De ondoordringbare opiniemist

NEDERLANDSE MEDIA EN DE AMERIKAANSE MACHT

Marc Chavannes uitte onlangs in NRC Handelsblad zijn twijfels over het transatlantische bondgenootschap. Wie erkent dat Amerika niet meer dezelfde is, kan niet anders ‘dan alles op alles zetten voor meer Europese krachtenbundeling’, constateerde hij. Maar de discussie gaat zelden over dit ‘onontkoombare pad’. De argumentatie van Chavannes is waterdicht. De eerste vraag die bij ons opkwam was niettemin of hij misschien toch te vroeg kwam met deze boodschap. Men is in Nederland, waar het actuele internationale aangelegenheden aangaat, al heel gauw te vroeg. Pas nu komt het Nederlandse publiek allerlei dingen te weten over de regering-Bush die door serieus wroetende journalisten letterlijk jaren geleden uit de doeken zijn gedaan. Pas nu lijkt het opinietij te keren. Hoe komt dat?

Een aspect dat onmiddellijk in het oog springt is dat die Nederlandse traagheid correspondeert met de traagheid waarmee Amerikaanse mainstream media moed vatten om de dingen bij hun naam te noemen, na zich jarenlang te hebben laten intimideren en leiden door nationalisme. Kan het zijn dat intellectueel en politiek Nederland wacht op seintjes en voorbeelden afkomstig van gevestigde machten aan de overkant?

Een veel sterkere Europese aanwezigheid in de wereld en de rol die Nederland daarbij kan spelen, stonden ook centraal in onze conclusie in het een jaar geleden gepubliceerde manifest Keerpunt in de vaderlandse geschiedenis, dat het lot van de spreekwoordelijke baksteen onderging. In NRC Handelsblad werd het boekje afgedaan als geschreven door ‘angry old men’, en in Het Financieele Dagblad als ‘een waardeloos en soms bespottelijk pamflet’.

Die ontvangst zet er natuurlijk toe aan om na te denken over de redenen waarom blijkbaar geen redelijke discussie kan worden gevoerd over een buitenlandse politiek die onze toekomst bepaalt. Want de feiten die wij opsomden waren boven iedere twijfel verheven. Die feiten zijn wel bekend, maar ze beklijven niet. Na registratie worden ze niet opgenomen in de journalistieke bloedsomloop.

Henk Hofland, wiens vaak scherpzinnige observaties ook niet lijken door te dringen tot de politieke elite, herinnerde er onlangs aan dat het kabinet over de niet-bestaande Iraakse massavernietigingswapens beter had kunnen weten omdat onze Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst (mivd) andere informatie had, waarover NRC Handelsblad op 12 juni 2004 uitvoerig verslag heeft gedaan: onthullingen die nooit zijn tegengesproken. Omdat belangrijke gegevens verdwijnen in een opiniemist waar geen onderscheid geldt tussen feit, propaganda en speculatie, wordt de ontwikkeling van de beeldvorming – die voor burgers in een democratie nog altijd wenselijk wordt geacht – belemmerd.

In de dagen rond de herdenking van de terroristische aanslagen van 11 september was ook in Nederland een televisiedocumentaire te zien waarin duidelijk werd gemaakt hoe vice-president Cheney de cia opdracht gaf de leugens over massavernietigingswapens met rapporten te staven. Terwijl dat gaande was, werd er al gewag van gemaakt via lekken van functionarissen bij de cia. Uit de daaropvolgende vloed van berichten over zuiveringen bij de cia, over het met de cia rivaliserende apparaat onder de hoede van minister Rumsfeld van Defensie in het Pentagon, en veel andere niet mis te verstane aanwijzingen in 2003 had toch overduidelijk moeten zijn waarmee de regering-Bush bezig was.

Het is waar dat deze vloed van berichten gedeeltelijk ‘ondergronds’ bleef. Door het wegvallen in Amerika van een georganiseerde politieke oppositie (aanvankelijk werd vrijwel alle kritiek als onpatriottistisch bestempeld) en door de zelfcensuur van mainstream media was een bijzondere en voor de nieuwsvoorziening en analyse zeer nadelige situatie ontstaan. The New York Times liet, met uitzondering van drie columnisten, tot voor kort verstek gaan. De Washington Post leek de eerste paar jaar op een spreekbuis van de regering-Bush. Maar er bleef nog genoeg over. Al binnen een half jaar na de aanslagen kregen betrouwbare bronnen kans zich te uiten in bijvoorbeeld The New Yorker, The Nation, Harper’s, The New York Review of Books, The Boston Globe, The (Minneapolis) Star Tribune en The San Francisco Chronicle. Samen gaven zij een beeld van de werkelijkheid dat nu heel langzaam ook door mainstream media wordt overgenomen.

Dankzij internet was het met een investering van een uur per dag mogelijk om via deze en nog andere bronnen goed op de hoogte te blijven van de machinaties van de regering-Bush. Op die manier kon een groot deel van de regelrecht uit rechtse denktanks afkomstige propagandistische opiniestukken in de Nederlandse media op waarde worden geschat. Het internet maakt een alternatieve nieuwsvoorziening mogelijk die doet denken aan de samizdat van de jaren zeventig in de Sovjet-Unie. Het Franse en Duitse geïnteresseerde publiek heeft zich minder laten beetnemen. Ook de Britse Guardian en Independent hebben zich goed geweerd. Bijna alles over het doen en laten van de regering-Bush dat nu als openbaring wordt gebracht, inclusief de leugens over Iraakse massavernietigingswapens, de martelgevangenissen, stembusfraude, het voornemen tot de aanval op Irak zeven maanden voor 11 september, was al lang bekend en bewezen. Wat we nu in artikelen en boeken van en over voormalige Amerikaanse regeringsfunctionarissen te horen krijgen zijn alleen de details.

Maar omdat de beeldvorming in Nederland zwaar achterblijft bij de beschikbare informatie en nauwelijks nieuwe impulsen toelaat, blijft de langzamerhand uit de opiniemist opdoemende kritiek te beperkt. De uitvoering van de Amerikaanse politiek van ‘gewapende democratisering’ is allerbelabberdst, zo wordt intussen alom toegegeven. Maar de veel belangrijker constatering dat de uitgangspunten van die politiek niet deugen blijft ongenoemd. Hortend en stotend komt zo wat een echt debat had moeten worden tot stilstand. De kritiek op het ‘hoe’ dringt de wezenlijke vraag naar het ‘waarom’ van de door Amerika verbreide anarchie en wereld-wanorde naar de achtergrond.

De overkoepelende en verblindende leugen die de machtsaanmatiging van de regering-Bush mogelijk maakte – dat een oorlog wordt gevoerd tegen terrorisme – heeft ook Nederland verblind. Een aan de weg timmerende Nederlandse uitzondering, de historicus Maarten van Rossem, die zich uitsprak tegen het idee dat een oorlog tegen het terrorisme werd gevoerd of gevoerd kon worden, kreeg steeds minder ruimte in de media. Metafoor en letterlijkheid blijven ook hier met elkaar verward. Zo kon het onzinnige beeld ontstaan dat de nu in een stammenoorlog verwikkelde Nederlandse troepen in Afghanistan terroristen bevechten die ons kunnen bedreigen. Het is merkwaardig dat het Nederlandse historische besef van na 1945 dat een bezetter automatisch verzet uitlokt geen rol speelt in de discussie.

De leugen van een ongewenste oorlog die de VS (en dus het Westen) is opgedrongen wordt de afgelopen weken door de regering-Bush met het oog op de tussentijdse Congresverkiezingen van november verder gepolijst tot een voorstelling van zaken dat de VS verwikkeld zouden zijn in een ‘Derde Wereldoorlog’ tegen ‘islamofascisme’. Hierbij blijft Nederland zich gedragen als vazal, blind voor het feit dat de regering-Bush een gevaar vormt.

Ja, we zeggen het echt, en het is onweerlegbaar. De regering-Bush biedt geen bescherming voor de rest van de wereld, of voor Amerika zelf. Intelligente mensen blijven zeggen dat wij Amerika harder nodig hebben dan Amerika ons en dat in de bestrijding van het terrorisme Amerika onze beste bondgenoot is. Daarbij sluiten zij de oren voor rapporten en bronnen bij internationale organisaties, cia, en ook Republikeinse dissidenten over juist de enorme groei van het aantal terroristen door het Amerikaanse optreden in de Arabische wereld.

Een juiste inschatting van Amerika zoals het zich nu in de wereld gedraagt, wordt belemmerd omdat ze vloekt met bijna alles wat voor de naoorlogse generaties vanzelfsprekend was. Vooral in Nederland blijkt die psychologische belemmering, om te aanvaarden dat onze beschermer van een halve eeuw niet langer bescherming biedt, heel sterk. Dus kan het publiek door schroom en ongeloof in de mediawereld zich geen beeld vormen van het Amerika dat is ontstaan door de meest succesvolle politieke beweging uit recente decennia, radicaal rechts, bevorderd door de propaganda en politieke sabotage door Bush’ ‘architect’ Karl Rove, door de sleutelfiguren Cheney en Rumsfeld, die nooit vrede hebben gehad met het einde van de Koude Oorlog, en door een president die niet dom is, maar onvoldoende kennis, nieuwsgierigheid en volwassenheid bezit om president te zijn. Dit alles kan blijven voortbestaan in een land dat de eigen democratie roemt maar waarvan de regering zich dankzij de fictie van een wereldomspannende oorlog tegen terroristen aan effectieve democratische controle heeft weten te onttrekken.

Bij deze opsomming kunnen we het opborrelende protest al horen: we overdrijven sterk, we zijn te boos, we hebben al het perspectief verloren, en slaan een veel te hoge toon aan: alweer heetgebakerde uitbarstingen van ‘angry old men’. Maar onze gegevens komen uit zeer sobere studies van Amerikanen, ook uit Republikeinse kring, die door hun ontsteltenis met zichzelf geen raad weten. Ook voormalig nos-correspondent Charles Groenhuysen moet deze mensen tegen het lijf zijn gelopen; hij geeft echter geen teken dat hij heeft geprobeerd hun beweegredenen te begrijpen.

De Nederlandse journalistieke bloedsomloop vertoont inmiddels weer nieuwe ziektesymptomen. De dood van tientallen vijanden wordt gemeld, waarbij Nederlandse soldaten op de grond en vanuit de lucht regelrecht zijn betrokken. Maar onduidelijk blijft wie die vijanden zijn. Taliban, andersoortige krijgsheren, papaverboeren, toevallige voorbijgangers, dorpelingen die in de vuurlinie terechtkwamen? Minister Kamp gaf onlangs op televisie toe het niet te weten. Bovendien, niet alleen komen de media niet in de buurt van de slagvelden, hun berichtgeving moet ook langs de censor. Hun woordgebruik is identiek aan de officiële communiquétaal. Een vertaalslag blijft uit. Gewoonlijk zijn redacties behoedzaam. Zo blijft een mogelijke dader een verdachte zolang de rechter niet gesproken heeft. Maar in Afghanistan is de vijand gewoon een vijand omdat op de militaire briefings die term wordt gebruikt. In Irak is een persoon die gewapend in verzet komt een terrorist of op z’n best een ‘insurgent’, een karakteristiek die de betrokkene overigens niet vrijwaart van een snelle dood of anonimiteit en martelingen in een geheime gevangenis.

‘Irak’ wordt nu nog vergoelijkt met de constatering dat daar ‘drie verkiezingen’ hebben plaatsgehad. Niet beseft wordt dat het schijnvertoningen ten behoeve van de Amerikaanse publieke opinie waren. Want wat betekenen verkiezingen in een uiteenvallend land? Wat betekenen ze tegen de achtergrond van het geweld tegen de Amerikaanse aanwezigheid, het moorddadige geweld van groepen die zich verzetten tegen de opkomende macht van andere groepen, geweld van groepen die eindelijk kans zien om wraak te nemen voor in verleden en heden ondergaan geweld, geweld ook dat opportunistisch machtsposities voorbereidt voor een toekomstig Irak waar de bordjes definitief en voorgoed verhangen zullen zijn?

De ellende die daar nu pas goed begint, moet worden afgelezen uit de steeds schaarser geworden rapporten van verslaggevers die zich nog met groot gevaar voor eigen leven buiten de bescherming van een Amerikaans getto tussen de Irakezen durven begeven. Dit is niet geschreven door rancuneuze auteurs die alsnog hun gelijk willen halen. Het gaat niet om gelijk hebben of gelijk krijgen – die merkwaardige dichotomie die men alleen in het Nederlandse discours aantreft –, het gaat om de inschatting en beoordeling van een kolossale mondiale zaak. De door vice-president Dick Cheney gedirigeerde omwenteling van de Amerikaanse rol in de wereld is een van de belangrijkste, misschien wel de belangrijkste mondiale ontwikkeling die wij in ons leven meemaken.

Misschien moeten we een oorzaak zoeken in het slinken van de groep Nederlanders die zich serieus met de wereld en met internationale politieke en economische problemen bezighoudt. Ook speelt op de achtergrond iets mee waarvan het bestaan het liefst wordt ontkend: westerse grootheidswaan. Hoe kan men anders verklaren dat tegen de klippen op het geloof in de eigen goedheid, en in het eigen vermogen om de wereldsamenleving naar Amerikaans/westers recept om te vormen, wordt gehandhaafd? Hoe kan men anders begrijpen dat armere landen worden voorgesteld als patiënten aan wie zonodig met geweld ‘vrije markt’ en democratie moet worden toegediend, terwijl de zelfbenoemde geneesheren voortdurend tonen onvoldoende kennis te bezitten over de samenlevingen die worden aangepakt en daardoor geen oog hebben voor de historische motieven van het verzet waarop men stuit?

Nederland had niets te zoeken bij de onwettige bezetting van Irak. De Navo-operatie in Afghanistan is gedoemd. Intussen hebben de mensen daar alle reden om Nederland niet anders te zien dan als handlanger van een agressieve macht die het op hun samenlevingen heeft gemunt. Critici van artikelen zoals dit zijn geneigd tegen te werpen dat de auteurs ‘geen oog hebben voor de echte gevaren van het politieke islamisme’. Daar schuilt het grote misverstand. Als we werkelijk menen dat internationaal terrorisme een bedreiging vormt, dan dienen wij ons van al dit soort operaties te distantiëren. De bestrijding van terrorisme, evenals de bestrijding van internationale misdaad in het algemeen, kan slechts een taak van politie en justitie zijn, met alleen in de uiterste gevallen militaire assistentie.

Het enige wat Nederland kan doen aan zijn huidige positie als onbeschermde vazal is bij zijn Europese partners aandringen op een gezamenlijke onafhankelijke rol in de wereld, waarbij politiek fatsoen en internationale rechtsorde voorop dienen te staan. Er komen straks nog veel meer leugens onze kant op: over Irak, over Iran, over Afghanistan, over Amerikaanse doelstellingen in het algemeen. We kunnen dat met grote zekerheid zeggen.

Gaat politiek Nederland die leugens dan weer geloven?

Karel van Wolferen is voormalig correspondent van NRC Handelsblad in Japan, thans universiteitshoogleraar aan de UvA en auteur van De ondergang van een wereldorde (2003).

Jan Sampiemon was jarenlang lid van de hoofdredactie en commentator van NRC Handelsblad en is thans medewerker van die krant.

Beiden publiceerden vorig jaar het manifest Keerpunt in de vaderlandse geschiedenis