Reportage op zee

De ondergang van de palingvissers

Een week voor het einde van het palingseizoen verbood staatssecretaris Faber van Visserij de IJsselmeervissers uit te varen. De vangst was net niet voldoende ingekrompen. De vissers zijn kwaad. «De zee» op met boze Volendammers.

Volendam, vijf uur ’s ochtends. Stilte heerst over de donkere en lege kade. De gebroeders Schilder en scheepsmaat Peter stappen zwijgend aan boord van de VD64. Slaperige gezichten, de ongewassen haren nog door de war. De indrukwekkende lunchpakketten worden in een hoek gegooid en Gerrit, Jacco en Peter verdwijnen naar het vooronder om nog wat uurtjes slaap te pakken. Patrick Schilder blijft in de kajuit. Hij start de dieselmotor en de VD64 verlaat direct de haven. «Jammer dat er geen grote golven zijn», zegt Patrick. «Hadden we met jullie landrotten nog kunnen lachen.» Die grap zal vandaag nog vaak herhaald worden.

Op het Markermeer is het pikkedonker en alleen de heldere sterrenhemel en in de verte het vage schijnsel van Lelystad zijn te onderscheiden. Er is geen levende ziel te bekennen.

Patrick vindt het wel gezellig met die landrotten in de stuurhut. Het is zo'n twee uur varen voordat de vissersboot aankomt bij het eerste «stalletje», de plek waar de palingfuiken staan opgesteld. Patrick vertelt honderduit over de sores van de Nederlandse palingvissers.

Nee, de palingvisserij is niet meer wat het geweest is. Neem nou «die razzia» van vorige maand. Staatssecretaris Geke Faber van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) verbood de vissers om de laatste week van het palingseizoen uit te varen. In 1996 was immers met de palingvissers afgesproken om in vier jaar tijd de vangst te halveren, maar die week bleek dat slechts 46 procent was gehaald. Door een week niet te vissen zou de beoogde vier procent alsnog behaald worden, zo redeneerde Faber. En dus stuurde ze vrijdags een brief naar de Vissersbond dat vanaf de maandag daarop niet uitgevaren mocht worden.

Patrick verslikt zich haast in zijn woede: «Hoe haalt ze het in haar stomme kop! Die slang heeft geen enkel benul van visserij. Je kunt op vrijdag toch niet zomaar je fuiken en netten voor de rest van de week in de steek laten? En ze denkt niet eens aan de Urkers: die werken niet op zondag, want dan zitten ze in de kerk.»

Wie die week toch uitvoer, riskeerde een boete van 25.000 gulden en bij herhaling intrekking van de vergunning voor het volgende seizoen. De Algemene Inspectiedienst en de waterpolitie controleerden met tien schepen en een rondcirkelende helikopter. In totaal werd 85 keer proces-verbaal opgemaakt, verdeeld over zestig vissers — bijna de gehele IJssel meervloot. Patrick: «Dat is toch een razzia, of ben ik nou gek? Maar het was nog niet genoeg. Ik had het toen al voorspeld: nu zet dat Haagse tuig door. En ja hoor, een week later hoor ik minister Brinkhorst op de radio zeggen dat er te veel dioxine in onze paling zit en dat het beter is om geen paling te eten. Allemaal leugens. Als er te veel dioxine in zou zitten, was ik en mijn hele familie allang dood geweest.»

Met dat rapport en de uitspraken van minister Brinkhorst (LNV) is inderdaad, op z'n zachtst gezegd, iets vreemds aan de hand. Ten eerste ging het om voorlopige cijfers en het rapport is om die reden tot op heden nog steeds niet openbaar. Toch achtte Brinkhorst het nodig de bevolking te waarschuwen om niet meer dan één IJsselmeerpaling per week te eten en al helemaal geen rivierpaling. De paling bevat overigens niet méér dioxine dan de afgelopen twintig jaar gemeten is. Brinkhorsts waarschuwing bleek dan ook meer te maken te hebben met nieuwe richtlijnen die na het schandaal met de Belgische dioxinekippen opgesteld zijn. «Het risico voor de volksgezondheid is verwaarloosbaar», stelde Brinkhorst nog, maar het kwaad was natuurlijk allang geschied — wie wil voedsel eten waar een zweem van gif omheen hangt?

Ook eigenaardig is dat Brinkhorsts advies voor de volksgezondheid betrekking had op slechts één op de vijftienhonderd Nederlanders — het deel van de bevolking dat vaker dan één keer per week paling eet. Dit zijn voornamelijk sportvissers die via hun eigen organen al lang en breed gewaarschuwd waren. De rest van Nederland eet eens in de 310 dagen paling en als met kerst de toastjes paling rondgaan, is negen van de tien keer de paling afkomstig uit kwekerijen. Die paling is brandschoon.

Voor Patrick is de zaak zo klaar als een klontje: «Pure corruptie. Waarom moest dat rapport ineens die ene week uitgebracht worden? En waarom komt een ander, onafhankelijk onderzoeksinstituut uit Rotterdam met heel andere resultaten? Mij maak je niets wijs; het is een complot van het ministerie om de palingvissers het laatste duwtje te geven. Den Haag wil de palingvissers om zeep helpen, alleen durven ze dat niet eerlijk te zeggen.»

Patrick en zijn broers zijn er niet helemaal de mannen naar om de zaken gebalanceerd en behoedzaam uiteen te zetten. Gerrit Hiemstra, secretaris bij de Nederlandse Vissersbond, doet aanmerkelijk beter zijn best. Hij moet wel, want hij voert het overleg met het ministerie. Maar het kost Hiemstra duidelijk moeite zich in te houden. Hiemstra: «Ik heb er geen woorden voor. Zonder enige vorm van overleg zomaar de visserij een week stilleggen, dat geloof je toch niet?» De Vissersbond adviseerde zijn leden om die week gewoon uit te varen, ongeacht de dreigende boetes. Hiemstra: «We betalen die boetes natuurlijk niet. Onze advocaten zijn met de zaken bezig. Schadeclaims zullen volgen.»

De gang van zaken met het dioxinerapport deugt in de ogen van de Vissersbond ook niet. Hiemstra: «Je moet in zo'n geval netjes blijven hè, dus laat ik het zo zeggen: het is een wel heel, heel toevallige samenloop van omstandigheden.»

De Vissersbond heeft behoorlijk de pest in. Deze zaterdag zou het ministerie een conferentie organiseren onder de titel «De toekomst van het IJsselmeer», maar die gaat voorlopig niet door. «Nee, dáár heb ik even geen zin meer in», zegt Hiemstra smalend. «Er is te veel hagel in de lucht. Het is onbegrijpelijk dat het ministerie het zo hard en ondoordacht gespeeld heeft. Alles wat we de afgelopen jaren aan een betere verstandhouding hebben opgebouwd, gooit het zomaar overboord. En dat alles om vier procent minder vis.»

We zijn bij het eerste stalletje aangekomen. De nevel over het water is verdwenen, de zon is nog net niet op. De dijk tussen Hoorn en Enkhuizen, waar de fuiken staan, is leeg en verlaten. Een enkele vrachtwagen raast voorbij.

De VD64 gaat voor anker. Uit het vooronder komen Gerrit, Jacco en Peter. Grote, sterke kerels die in onversneden, zo goed als onverstaanbaar Volendams de wereld met alles erop en eraan van commentaar voorzien. Of het nu om de pas gezette koffie gaat, de jongste aflevering van Toen was geluk heel gewoon, of «die tyfuslijder Milosevic», er is altijd aanleiding om te lachen dan wel te kankeren. Aangeboden sigaretten worden lachend afgeslagen, want vissers roken alleen zware shag. Het IJsselmeer heet nog steeds «de zee», nooit slaan ze een dag over om uit te varen («we werken 130 uur per week») en windkracht twaalf, dat is pas mooi. Ook de oorbellen — Gerrit draagt een gouden in de vorm van een vissersboot — ontbreken niet.

Werk aan de winkel. De campingslippers worden verruild voor laarzen en over de joggingbroeken wordt het oliegoed aangetrokken. Patrick, Jacco en Peter stappen in het bijbootje om de fuiken binnen te halen. Het bootje danst uitbundig op de deining. Gerrit blijft op de VD64 achter, want zijn knieën «sien kapot gegoan fan al dah gehak ‘n gebeuk tegen de randen in ’t kliene skeepje». Het is de laatste vaart van dit palingseizoen. Nadat de fuiken naar de VD64 gebracht zijn, spuit Gerrit ze schoon aan boord van het moederschip. In mei moeten de fuiken weer het water in.

Het bijbootje vaart af en aan. Gerrit sorteert de vangst op grootte en soort. Palingen met een diameter van vijftien centimeter gooit hij in een ander reservoir dan de kleinere. «Die grote zijn het vetst en het lekkerst. Ze zijn wel twintig jaar oud.» Alles wat geen paling is maar toch in de netten terechtkwam — het grootste deel — wordt overboord gegooid. Behalve snoekbaars. Die mag deze week eigenlijk niet gevangen worden. «We nemen ze toch mee. Voor eigen consumptie, dat mag wel», zegt Gerrit. Al die tientallen baarzen voor eigen consumptie? «We vriezen ze in of weet ik veel», antwoordt Gerrit geërgerd, «gewoon, voor eigen consumptie.»

Daar komt het bijbootje weer. Elke keer als het met de volle fuiken terugkomt, draait Gerrit snel met zijn met eelt bedekte kolenschoppen een shaggie voor Jacco. Zelf rookt Gerrit niet: «Dat is pas ongezond, daar is dioxine niets bij.» Vlak voordat Jacco weer wegvaart, steekt Gerrit het shaggie tussen de lippen van zijn broer.

Na een uurtje zijn alle fuiken binnengehaald en wordt het anker gelicht. De ene broer neemt het roer, de andere drinkt nog wat koffie in het kajuitje, de derde ligt in het vooronder te slapen. Op naar het volgende stalletje.

De palingvisserij wordt net als de paling met uitsterven bedreigd. Vlak na de oorlog vingen de palingvissers zo'n vierduizend ton, vorig jaar was dat minder dan een tiende daarvan. Voor de oorlog waren er ongeveer tweeduizend vissersbedrijven, nu zijn er 89 vergunninghouders en zo'n zestig schepen. Per jaar zetten de palingvissers tien miljoen gulden om en daarmee zijn ze een economische dwerg. De concurrentie onderling, maar vooral met de kwekerijen is groot: ongeveer negentig procent van de officieel verkochte paling komt uit kwekerijen en dit jaar verkopen de kwekerijen meer paling (ook wel «alen» genoemd) dan de afgelopen tien jaar in het IJsselmeer is gevangen. Volgens het Landbouw Economisch Instituut ligt het inkomen van de gemiddelde palingvisser ondanks de meestal extreem lange werkweek rond bijstandsniveau. En de saneringsronde van dit jaar belooft niet de laatste te zijn.

De palingvissers hebben vele tegenstanders, variërend van de vogelbescherming (veel vogels sterven in de netten) tot «de hoge heren en die ene dame in Den Haag». Eén man is naar eigen zeggen echter hun grootste vijand: Willem Dekker van het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek (Rivo). Patrick: «Als die man op de Volendamse kade verschijnt, ruk ik persoonlijk z'n kop van het lijf en voer ik die aan de palingen.»

De bioloog en onderzoeker Dekker schrikt niet echt op van de verwensingen. Dekker: «Ach, ik ben het zo langzamerhand gewend. Ze richten hun pijlen op de boodschapper van het slechte nieuws en negeren de boodschap.» De boodschap van Dekker is dan ook tamelijk onheilspellend voor de palingvissers. Dekker: «De palingstand is in heel Europa rampzalig en het IJsselmeer is er zonder twijfel het slechtst aan toe. Om tot een duurzame oplossing te komen, moet niet meer dan tien tot twintig procent van het huidige aantal vistuigen toegestaan worden. De overheid stelt zich halfslachtig op: de sanering moet niet vijftig procent zijn, maar negentig, net als in de rest van Europa.»

Maar hoe moet het dan met de palingvissers? Dekker: «Het is kiezen of delen: óf negentig procent van de palingvissers is ten dode opgeschreven, óf alle palingvissers én alle paling.» Het Rivo is een van de belangrijkste adviseurs van het ministerie.

De palingvissers vinden het oneerlijk dat zij van alles de schuld krijgen. Zo zijn er de vele Nederlandse sluizen die de palingen verhinderen naar de oceaan terug te zwemmen om te paren, de vervuiling van de oceaan, en: de aalscholver. Enkele decennia geleden was de aalscholver op een kolonie in het Naardermeer na uitgestorven, maar dankzij overheidsmaatregelen vliegen er nu weer duizenden rond het IJsselmeer. Volgens de vissers vreten de aalscholvers tonnen paling, maar in navolging van vele biologen meent staatssecretaris Faber dat ze «niet of nauwelijks paling eten». De gebroeders Schilder weten niet waar ze het zoeken moeten van verbijstering: «O ja? Waarom komt er dan als de wiedeweerga een aalscholver aangevlogen als ik een aal in het water gooi?» Hiemstra, van de Vissersbond: «Misschien kan de staatssecretaris ons ook verklaren waarom de vogel aalscholver heet.»

Niet alleen de paling, ook de glasaal komt steeds minder voor. Palingen paren in de zee en de glasaal (zeer jonge, doorzichtige paling) zwemt onder meer naar het IJsselmeer om daar op te groeien. Als de tijd daar is, zwemt de paling weer terug naar zee om te paren. Met name de Spanjaarden en de Portugezen over bevissen de glasaal, waardoor de voortplanting van de paling in gevaar komt. Dat kan desastreuze gevolgen hebben, want het is nog nooit gelukt om glasaal te kweken. De kweke rijen laten de op zee gevangen glasaal opgroeien tot volwassen paling, maar ze kunnen de glasaal niet zelf produceren.

De voortplanting van de paling is dan ook een groot mysterie. Niemand heeft ooit een zwangere paling in het wild gevangen. De theorie is dat palingen vanuit bijvoorbeeld Nederland zo'n zesduizend kilometer westwaarts zwemmen om in de Sargassozee, gelegen rond de Bermuda Eilanden, te paren. Bewezen is die theorie echter nooit.

Guido van den Thillart doet aan de Universiteit van Leiden uniek onderzoek naar de voortplanting van palingen. Hij probeert palingen in gevangschap te laten paren en hij simuleert daartoe zoveel mogelijk de natuurlijke omstandigheden. Van den Thillart denkt dat met name de zesduizend kilometer die de palingen moeten afleggen cruciaal is. In een perspexbuis met een doorsnee van twintig centimeter zwemmen de palingen tegen de kunstmatige stroom in. Het is belangrijk dat de buizen op het westen gericht zijn, anders zwemmen ze niet. Palingen zijn namelijk zeer gevoelig voor aardmagnetische stralingen: als een paling in het wild niet naar het westen kan zwemmen, steekt hij zonder aarzelen een weiland over.

Een half jaar geleden zijn de dieren in het laboratorium van Van den Thillart op reis gegaan. Twee weken geleden hebben de palingen de zesduizend kilometer afgelegd. Van den Thillart: «De uitkomsten zijn tot nu toe veelbelovend. De eierstokken zien er goed uit, en daar gaat het met name om. Er zijn nog wat stappen nodig om daadwerkelijk levensvatbare glasaal te kweken, maar ik heb goede hoop.»

Daarnaast probeert Van den Thillart met hormonen palingen geslachtsrijp te krijgen: «Ook dat is tot nu toe succesvol. Er kan natuurlijk nog van alles misgaan, maar ik heb echt het gevoel dat we op de goede weg zitten.» Als het Van den Thillart lukt glasaal te kweken, heeft hij niet alleen een diersoort van de ondergang gered, maar is hij tevens een rijk man. De prijs voor een kilo glas aal kan oplopen tot duizend gulden.

De VD64 loopt de haven binnen. Het is half zes, de gebroeders Schilder zijn nog net op tijd voor de visafslag. De vangst van vandaag kronkelt en krioelt in het ruim van de boot. Je zou er een flinke badkuip mee kunnen vullen. Het witte schuim van de alen spat alle kanten op en wat verdwaalde krabbetjes worden gekraakt door de slijmerige, vette alen.

De vangst viel tegen: zo'n tweehonderd pond. «Er komt nieuwe maan aan en het water staat ook nog eens laag», zegt Patrick, «dan vang je nooit zo veel.» En in de toekomst, hoopt hij dan nog veel paling te vangen? Patrick: «Dit was een heel goed jaar, en waarschijnlijk wordt volgend jaar dat ook. Bovendien varen we dan met een spiksplinternieuwe boot die speciaal voor ons gebouwd wordt. Het zal allemaal wel loslopen.»

Alleen die verdomde overheid. Patrick: «Ze willen ons hoe dan ook weg hebben. Waarom denken ze toch dat ze het beter weten dan wij? Mijn familie vist al vierhonderd jaar op het IJsselmeer en ik wil dat mijn kleinkinderen ook vissers zijn. Waarom zou ik dan onze zee leeg vissen?»