‘Onderduikroman’ van Jacques Presser

De onderduikende mens

Historicus Jacques Presser, auteur van het beroemde Ondergang, schreef tijdens zijn onderduik in de oorlog een roman. Het boek, Homo submersus, een ‘indirect egodocument’, wordt pas nu uitgegeven, veertig jaar na Pressers dood.

Mijn eerste ontmoeting met Jacques Presser dateert van meer dan veertig jaar geleden, toen ik verpletterd was door het lezen van Ondergang, net als velen indertijd, en de Vara voorstelde een filmportret van de auteur te maken. Presser was direct bereid zich in te zetten voor een ‘audiovisueel egodocument’, zoals ik hem voorstelde. Het werd een intensieve samenwerking met gesprekken op de band en filmopnamen. Maar plotseling werd hij ernstig ziek, moest worden geopereerd, en overleed kort daarna, terwijl ik nog bezig was de film te monteren. De uitzending, gepland voor de meidagen 1970, werd een postume hommage.
Indertijd werd Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945 door Nederlandse vakgenoten met veel kritiek overladen: het boek was te emotioneel, te nadrukkelijk subjectief. Het was wetenschappelijk gebrekkig, omdat het geen notenapparaat bevatte. Presser kwam vaak met tegenwoordig als achterhaald beschouwde marxistische analyses.
En dan was er de Weinreb-affaire, die Presser met zijn hoofdstuk in Ondergang op gang bracht. Hij had gesteld dat de na de oorlog als joodse collaborateur veroordeelde Weinreb de zondebok was geweest voor het falen van veel niet-joden én joden tijdens de oorlog. Presser wees als eerste op het thema collaboratie of verzet. Dit veroorzaakte in het begin een bijna hysterische pro-Weinreb-rage in de media. Maar dat draaide snel om, mede onder invloed van W.F. Hermans, die zich als een felle Weinreb-aanklager ontpopte. Toen in 1976, zes jaar na Pressers dood, een voor Weinreb vernietigend rapport van het Niod verscheen, begon Pressers reputatie als historicus zowel onder vakgenoten als bij het grote publiek te wankelen. De nieuwe communis opinio was even onvoorwaardelijk tégen als zij indertijd vóór Weinreb was geweest.
Na de publicatie van Ondergang in 1965 was Presser vele jaren lang een van de meest gelezen en geciteerde Nederlandse historici, maar de laatste twintig jaar is die populariteit duidelijk verminderd. Bepaalde aspecten van Ondergang worden tegenwoordig weliswaar erkend als pionierswerk in de geschiedschrijving, zoals Pressers veelvuldig gebruik van 'egodocumenten’, waarbij hij ook zichzelf als subject introduceerde (in 2002 werd Presser bij een internationaal colloquium over egodocumenten in Rotterdam zelfs geëerd als de geestelijke vader van de 'egodocumentenschool’ en als de uitvinder van het woord 'egodocument’). Maar de herdruk van Ondergang in 2005, veertig jaar na de eerste druk, kreeg geen medewerking van het Niod, de opvolger van het Riod, dat de eerste uitgave had verzorgd. Er kwamen vrijwel geen persreacties, behalve een melancholieke hommage van Jan Blokker, 'Monument uit vervlogen jaren’, die met een vraag in mineur eindigde: 'De twee banden Ondergang zien er kloek uit. Zou iemand het zonder de geuren, kleuren, smaken en bijgeluiden van de jaren zestig nog willen lezen?’
Het boek werd volgens de uitgever redelijk goed verkocht, maar het kwam niet tot de hoge verkoopcijfers van vroeger, die jarenlang in de tienduizenden hadden gelopen. Pressers Ondergang was 'uit’, en volgens historici die vandaag de toon aangeven achterhaald door latere, wetenschappelijk betere publicaties. In de laatste twintig jaar heeft zich een nieuwe school historici opgeworpen die zich verzette tegen het te moralistische 'zwart-wit-denken’ van Presser en zijn oud-leerling Loe de Jong.

Opvallend is dat internationaal een tegengestelde ontwikkeling plaatsvond. Presser is vandaag de dag een van de weinige Nederlandse historici die buiten onze taalgrens gelezen worden, sinds een verkorte versie van Ondergang in 1968 in het Engels verscheen onder de titel Ashes in the Wind, the Destruction of Dutch Jewry. Het wordt internationaal erkend als een van de belangrijke bijdragen aan de geschiedschrijving over de shoah. Het is ook dankzij Ashes in the Wind dat de idealiserende visie in het buitenland, tot in Israël toe, van een filosemitisch Nederland, dat Anne Frank had helpen onderduiken, plaatsmaakte voor een kritischer houding: waarom was de jodenvervolging in Nederland zoveel effectiever geweest dan in welk ander West-Europees land ook?
The Jewish Chronicle uit Londen verbaast zich, naar aanleiding van de recente herdruk van Ashes in the Wind, over de Nederlandse kritiek indertijd op Pressers emotionaliteit en zijn gebruik van persoonlijke getuigenissen, en verwijst naar Saul Friedländers Nazi Germany and the Jews, dat juist om de introductie hiervan wereldwijd geprezen wordt.
Dat Ondergang standhield, komt, behalve door de explosieve inhoud, vooral door wat Presser zelf over het schrijven ervan verklaarde: 'Dit boek is niet met inkt maar met bloed geschreven.’ Presser was, zoals zijn biografe, de historica Nanda van der Zee, hem karakteriseerde, 'de literator van de geschiedenis’, al werd hij zelden als zodanig erkend. Karel van het Reve constateerde in het 'In Memoriam’ van zijn oud-leraar aan het Amsterdamse Vossius Gymnasium: 'Zijn collega historici schudden het hoofd over zijn bizarrerieën. De literatoren lieten hem links liggen.’
Presser had van jongs af aan literaire ambities, al publiceerde hij maar één gedichtenbundel, Orpheus en Ahasverus, en één novelle, De nacht der Girondijnen, die bij verschijnen in 1957 een meteoorachtig succes had, met vertalingen in ongeveer tien talen, de Italiaanse uitgave met een diepgaand voorwoord van Primo Levi, die het boek bovendien zelf uit het Duits vertaalde. Levi beschouwde De nacht der Girondijnen als een van de zeldzame hoogtepunten van de West-Europese joodse literatuur.
Maar in Nederland wist de kritiek niet goed raad met dit buitenbeentje in het Nederlandse literaire landschap, terwijl het toch als anonieme inzending voor het boekenweekgeschenk de eerste prijs had gewonnen. In mijn nawoord bij De nacht der Girondijnen analyseer ik het spel tussen fictie en non-fictie, waarmee Presser in 1957 literair gezien een pionier was, een terrein dat pas eind jaren zestig literair werd geëxploreerd.
Pressers sonnetten, vaak opgedragen aan zijn in Sobibor vermoorde vrouw Dé, worden meestal als 'egodocumenten van een overlevende’ beschouwd. Karel van het Reve schrijft erover: 'Presser, die zichzelf maar een laf mannetje vindt, moet geprezen worden om zijn moed: de moed om wat hij denkt en voelt op te schrijven zonder zich te conformeren aan de levenshoudingen en stijlen die in de mode zijn.’
Presser vatte zijn geschiedschrijving op als literair auteur, en De nacht der Girondijnen beschouwde hij ook als geschiedschrijving, al bevatte het fictieve elementen. Karakteristiek voor de vermenging van fictie met non-fictie in De nacht der Girondijnen is dat Presser het leven in het doorgangskamp Westerbork in de ik-vorm beschrijft, terwijl hijzelf in de onderduik had gezeten. Hij had bij het voorbereiden van Ondergang in het Riod alle documenten over Westerbork gelezen. Zoals Presser zelf stelde: het was geschiedschrijving, want alles stond in de documentatie, niets was 'verzonnen’, behalve de ik-persoon en het verhaal.

En nu verschijnt, veertig jaar na Pressers dood, een nooit gepubliceerde roman van hem, Homo submersus. Ik citeer opnieuw Karel van het Reve: 'Tijdens de oorlog liet de ondergedoken Presser mij zijn boek Homo submersus lezen. Ik vond het prachtig. Het is een onderduikersverhaal (…) Na de oorlog heb ik Presser gevraagd waarom hij dat boek niet uitgaf. Er stonden te veel compromitterende anekdotes in over allerlei levende mensen, zei hij. Maar die mensen zullen nu wel langzamerhand allemaal uitgestorven zijn. Bovendien dragen zij in het boek uiteraard andere namen. Waarom dus dat boek niet uitgegeven? Het manuscript schijnt nog te bestaan.’
Jarenlang heb ik er op grond van wat Karel van het Reve schreef bij de betrokkenen op aangedrongen het manuscript boven water te brengen. Toen men het manuscript eindelijk vond en het aan de historica Dienke Hondius en mij ter inzage gaf, kwamen we tot het eensluidende oordeel: dit was een opgedolven schat, een uniek document over de onderduikjaren.
Homo submersus is net als De nacht der Girondijnen in dagboekvorm geschreven, maar met een andere exploratie van de grenzen tussen fictie en non-fictie. Zoals Presser in Ondergang aangeeft: er bestaat een vrij grote onderduikliteratuur, in de vorm van authentieke dagboeken, maar er is weinig fictie over. Het unieke van Homo submersus is dat het verhaal niet alleen over de onderduik gaat, maar dat het ook tijdens Pressers onderduik, in de oorlog is geschreven. Toch is het geen dagboek van een onderduiker, want het is een fictief verhaal door een fictieve onderduiker, die niet Presser zelf is, al lijkt hij veel op hem.
Anders dan in De nacht der Girondijnen beschrijft hij hier wél zijn eigen ervaringen. 'Niets lag den schrijver verder dan het leveren van een sleutelroman’ staat echter in de aanhef, en de knappe analyse van Nico Markus in zijn inleiding bij Homo submersus bevestigt dat Presser niet samenvalt met het personage dat zijn dagboek schrijft, al zijn er talloze aanknopingspunten. Homo submersus is een 'fotomontage’, stelt Presser in een brief tijdens de onderduik.
Homo submersus contrasteert ook wat stijl aangaat met De nacht der Girondijnen, dat in een koortsachtige, gejaagde dagboekstijl is geschreven, maar ook met directe observaties rond het wekelijkse dramatische gevecht in Westerbork om niet met 'de trein’ mee te hoeven. Het is een verhaal geschreven ná de shoah, met de kennis die Presser in 1957 had van het gruwelijke einde van de gedeporteerde joden. Homo submersus is geschreven vóór de shoah, en heeft, ondanks de levensbedreigende situatie waarin de hoofdpersoon en zijn medeonderduikers verkeren, een lichte, satirische toon, die past in de Nederlandse traditie van Woutertje Pieterse en Elsschot. De laatste las Presser in die tijd vol bewondering, zoals uit een brief uit zijn onderduiktijd blijkt: 'Hij schrijft een bits en kernachtig Nederlands en legt daarin zijn gekwetste ziel, gemarteld door een grandioze bitterheid om de dwaasheid en kleinheid van het mensdom.’
Homo submersus past op een merkwaardige manier in een Hollandse romantraditie, met veel gesprekken aan tafel, bijna altijd binnenskamers, wat voor de onderduikers een gedwongen eentonig opgesloten zijn betekende, 'vol verstikt verdriet’, en geen gezapig provinciaal bestaan, zoals dat vaak in Nederlandse romans wordt uitgebeeld.
Het hoofdpersonage, met als onderduiknaam 'Kobus’, houdt elke dag zijn dagboek bij, dat hij in een leerboek voor biologie verbergt 'voor het geval dat’. Hij beschrijft de slaafse afhankelijkheid van zijn gastheer Wim en zijn vrouw Rika, hoe goed die het ook bedoelen.
Een contrapunt vormen de verhalen die Kobus aanhoort, vaak van zijn gastheer Wim, de organisator van de 'Onderduikelingentrust’, of van medeonderduikers, soms bezoekers, maar ook door brieven die hij ontvangt met berichten en geruchten uit Den Haag, Amsterdam en Westerbork over het verloop van de jodenvervolging. Het eentonige binnenskamers-leven wordt daarmee doorbroken en krijgt een ruimer perspectief. De brieven zijn waarschijnlijk gebaseerd op reële post die Presser 'van buiten af’ via koeriers kreeg. Maar er staan ook vaak ervaringen van Presser zelf in, zoals hoe hij en zijn vrouw opgepakt werden bij een razzia en moesten wachten op het schoolplein in de Euterpestraat waar Aus der Fünten de selectie deed, en Presser en zijn vrouw Dé op het laatste moment pas weg mochten.
Opvallend is dat de hoofdpersoon Kobus zich gedurende het hele boek vaak tot 'Karel’ richt. 'Waarom dit dagboek? Vooral als afleiding, als experiment. En verder op vererend verzoek van Karel, die zijn dissertatie wil wijden aan de “Onderduikeling als sociaal verschijnsel” of zoiets, en materiaal nodig heeft, liefst zoals hij het noemt, Roentgenfoto’s.’ Het is een duidelijke hint naar Pressers eigen artikel uit 1939 'Het antisemitisme als historisch verschijnsel’ in de bundel Antisemitisme en jodendom.
De 'Karel’ in de roman lijkt geïnspireerd op Pressers oud-leerlng, met wie hij als onderduiker brieven uitwisselde. Maar in de roman is Kobus een leeftijdgenoot van Karel, die uiteindelijk besluit Homo submersus níet aan Karel te geven. 'Ik geloof inderdaad dat ik dit dagboek met al zijn intieme bijzonderheden maar niet bij Karel moet laten onderduiken (…) wil ik het niet vernietigen dan moet het op een betrouwbaarder adres dan Karel zijn.’ In werkelijkheid liet Presser Homo submersus wél bij Karel 'onderduiken’.
Presser richtte zich in zijn dagboek tot een imaginaire vriend, 'Karel’, net als Anne Frank zich tot haar imaginaire vriendin 'Kitty’ richtte, terwijl ze haar dagboek in een nieuwe versie een fictie-element gaf. Bij Presser was het dagboek op zichzelf al fictief. Het is opvallend dat beiden in de onderduik een analoog literair procédé toepasten, zonder dat ze iets van elkaar afwisten. Dit tekent volgens mij de onderduiksituatie, waarbij men in zijn opgesloten eenzaamheid een imaginaire vriend of vriendin zoekt om tegen te kunnen spreken.

Presser beschrijft vaak zijn eigen soms tragikomische, tegelijkertijd pijnlijke onderduikervaringen: een boer, vertegenwoordiger van het schoolbestuur, komt onverwacht op bezoek terwijl hij niets mag weten. Kobus vlucht ijlings van tafel naar boven. 'Ik moest blijven staan en natuurlijk onbeweeglijk, zolang Hartkamp in de kamer was (…) Maar het onuitstaanbare was de houding van Wim. Wat het in hem was, weet ik niet, maar hij rekte het gesprek, dat in een kwartier uit had kunnen zijn, eindeloos (…) Vind je me erg kinderachtig, Karel, als ik je opbiecht dat de tranen me in de ogen stonden? Niet alleen van kwaadheid, maar om de vernedering; dat moet je je als duikeling laten welgevallen, daar heb je nu de degratie.’
Als onderduiker zag Presser hoe bekende antisemitische vooroordelen over 'joodse geldzucht’ zelfs gangbaar waren bij de 'trust’, die de hulp aan joodse onderduikers organiseerde. Tegenover het voortdurend zinspelen op de 'joodse geldzucht’ beschrijft Presser uitvoerig de geldzucht bij veel boeren, voor wie de joodse onderduikers vaak niet meer dan melkkoeien zijn.
De gastheer Wim, de leider van de 'Onderduikelingentrust’, is christelijk hoofdonderwijzer en vrouwenversierder. Het is een grandioos portret, Balzac waardig, in zijn complexe tegenstrijdigheid. Wim is stoutmoedig geëngageerd, edelmoedig, maar ook egoïstisch. Hij is openhartig eerlijk, maar ook wat achterbaks; hij is een filosemiet maar ook een beetje antisemitisch. Hij maakt zijn uitstapjes naar Amsterdam vanuit idealisme om joden uit de greep van de nazi’s te redden, maar ook om de opwindende vrouwenavonturen die hij daardoor beleeft.
Als Kobus van Wim hoort over de dood van een joodse onderduikster die abortus had gepleegd, terwijl Wim de vader blijkt te zijn geweest, schrijft hij in zijn dagboek: 'Wat had ik moeten zeggen, Karel? (…) jij kwam nog op de vergelijking dat mensen in deze omstandigheden even vanzelfsprekend de conventionele gewoonten en bindingen afstropen, alsof ze zich op een zinkende oceaanstomer bevinden, waar je immers alle gêne aflegt.’
Een tweede hoofdpersonage is Truus, die aan Kobus is voorgesteld als een nichtje: 'Zo weggelopen uit Frans Hals, vol natuurlijke levenslust, die een beetje op me inwerkt als zonneschijn.’ Tot hij na een vertrouwelijk gesprek ontdekt dat ze ook een onderduikster is, en in zijn dagboek noteert: 'Truus, de blonde potige boerenmeid, is een roos van Sara. Een Amsterdamse Jodin! Ben ik even een sufferd dat ik daar niets van heb gemerkt? (…) “En wat zeg je van mijn haar?” Toen keek ik extra stom. Een ongeluksdag vandaag. “Opgebleekt!”’

Er is een aantal thema’s door het dagboek heen geweven. 'Kobus’, die kunstgeschiedenis heeft gestudeerd, begint aan een studie over Vermeer, en noteert bij de voortgang van zijn tekst: 'Nicht versagen. Dit werk is voorlopig mijn antwoord op het niets.’ Stadmens Kobus wordt langzamerhand opgeslorpt door het typisch Hollandse landschap om hem heen, wat hij associeert met zijn liefde voor de Nederlandse schilderkunst uit de Gouden Eeuw. Hiermee beschrijft Presser zijn eigen verbondenheid met Nederland. In zijn discussies met onderduikster Truus stelt Kobus dat als houvast tegenover haar zionistische ideaal om na de oorlog naar Palestina, Jeruzalem te gaan. Kobus/Presser blijft verbonden met Nederland, ook al is datzelfde Nederland nu voor hem 'een jungle geworden’.
Een tweede thema is dat Kobus een onlangs verschenen boek, De Tachtigjarige Oorlog, 'van een mij onbekend auteur’, leest. Opnieuw een literair spel: het gaat om het boek waarvan Presser in de eerste oorlogsjaren een groot deel schreef, en dat onder pseudoniem uitkwam omat hij als jood niet mocht publiceren. Presser werkt hiermee de parallel uit tussen het verzet van de Geuzen indertijd tegen de Spaanse repressie en het huidige verzet van de onderduiktrust tegen de jodenvervolging. Een ander Leitmotiv is het thema van het jodendom, zoals de referentie aan 'Jesaja, met de roeping van Israël te lijden voor de mensheid’. Het zijn vaak dramatische, poëtische passages, die contrasteren met de verder meestal satirische beschrijvingen. Ze verwijzen naar een joodse lotsverbondenheid: 'Ik zag ze door de roggevelden trekken als door een zee, de Rode Zee, een heel volk, een dolend volk, een lijdend, gemarteld en vertrapt volk.’
In Homo submersus zijn verscheidene van Pressers belangrijke thema’s via discussies terug te vinden, zoals die van geloof-ongeloof, assimilatie-zionisme, filo- en antisemitisme, communisme-kapitalisme, christendom-jodendom, inclusief een felle anti-Napoleon-tirade, bijna een synopsis van zijn eigen boek over Napoleon, dat hij kort voor de oorlog had voltooid, en dat pas na 1945 zou verschijnen.

In 'Homo submersus’ is nog weinig te vinden van het onheilsbesef dat in De nacht der Girondijnen en Ondergang heerst. Het is alsof Presser, in afweer tegen zijn situatie, het wapen van de ironische, nuchtere afstand hanteert. Hierin past hij in een joodse literaire traditie, zoals Primo Levi ook al herkende in De nacht der Girondijnen: de joodse humor als afweer en wapen. Presser leefde nog in de sfeer van de zorgeloze huwelijksjaren met Dé, die vol van speelsheid en levenslust waren geweest. Het is alsof Dé er nog is, en zijn stijl mede beïnvloedt, ook al is ze al naar Westerbork gestuurd.
Dat is de grote cesuur tussen Homo submersus en De nacht der Girondijnen. De onderduikroman is gevuld met hoop op het terugvinden van Dé. Het boek eindigt optimistisch met een geplande vlucht naar Zwitserland. Niet voor niets zijn de laatste woorden: 'Voor mijn lieve Dé’. De nacht der Girondijnen eindigt met het imaginaire vertrek van de hoofdpersoon als strafgeval in de trein samen met Dé naar de zekere dood in de gaskamer.
Waarom heeft Presser na de oorlog besloten deze roman niet te publiceren? Het is interessant dat hij dat kort na de bevrijding wel geprobeerd heeft, maar na de afwijzing van een uitgever er nooit meer op is terugkomen. Nico Markus stelt dat het nieuws van de dood van zijn vrouw Dé hem de lust moet hebben ontnomen Homo submersus nog uit te geven.
Maar er zijn meer redenen. In het laatste jaar van zijn onderduiktijd schreef Presser in een brief: 'Mag men de werkelijkheid eigenlijk wel beschrijven? In haar volle, volledige onverbiddelijkheid? (…) Mag men bij voorbeeld een zwakkeling in zijn zwakke ogenblikken weergeven, het gevaar beseffend dat hij herkend wordt? Ik heb dat inderdaad gedaan en dat heeft een vrij sterke ontstemming teweeggebracht bij enkele lieden wien ik heb het laten lezen.’ Daarmee wordt Pressers antwoord aan Karel van het Reve bevestigd: hij kon en wilde zowel ex-onderduikers als ex-gastheren sparen, en vermijden dat ze zich in zijn satirische portretten zouden kunnen herkennen.
Het heeft ook te maken met het feit dat Presser langzamerhand de omvang van de ramp die de joden was overkomen in al zijn dimensies ging beseffen. En in het licht daarvan zou de publicatie van zo'n roman indertijd, en lange tijd na de oorlog, misplaatst zijn.
Ik denk dat we inderdaad 65 jaar hebben moeten wachten voor Homo submersus kon worden gepubliceerd. En dat brengt me op de vraag in hoeverre dit boek een roman is en in hoeverre egodocument. In vergelijking met directe egodocumenten, zoals de dagboeken van Anne Frank of Etty Hillesum, zou je het een indirect egodocument kunnen noemen, omdat het als fictie is geschreven. Ik denk bij fictie aan de verhalen van Marga Minco of aan Komödie in Moll van Hans Keilson, waar Presser zijn bewondering voor uitte. Maar beiden schreven hun verhalen retrospectief, na de oorlog, terwijl Presser zijn manuscript na de onderduik niet meer heeft aangeraakt.
Presser noteert zelf aan het slot van Homo submersus dat hij de roman één keer in klad heeft geschreven en daarna één keer heeft overgetypt, en dat tijdens zijn onderduik. Het wijst erop dat het boek tegelijkertijd zijn toevlucht en houvast was in een onleefbare situatie. Maar ik vind twee versies voor een roman wel weinig. Het is bekend dat Presser zowel zijn boek over Napoleon als dat over Amerika na de oorlog grondig heeft bewerkt, al of niet onder druk van uitgevers. Volgens mij is Homo submersus een 'onvoltooide roman’ omdat Presser het manuscript later niet meer heeft kunnen of willen bewerken.
Ondanks de unieke aspecten kleven er ook zwakheden aan: de roman is af en toe te lang, te veel uitgesponnen, en tegen het slot met de geplande vlucht van het hoofdpersonage naar Zwitserland verliest het verhaal spanning. De verder zo realistische roman vervluchtigt in een irreëel aandoende, euforische hoop op ontsnapping, op zichzelf interessant voor de gemoedstoestand van de onderduiker Presser. De werkelijkheid was minder rooskleurig, en als hij die had beschreven zou dat overtuigender zijn geweest: op dezelfde dag van het geplande vertrek in de roman moest Presser na verraad halsoverkop het huis uit vluchten, en naar een ander onderduikadres worden gebracht.
Ik veronderstel dat Presser na de oorlog bij het lezen van veel authentieke, dramatische getuigenissen tijdens de voorbereiding van Ondergang moet hebben gedacht: wat doe ik hiernaast nog met mijn onderduikroman? Samen met zijn depressie na de dood van zijn vrouw Dé legde dat op Homo submersus een verlammend taboe. Hij moet hebben beseft dat de roman als zodanig niet 'af’ was, en dat hij er opnieuw aan zou moeten werken, maar daar had hij de kracht en de wil niet meer voor. De paradox is dat het boek, juist omdat het als roman een 'ruwe diamant’ is gebleven die na de oorlog niet is bijgeslepen, als egodocument een extra grote waarde heeft.
Presser is waarschijnlijk af en toe blijven spelen met de gedachte Homo submersus toch te publiceren, want zoals hij me vertelde had hij het manuscript aan Johan Polak gegeven. 'Ik wil niet dat het gedrukt wordt’, voegde hij eraan toe. Maar Johan Polak had zijn poëzie en een keuze uit zijn artikelen uitgegeven. Was het toch niet een wissel op de toekomst? Ik durf met de hypothese te komen dat de auteur vandaag, anno 2010, met een kleine glimlach zijn postume fiat aan de huidige publicatie zou geven.


Jacob Presser (1899-1970)

1899 geboren in Amsterdam. Zoon van Gerrit Presser, diamantversteller, later diamanthandelaar, en Aaltje Stempel. Presser was afkomstig uit een arm joods gezin waarin het geloof aan het opkomend socialisme een grote rol speelde.
1919 een particuliere studiebeurs stelde hem in staat om zich eerst voor te bereiden op het staatsexamen gymnasium-A en vervolgens geschiedenis en Nederlands te studeren aan de Universiteit van Amsterdam.
1926 benoemd tot leraar aan het pas opgerichte Vossiusgymnasium te Amsterdam.
1936 trouwde met Debora Suzanna Appel (Dé), die in maart 1943 in Sobibor overleed. Hij hertrouwde in 1954 met Bertha Hartog. Beide huwelijken bleven kinderloos.
1939 Antisemitisme en Jodendom.
1941 De Tachtigjarige Oorlog (1941), gepubliceerd onder naam van B.W. Schapers wegens publicatieverbod voor joden.
1943-1945 onderduik.
1945 publicatie dichtbundel Orpheus en Ahasverus onder het pseudoniem J. van Wageningen.
1946 Napoleon: Historie en legende.
1949 Amerika: Van kolonie tot wereldmacht.
1949 benoemd tot buitengewoon hoogleraar en op 1 augustus 1952 tot gewoon hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.
1957 verscheen de novelle De nacht der 
Girondijnen.
1965 publicatie Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 
1940-1945 in twee delen.