Het Migrantenmuseum

De onderbroek met de zak

Wanneer een jongeman met armen als staal niet aan een worsteltoernooi kan deelnemen, dan is het voor hem tijd om te gaan. Dat deed Ramazan dan ook.
Hij was een man die zijn leven lang vertelde dat hij zijn moederland de rug toekeerde omdat hij niet kon worstelen op het toernooi. ‘Ik weet zeker dat ik al die sukkels die wel meededen met de neus in het gras had gedrukt. Maar ja, zij konden wel meedoen, maar ik niet. Toen ben ik maar vertrokken’, zo hield hij altijd vol.
Hij kon niet deelnemen aan het toernooi, dus gingen zijn armen van staal staal maken in een fabriek in Utrecht. Ramazan werkte zes dagen in de week, ging op zondagen in zijn netste kleren wandelen in de binnenstad,
schreef brieven naar het moederland en was dus als alle andere gastarbeiders. Maar net voor zijn eerste vakantie ging Ramazan met een lapje stof, zijn onderbroek, een naald en draad
op zijn bed zitten, naaide een zak aan zijn onderbroek en onderscheidde zich zo van de rest. Hij stopte in die buitengewone zak zeventien flappen die bij elkaar een bedrag maakten van vierduizend en vijfhonderd gulden.
Zijn vrienden dachten dat hij een lafaard was. De gedachte die leefde was dat Ramazan bang was voor een overval en het geld daarom in zijn onderbroekzak propte. Ramazan gaf nooit antwoord op dit soort commentaar en bleef elk jaar op dezelfde manier geld naar het moederland brengen.
Met dat geld kocht hij eerst de stal van de buurman, daarna een kudde schapen, een jaar later bouwde hij een nieuw huis in het dorp, weer een paar jaar later liet hij een huis in de stad bouwen en vele jaren later gebruikte hij dat geld om zijn gezin te laten overkomen naar Utrecht.
Het geld moet heerlijk warm hebben gevoeld daar bij de gevoelige huid. Een kusje van het kapitaal aan de ballen, een kusje terug van de ballen aan het kapitaal. En dit de hele reis door. Tot de wc in de buurt van de bank in het stadje in het moederland.
Voor deze onderbroek hebben we lang onderhandeld met Ramazan. Hij hield vol dat we niet moesten dromen over zijn onderbroek. Hij was de laatste jaren zo mager geworden dat zijn wangen ingevallen waren en zijn benen beefden van krachteloosheid. ‘Schaam je je niet om op mijn onderbroek te azen? Hebben jullie niet iets beters te doen’, schreeuwde hij als we te lang aan zijn hoofd zeurden.
De onderbroek, ooit witter dan wit katoen, ligt nu in het migrantenmuseum. Vergeeld en versleten. De door Ramazan zo zorgvuldig aan de onderbroek genaaide lappen zak valt er bijna van af. Maar geloof me, de onderbroek straalt het geluk uit van een verouderde rijkaard die heeft genoten van geld.
‘Meneer Ramazan, schenk die onderbroek aan het migrantenmuseum’, schreeuwde ik een keer. ‘Of wil je er nog steeds geld mee vervoeren?’ De oude man werd opeens emotioneel en knikte, zich als een kind schamend, met zijn hoofd. Hij wilde dat nog steeds doen, ja. Op dat moment kwam zijn schoondochter naar hem toe, bukte enigszins en liet Ramazan het puntje van haar bh zien. ‘Je zoon brengt het zwarte geld in mijn bh naar het moederland’, fluisterde ze tegen haar schoonvader.
Ramazans ogen glinsterden, hij overhandigde de onderbroek aan mij en was zo blij dat hij een onthulling deed: ‘Ik wilde aan het worsteltoernooi meedoen en ging in de rij staan waar de mannen gewogen werden. Pas aan het einde van de rij zag ik dat de mannen tijdens het wegen alleen een onderbroek aan mochten hebben. Toen wist ik dat ik niet mee kon doen en verliet eerst die rij en daarna het moederland. Mijn onderbroek was zo oud, zo versleten en zo verscheurd dat die niet eens mijn billen bedekte, jongens…’
Het werd niet helemaal stil in de kamer omdat de televisie, zoals in elke migrantenwoonkamer, aanstond. Ik had een onderbroek in de hand die als een kind was dat na een miskraam ter aarde wordt gebracht om de pijn van de moeder te verzachten.