kratje bier.
Bovendien gaat het slecht met de economie. Bedrijven beknibbelen op hun personeelsfeesten. Campingbazen geven een fles whisky aan tante Pietje, die met haar schorre keel nog wat gaat zingen. Als iedereen al zo zat is dat ze het verschil toch niet meer horen.
En Plemp loopt al tegen de vijftig. Bij de mini- playbackshows kan ik over een paar jaar niet meer terecht. Dan denkt het publiek: wat moet die pedofiel daar met mijn dochtertje? Terwijl ik me nooit echt heb kunnen bewijzen, ben ik een ouwe lul geworden.
Ik hoop daarom niet oud te worden. Vorig jaar had ik na een optreden op eerste kerstavond een behoorlijk auto-ongeluk. Goed, ik ben er nog. Maar ik denk vaak: was ik er maar in gebleven. Dan ben ik van al dat getob af. Dan hoef ik niet steeds uit te leggen wie ik ben.’