De onderkant van chili

Aafke Steenhuis en Jan Joost Teunissen, Weerzien met Chili. Uitgeverij Contact, 230 blz., f36,90
ZE WAREN NET enkele maanden terug uit Chili. Aafke Steenhuis en Jan Joost Teunissen voelden zich best tevreden nu ze samen met hun twee kleine kinderen hun oude vrienden in het zuiden van dat land na twintig jaar en een periode van harde dictatuur weer hadden opgezocht. De ontvangst was vaak eerst gereserveerd geweest, maar gaandeweg steeds hartelijker en dankbaar dat deze Nederlanders hen na zoveel jaren niet vergeten waren. Maar nu kwam er een boze brief van Jose Nacif, een van hun meest gerespecteerde Indiaanse vrienden, vol bittere klachten: hij voelde zich door hen bespionneerd, belachelijk gemaakt en voor iedereen in het dorp aan de kaak gesteld als communist.

Een artikel over hem in een Nederlands blad had geleid tot rare, voor hem onleesbare brieven uit Nederland. Het ergste was dat ze geadresseerd waren aan een landbouwcooperatie waar hij twintig jaar geleden, in de tijd van president Allende, een van de leiders was geweest. Die cooperatie was na de staatsgreep van de militairen in 1973 vanzelfsprekend ontbonden, enige van de boerenleiders waren door de militairen gedood, anderen hadden moeten vluchten en leefden daarna zo stil en onopvallend mogelijk. Niets mocht herinneren aan hun radicaal-socialistische verleden. En ook nu, nu de democratie in Chili is hersteld, blijkt het zo ver van de hoofdstad, in het zuiden van Chili nog eng om ten overstaan van het hele dorp als voormalig landbezetter en linkse activist te worden geidentificeerd.
HET UNIEKE van het boek van Aafke Steenhuis en Jan Joost Teunissen is dat ze niet in Santiago zijn gaan kijken of met leidende politici en economen hebben gepraat. Ze zijn op zoek gegaan naar de eenvoudige Indiaanse boeren met wie ze in 1973, kort voor de staatsgreep in Chili, hadden samengewoond. Bijna allemaal hebben die het in de zeventien jaar dat Pinochet aan de macht was onnoemelijk zwaar en arm gehad. En ook nu is hun leven nog verschrikkelijk moeilijk, zonder geld, op een klein stukje land en verstoken van de droom die hen tussen 1970 en 1973 hun lot in eigen hand deed nemen. Na 1973 was er van politieke activiteiten geen sprake meer, voormalige vrienden zagen elkaar niet meer, degenen die door de militairen waren vrijgelaten werden door de anderen gewantrouwd, het was veiliger geen enkel contact meer met elkaar te hebben. Ver weg, in kleine hutjes probeerde iedereen maar voor zijn eigen gezin het leven zo draaglijk mogelijk te maken, de mannen mat en teleurgesteld, de vrouwen soms onafhankelijker en energieker.
Weerzien met Chili is het verslag van een reis, een confrontatie van een westers gezin met een continent aan de andere kant van de wereld, een soms ontroerend onderzoek van een verschuiving in de tijd met een hele generatie. Maar het belangrijkste zijn de concrete verhalen van de Chileense campesinos, vaak Mapuches, die nog heel dicht bij de Indiaanse magie staan. Tussen 1970 en 1973 was voor hun socialisme even geen abstract begrip maar moesten ze op een onteigend grootgrondbezit zelf uitvinden wat het in de praktijk zou kunnen betekenen. Jose Nacif bijvoorbeeld heeft daar zijn conclusies uit getrokken. Hij gelooft nog altijd in onderlinge solidariteit, maar van het werken in een collectieve organisatie wil hij niets meer weten. Hij heeft uit zijn ervaringen geleerd dat mensen daar lui van worden en geen verantwoordelijkheid willen nemen. Bovendien, dat er gemakkelijk manipulatie kan plaatsvinden, door de regering, maar ook door de plaatselijke leiders: ‘Door je te organiseren kun je veel bereiken, maar in de cooperaties die we toen hadden, gelooft niemand meer.’