Norman Davies

De ondergang der Britten

In Engeland verschijnen talloze boeken over het «uiteenvallen» van Groot-Brittannië. Nu de Engelsen niet meer de Britten zijn, is er nog maar weinig waarmee zij zich kunnen identificeren.

«Dames en heren, Engeland is een

eiland.» Met het op deze zwierige wijze intrappen van een wel erg ver openstaande deur, schijnt de grote, negentiende-eeuwse Franse historicus Michelet zijn voordrachten over de geschiedenis van Engeland

begonnen te zijn. Ongetwijfeld zal het in de bedoeling van Michelet hebben gelegen om met deze ogenschijnlijk overbodige mededeling zijn toehoorders ervan te doordringen dat de geïsoleerde ligging van Engeland van invloed is geweest op zijn politieke, maatschappelijke en culturele ontwikkeling. Dat was best leuk gevonden, alleen was het niet waar. Engeland is onderdeel van het grootste eiland van de eilandengroep die we doorgaans Groot-Brittannië noemen, maar die, omdat die benaming tegenwoordig eveneens problematisch is, ook wel wordt aangeduid als de Atlantische Archipel of, zoals in de nieuwe bestseller van Norman Davies, simpelweg als The Isles. (Men ziet, hoogmoed is nog altijd een kenmerk van deze eiland bewoners, die het ook al meer dan anderhalve eeuw verdommen om hun postzegels te voorzien van een landaanduiding.)

Engeland en Groot-Brittannië, in het spraakgebruik werden ze zo lang door elkaar gebruikt dat ze, zeker in de ogen van buitenlanders, identiek leken. Net als Holland en Nederland, tot grote ergernis van bijvoorbeeld Friezen en Limburgers, vaak als synoniemen worden gezien. Vandaar de verbazing en ergernis als er op een Europees of wereldkampioenschap voetbal ineens een Engels én een Schots elftal aantraden, terwijl het in theorie mogelijk was dat ook nog teams van Wales en Noord-Ierland mee zouden doen.

Heel lang waren het trouwens in de eerste plaats de eilandbewoners zelf die Engeland en Groot-Brittannië als identiek beschouwden. Toen in de jaren dertig de veelgeprezen, meerdelige Oxford History of England begon te verschijnen, betrof het niet alleen de geschiedschrijving van Engeland, maar tevens van het gehele Verenigd Koninkrijk en zelfs het Britse koloniale rijk. Wie iets wilde weten over de vermaarde Schotse universiteiten, moest kijken onder de kop «Engelse onderwijsinstellingen». In de jaren twintig was Arthur Bonar Law, een Canadees van Schots-Ulsterse afkomst, er trots op zich «minister-president van Engeland» te noemen, net als voor hem Disraeli al had gedaan. En Walter Bagehots uit 1867 daterende standaardwerk over de verhouding tussen kroon, parlement en rechterlijke macht van het Verenigd Koninkrijk, heeft als titel The English Constitution.

Ergens, ver weg in de geschiedenis, moet er dus iets zijn gebeurd waardoor een deel van het grootste eiland uitgroeide tot pars pro toto. Hoewel de Engelsen — een onduidelijk amalgaam van Scandinavische en Germaanse stammen – historisch gezien de nieuwkomers waren in de archipel, begonnen ze de zaak al spoedig te domineren

Eco nomisch en cultureel ontwikkelde Engeland zich veel sneller en voorspoediger dan de overige delen, en toen in 1707 het Verenigd Koninkrijk tot stand kwam, was het zonneklaar dat hier geen sprake was van een vrijwillige overeenkomst tussen gelijkwaardige partners. Bij de opbouw van het enorme Britse wereldrijk mochten dan veel Schotten een belangrijke rol hebben gespeeld, het waren toch vooral de Engelsen die de koloniën gingen besturen en administreren. Het overgrote deel van de reve nuen vloeide naar gouvernementele en particuliere schatkisten in Engeland. Volgens Norman Davies was het ook vooral de vestiging van het koloniale rijk dat ervoor zorgde dat er zoiets als een Britse identiteit ontstond.

Het heeft lang geduurd eer historici ontdekten dat Engeland en Groot-Brittannië niet identiek waren. In 1965 verscheen het deel van de Oxford History of England dat de jaren 1914-1945 beschreef. De auteur van dat deel, de eigenzinnige A.J.P. Taylor, schonk in zijn inleiding ruim aandacht aan deze onterechte gelijkstelling, om vervolgens in zijn boek de beide namen toch min of meer als synoniemen te gebruiken. Negen jaar later verscheen, weliswaar in het New Zealand Historical Journal, een artikel waarin de gerenommeerde ideeënhistoricus J.G.A. Pocock ervoor pleitte nu eindelijk eens de Britse geschiedenis in plaats van de Engelse te gaan bestuderen. Uiteraard zou hierbij aandacht moeten worden geschonken aan de relaties tussen de verschillende volken die de, zoals hij het noemde, Atlantische archipel bewoonden. Hoewel de Ameri kaan se historici Richard Thompson en Hugh Kearney in de jaren tachtig beiden een boek schreven waarin dit daadwerkelijk gebeurde, leken Britse historici voort te ploeteren op de inmiddels behoorlijk uitgesleten paden. Pas aan het eind van dat decennium leek er wat te veranderen en verschenen er voorzichtig enkele academische studies waarin serieus werk werd gemaakt van de «Britse geschiedenis». Het was echter Linda Colley die in 1992 de knuppel in het hoenderhok gooide met haar geruchtmakende Britons. Het was niet in de laatste plaats de ondertitel die opzien baarde: Forging the Nation 1707-1837. Het werkwoord «to forge» betekent immers niet alleen «smeden», maar ook «bedrieglijk (na)maken», het plegen van «valsheid in geschrifte». Colley laat zien dat het ontstaan van de Britse natie in de achttiende eeuw het gevolg was van een combinatie van deze drie zaken.

Oorlog speelde een belangrijke rol bij het ontstaan van een Britse nationale identiteit. In de 126 jaar tussen 1689 en 1815 was Groot-Brittannië zeven keer, en gedurende in totaal 58 jaar, in oorlog met Frankrijk. Ook de jaren waarin er officieel geen oorlog was, kenmerkten zich door een permanente rivaliteit om de koloniën en uitbreiding van de invloedssfeer. Tot en met de eerste helft van de achttiende eeuw hadden de oorlogen met Frankrijk ook een sterk religieus karakter, aangezien dat land er steeds op uit was een van de katholieke troonpretendenten uit de Stuart-dynastie in het zadel te helpen. Daarna waren het vooral economische en, sinds het uitbreken van de Franse Revolutie, politieke motieven die een rol speelden. De in 1707 ontstane natie werd dus permanent bedreigd door oorlog. Vandaar dat de overheid poogde de bevolking te mobiliseren door het aankweken van een saamhorigheidsgevoel. Er werd constant propaganda voor Groot-Brittannië gemaakt.

Omgekeerd hadden echter ook veel burgers belang bij een toenemend patriottisme, aangezien dat verschillende groepen de mogelijkheid bood om politieke rechten te verwerven. Britse vaderlandsliefde werd een soort entreebiljet voor het staatsburgerschap. Zo werd er van beide zijden in hoge mate gedaan «alsof», zo sjoemelden zowel regering als burgers met de geboorteakte van de Britse natie. Toch was het volgens Colley niet allemaal fake en begon men er langzamerhand ook werkelijk in te geloven. De Britten begonnen zichzelf immers steeds meer te definiëren in tegenstelling tot «de Ander». Als protestanten zetten zij zich sterk af tegen de katholieken. Tegelijkertijd wensten zij zich te zien als duidelijk anders dan die onbetrouwbare, decadente, militaristische en onvrije Fransen. Tenslotte leidde het optreden in de koloniën tot een duidelijk onderscheid tussen de blanke Britten en de onbeschaafde, inferieure inheemse volken. De Britse identiteit was dus niet het gevolg van een binnenlandse politieke of culturele consensus, maar een reactie op wat Colley noemt «the Other beyond their shores».

Dat aan het begin van het Victoriaanse tijdperk een duidelijke Britse identiteit was ontstaan, wilde echter niet zeggen dat andere, oudere loyaliteiten niet meer bestonden. Zo bleef de identiteit van Schotland, Wales, Ierland en Engeland bestaan. De Britse loyaliteit was in feite een «overkoepelende» identiteit, noodzakelijk om zich de «Ander» van het lijf te houden. Nu het voor Groot-Brittannië als lid van de Europese Unie niet meer mogelijk is zich fel af te zetten tegen de andere lidstaten, nu de snel voortgeschreden secularisatie het antipapisme tot een muse umstuk heeft gemaakt, lijken de bestaans redenen van de Britse identiteit verdwenen. In zijn magistrale overzichtswerk The Isles is Davies nog veel duidelijker: door het uiteenvallen van het British Empire heeft het United Kingdom zijn raison d'être verloren.

Wat de historici tijdens hun in tijdschriften en op symposia gevoerde debatten lang zamer hand begonnen te ontdekken, had the man in the street al veel langer door. In Wales en Schotland was het nationalisme nooit geheel uitgestorven en werd het in de tweede helft van de twintigste eeuw juist steeds sterker. Eigenlijk was buiten Engeland de Britse nationaliteit alleen door de protestanten van Noord-Ierland volledig geïnternaliseerd. Maar daar heeft de «Ander» nog een duidelijk en bovendien katholiek gezicht. Het nationalisme van de Welshmen was over het algemeen sterk cultureel van karakter en uitte zich vooral in het koesteren van de Kel ti sche cultuur. In Schotland daarentegen bleef het niet alleen bij het rondlopen in belachelijke rokjes en het hemeltergende gekrijs der doedelzakken; daar organiseerden de nationalisten zich in de Scottish National Party, waarvan de archetypische macho Sean Con nery een der voornaamste boegbeelden is.

Dit nationalisme werd niet in de laatste plaats gevoed door de eeuwenoude, schrijnende Engelse arrogantie. Toen in de achttiende eeuw aan de fameuze Dr. Johnson werd gevraagd of hij niet van mening was dat er voor Schotland mooie en grootse vooruitzichten waren, was deze best bereid dit te bevestigen. Maar volgens de grootste geleerde van zijn tijd gold dit ook voor Noorwegen en Lapland en was het mooiste vooruitzicht voor een Schot «the high road that leads him to England». Naast dit Engelse superioriteitsgevoel speelden echter ook meer materiële zaken een rol. De economische crisis van de jaren zeventig van de vorige eeuw kwam in de buitengewesten harder aan dan in het hart van Engeland. Terwijl de olie die in het aan Schotland grenzende deel van de Noordzee werd gewonnen, en in het Schotse Aberdeen aan land werd gebracht, kapitalen opleverde, profiteerden de Schotten daar nauwelijks van. De baten vloeiden grotendeels weg naar de regering in Londen.

Hoewel nationalisme over het algemeen getuigt van een nogal behoudende instelling, waren het niet de Conservatieven die profiteerden van de Schotse onvrede. De onder de ijzeren partijdiscipline van Thatcher zuchtende Tories identificeerden zich voornamelijk met het Groot-Brittannië dat wel zijn wereldrijk maar niet zijn pretenties had verloren. Het waren de SNP en Labour die hier garen bij sponnen, en zodoende kon het gebeuren dat bij de verkiezingen van 1997 geen enkele Schotse Tory plaats kon nemen in het Lagerhuis. Uiteindelijk besloot de regering-Blair in 1999 akkoord te gaan met de instelling van een eigen Schots parlement en de invoering van beperkte autonomie.

Het gestaag afbladderen van de Britse identiteit en het succes der Schotse nationalisten heeft veel Engelsen het gevoel gegeven met lege handen achter te blijven. De Engelsen hadden zich zo lang vereenzelvigd met Groot-Brittannië en nog het liefst met het British Empire dat het bijzonder zuur is te merken dat van beide weinig meer over is. Bovendien was er hierdoor nauwelijks nog sprake van een Engelse identiteit. Als de over het algemeen nogal ironisch ingestelde Engelsen zich al eens overgaven aan een bevlieging van nationalisme, dan zwaaiden ze met de Union Jack en zongen ze God Save the Queen of Rule, Brittannia. Van een specifiek Engels nationalisme was geen sprake. Vandaar dat het verbazing wekte dat Engelse supporters zich tijdens het Europees Kam pioenschap voetbal van 1996 tooiden met de vlag van St. George, die sinds hij was geïncorporeerd in de Union Jack eigenlijk vergeten was. Naast handige middenstanders sprongen de tabloids in het gat in de markt en in 1997 besteedde The Sun voor het eerst veel aandacht aan St. George’s Day.

Inhoudelijk stelde dit allemaal bitter weinig voor, maar het was wel een symptoom van een blijkbaar in brede kringen gevoelde behoefte aan een eigen, Engelse identiteit. Vandaar dat na enige tijd ook de serieuze pers en tal van intellectuelen zich met dit vraagstuk gingen bemoeien. Momenteel regent het in Engeland dan ook essays en boeken waarin het uiteenvallen van Groot-Brittannië en het mysterie van de Engelse identiteit centraal staan. Een opvallende plaats in dit debat wordt ingenomen door de journalist Peter Hitchens, die bijvoorbeeld in zijn recensie van The Isles Norman Davies verwijt dat hij munitie levert aan de eurofielen en zich fel afzet tegen de in zijn ogen anti-Britse Linda Colley.

Deze recensie, in het zomernummer van het conservatieve Amerikaanse kwartaalschrift The National Interest, was echter zeer genuanceerd in vergelijking met Hit chens’ vorig jaar verschenen boek The Abolition of Britain. Als Oswald Spengler die titel in 1918 al niet had gebruikt, had Hit chens’ boek beter Der Untergang des Abend landes kunnen heten. Het verdriet en de woede die in dit boek van elke bladzijde druipen, gelden eigenlijk niet zozeer specifiek Groot-Brittannië als wel de verloren gegane, grotendeels rurale standenmaatschappij die tot aan het begin van de twintigste eeuw kenmerkend was voor geheel West-Europa. Het is de nostalgie naar een overzichtelijke samenleving waarin het Kwaad zich nog niet manifesteerde in zijn vele hedendaagse gedaanten, zoals daar zijn homoseksualiteit, vrouwenemancipatie, arbeidersbeweging, Europese Unie en ga zo maar door. Hitchens heeft een groteske aanklacht geschreven tegen de «culturele revolutie» van de jaren zestig. Was deze in China geleid door Mao Zedong, in Groot-Brittannië stond deze allesverwoestende omwenteling onder aanvoering van de ogenschijnlijk zo gematigde en beschaafde politicus en latere Europees Commissaris Roy Jenkins! Als jong en ambitieus parlementariër had deze begin jaren zestig de aanval ingezet op enkele pijlers van de Britse samenleving, zoals het verbod op homoseksuele handelingen, stringente echtscheidingsbepalingen en vooral de doodstraf. Als we Hitchens mogen geloven is het vooral de afschaffing van de doodstraf geweest, in december 1964, die ervoor zorgde dat het met Groot-Brittannië bergafwaarts ging. Met het verdwijnen van «the shadow of the gallows» leek de Britse samenleving van haar ankers geslagen en dreef zij willoos in de richting van misdaad, chaos en bandeloosheid. Het moge inmiddels duidelijk zijn: vergeleken met Hitchens — laat deze notoire homofoob het trouwens niet horen! — is onze eigen Pim Fortuyn een toonbeeld van genuanceerd en zindelijk denken.

Toch kan het in Engeland nog ordinairder. Daarvan getuigt bijvoorbeeld een artikel van Roger Scruton, die sinds hij is opgenomen in Wim Kayzers Pantheon der Grote Geesten hier een zekere populariteit geniet. In het speciale 1 april-nummer van de oerconservatieve Spectator, dat was gewijd aan het thema What’s wrong with England, publiceerde deze filosoof een stukje onder de titel «Don’t let Blair ruin it», dat niet anders gekarakteriseerd kan worden dan als dom, zielig en inferieur. Met gebruikmaking van adembenemende demagogie betoogt Scruton dat de Engelsen binnen het Verenigd Koninkrijk een gediscrimineerde bevolkingsgroep vormen, en dat zoiets schandalig is aangezien Engeland het meest democratische land ter wereld was, het beste rechtssysteem had, de grootste schrijver aller tijden heeft voortgebracht, en het Engels de meest flexibele en begrijpelijke taal is en de Engelsen al met al dus veel meer hebben om trots op te zijn dan de Duitsers en de Fransen, om van de Schotten nog maar te zwijgen.

Een buitenstaander zou zich inmiddels kunnen afvragen waarom die Engelsen, als ze zo geweldig zijn, dit allemaal maar laten gebeuren. Volgens Simon Heffer, in zijn boekje Nor Shall My Sword: The Reinvention of England, staan de Engelsen op het slagveld altijd hun mannetje, maar zijn ze niet zo goed in het voorkomen van oorlogen. De wijze waarop in Engeland is gereageerd op de geleidelijke afscheiding van vooral Schotland, wordt door Heffer vergeleken met de appeasement-politiek uit de jaren dertig. Het is bovendien een zeer ondemocratisch proces want de Engelse bevolking heeft zich er niet over kunnen uitspreken. Heffer is ook al zo'n rechtse journalist die werkt voor bladen als de Daily Telegraph en The Spectator, en bovendien is hij de officiële biograaf van Enoch Powell, het curieuze en briljante parlementslid dat in 1968 waarschuwde voor «the rivers of blood» die zouden volgen op de massale immigratie van mensen uit de voormalige koloniën. Het fatalisme dat Heffer zijn landgenoten toeschrijft, is ook hemzelf niet vreemd, aangezien hij niet met een strategie komt die het uiteenvallen van Groot-Brittannië zou moeten voorkomen. Maar misschien komt het toch nog vanzelf goed, want Heffer kan zich niet voorstellen dat de onafhankelijke Schotten, zonder de financiële steun van de Engelse belastingbetaler, het hoofd boven water zullen houden. En als Brussel het na een tijd zat is om voortdurend te moeten bijspringen, dan zullen de doedelzakblazers, net als in 1707, met hangende pootjes bij Engeland komen aankloppen.

Na al deze, zij het soms briljant verwoorde, rechtse borrelpraat is het boekje dat Andrew Marr maakte naar aanleiding van zijn driedelige BBC-documentaire The Day Britain Died, niet minder dan een verademing. Ook Marr constateert dat de Engelsen de zaak op zijn beloop laten: «The English follow, or decline to follow; they do not lead.» Marr is echter geen Engelsman. Hij is Schot van geboorte en heeft in Engeland gestudeerd. Hij is er altijd blijven werken en beschouwt zich primair als inwoner van Londen. Met het pistool op de borst zou hij evenwel een Schots paspoort prefereren boven een Engels. Zo ver wil hij het niet laten komen, en volgens hem zou een ander, hervormd Groot-Brittannië zeker bestaansrecht hebben. Marr pleit voor een ambitieus en daarom ook riskant plan van democratische hervormingen. Engeland zou net als de andere delen een eigen parlement moeten krijgen; het federale parlement zou niet alleen zeggenschap houden over zaken als financiën, defensie en buitenlandse zaken, maar zou tevens moeten waken over de verzorgingsstaat; en ten slotte zou de oudste constitutionele democratie ter wereld eindelijk een geschreven grondwet moeten krijgen. Als de Britten dit niet doen, eindigen ze op zekere dag «in a chilly churchyard of the mind, throwing handfuls of clay on the Union Flag».

Of de Union Jack nu blijft wapperen op The Isles of niet, de Engelsen zullen een antwoord moeten vinden op wat hun identiteit nu eigenlijk is. «Once upon a time the English knew who they were», zo opent Jeremy Paxman, de bekende presentator van het BBC-programma Newsnight en in die hoedanigheid de schrik van alle Britse politici die als de dood zijn «to be paxmanized», zijn boek je The English. Vervolgens geeft hij een opsomming van de bekende adjectieven. De beleefde, plichtsbewuste, hardwerkende, klassebewuste en flegmatieke Engelsen hadden ook lange tijd veel om trots op te zijn. En dat waren ze ook! «Being an Englishman is the greatest prize in the lottery of life», verklaar de de negentiende-eeuwse Empire builder Cecil Rhodes. Maar, met de decline and fall of the British Empire is, zoals we al gezien hebben, van die vanzelfsprekende trots niet veel overgebleven. Behalve de taal en enkele snel verstoffende tradities is er nog maar weinig waarmee de Engelsen zich kunnen identificeren.

Volgens Andrew Marr moet elke poging de Engelse identiteit te omschrijven, beginnen bij die merkwaardige notie dat vrijheid onlosmakelijk is verbonden met het platteland. «If anything is ‹essentially English› it is the retreat from authority, hiding behind the hedgerows.» Vrijheid is het zich terugtrekken op het eigen domein, het zich zoveel mogelijk onzichtbaar maken voor die vreselijke Leviathan, de centrale overheid. Het is deze verheerlijking van het platteland die steeds terugkeert in de definities van wat het is om Engels te zijn, en die bij Scruton bijvoorbeeld resulteert in een pleidooi voor de vossenjacht; de folkloristische bezigheid waarbij voor de verandering de paardenlul niet onder het beest hangt maar er bovenop zit.

Zo citeert Paxman John Major, die in 1993 in een rede zei dat ook over vijftig jaar Engeland nog steeds het land zou zijn van «long shadows on county grounds, warm beer, invincible green suburbs, dog lovers and pools fillers and – as George Orwell said – ‹old maids cycling to holy communion through the morning mist›».

Waar haalde hij deze onzin vandaan? vraagt Paxman zich af. En inderdaad, hoe kun je in een tijd van verstedelijking, globalisering en toenemend multiculturalisme blijven vasthouden aan een beeld van Engeland dat waarschijnlijk alleen heeft bestaan in romantische tv-series? Toch is de karakteris tiek die van de Engelsman wordt gegeven steeds die van de vriendelijke, fatsoenlijke, niet al te slimme, afwachtende plattelandsbewoner, die volgens Simon Heffer «veel te veel dingen vanzelfsprekend vindt». En zo lijkt Engeland aan het begin van de eenentwintigste eeuw een beetje op het boertje dat op een kwade dag midden in de grote stad is beland. Verbaasd en verontwaardigd over de drukte, het lawaai, de overdaad en de «stadse fratsen» wil hij zo snel mogelijk terug, om tot zijn schrik te ontdekken dat hij geen retourtje heeft.

Norman Davies, The Isles: A History, Macmillan, 1222 blz., ƒ125,70; Peter Hitchens, The Abolition of Britain: The British Cultural Revolution from Lady Chatterley to Tony Blair, Quartet Books, 369 blz., ƒ37,95; Andrew Marr, The Day Britain Died, Profile Books, 251 blz., ƒ34,95 (importeur Nilsson & Lamm); Simon Heffer, Nor Shall My Sword: The Reinvention of England, Phoenix, 137 blz., ƒ34,95 (importeur Van Ditmar); Jeremy Paxman, The English: A Portrait of a People, Penguin, 309 blz., ƒ37,95 (importeur Penguin Nederland).