Zwarte romantiek

De ondraaglijke kenbaarheid van het bestaan

Natuurlijk helpen wetenschap en techniek ons de wereld te leren kennen, maar willen we wel een wereld die niets is dan oorzaak en gevolg? De donkere romantiek is een protest tegen het dictaat van pseudo-ratio die betovering, vervoering, transcendentie, geheim en mysterie ontkent. Ook al gelooft niemand in weerwolven.

‘Wanhoop is de prijs die men betaalt voor zelfbewustzijn’, schijnt ­Friedrich Nietzsche ooit, maar dan in het Duits, gezegd te hebben. Dat is op z’n minst een westerse notie. Het boeddhisme en het hindoeïsme denken heel anders over zelfbewustzijn en met heel andere resultaten. De psychologie van het zelfbewustzijn is net als het joods-christelijke complex cultureel bepaald. Anthony Burgess heeft daar in zijn meesterwerk Earthly Powers een prachtig voorbeeld van gegeven door een antropologenpaar te confronteren met een recent bekeerde inheemse stam die ‘neemt, eet, dit is mijn lichaam’ zeer letterlijk interpreteert.

Ik weet dat je het niet mag zeggen onder intellectuelen en dat het lidmaatschap van de club gepaard gaat met een soort ritueel kussen van des duivels atheïstische aars, maar ik kan het niet anders formuleren: zelf­bewustzijn is een religieuze houding.

Onze westerse (of zoals nieuw-rechtsen tegenwoordig zo graag mogen zeggen, zonder de consequenties daarvan te willen aanvaarden: judeo-christelijke) vorm van zelfbewustzijn draagt de kleren van Prediker, dat meest onbijbelse aller bijbelboeken, die stoïcijnse gesel voor de kwezelige gelovige, die koude douche voor warhoofden van zowel gelovige als ongelovige kant. Het is een zelfbewustzijn dat spreekt met de stem van Prediker, om vier uur in de nacht, als het koud is en donker en leeg. Het zegt, weinig filosofisch verantwoord en als het erop aankomt nogal banaal, net zoals Jakob Noach, de hoofdpersoon uit mijn roman Dis: alles is niets. Onder meer verantwoorde filosofen heet het epistemologische wanhoop.

Wie zich ontdoet van de illusies die ons leven vormgeven (de liefde, de vooruitgang, de ontwikkeling van mens en maatschappij, dat men iets leert in het leven en daar iets aan heeft), wie die luchtkastelen ziet voor wat ze zijn, kan niet anders dan als Jakob Noach, voormalig schoenhandelaar, lingerieverkoper en onroerendgoed-magnaat te Assen, concluderen dat het allemaal nergens toe leidt, dat alles zal verdwijnen en dat dat er niet toe doet, omdat onze levens oplichtende flitsen in het duister zijn, dat wij, in de woorden van Beckett, worden gebaard boven het graf en op weg naar de eeuwige duisternis kortstondig licht zien. Of zoals John Cleese het formuleerde in Fawlty Towers: ‘Zhoom! What was that? That was your life, Mate! Oh, that was quick. Do I get another? Sorry, Mate. That’s your lot.’

De boeddhist heeft geen zelfbewustzijn nodig om dit soort wanhoop te voelen. Hij acht wanhoop als vanzelfsprekend aanwezig in het leven. Die brengt hem tot het inzicht van het transcendente. Maar wij, die in Groningen geboren zijn, of Venlo, Amsterdam, Assen of Enschede, weten dat de gapende leegte die zich ’s nachts om vier uur openbaart geen hoop toestaat, en overigens ook geen acceptatie. Er is alleen maar spijt, wrok, de bittere smaak van het vergeefse.

Menno ter Braak schreef in een kort essay over ‘Politiek realisme en tragische levensbeschouwing’: ‘Deze tragische verhouding tot het leven (…), acht ik volstrekt gelijkwaardig, zoo niet verre superieur aan het politieke realisme; of beter gezegd, voor mij wordt het politieke realisme pas van kracht, als men die tragische verhouding tot het leven tot op den bodem toe heeft gepeild.’

Ter Braak had het over politiek realisme, omdat zijn essay een boek behandelde van Sal Tas, die een poging deed om het marxisme los te weken van het stalinistische communisme door Marx te huwen met Nietzsche, maar Ter Braak kennende kunnen we rustig aannemen dat ook voor hem de tragische verhouding tot het leven meer raakt dan politiek. Waar het eigenlijk om gaat, is de kwestie van het realisme, het politieke en filosofische primaat van de ratio dat hoop en wanhoop, geloof, verwachting en gevoel beschouwt als een particuliere aangelegenheid die geen partij kan zijn in het discours. Ter Braak mag dan hebben geschreven dat ratio pas iets voorstelt als eerst de beker der wanhoop is geleegd, de praktijk is dat ratio de neus ophaalt voor zoiets irrationeels als de tragische levenshouding.

Voor de Russisch-joodse filosoof Lev Sjestov (1866-1938) was het conflict tussen de tragische levenshouding en de ratio het hoofdthema van zijn werk. Hij ontzegde, in de woorden van Camus, ‘de rede haar redenen’, in een poging om te spreken over zoiets onmodieus en onfilosofisch (althans in onze tijd) als ‘de ziel’ en ‘bezieling’. Zijn oeuvre verzet zich tegen gesloten systemen, het ‘universeel rationalisme’ dat botst met het irrationele dat de menselijke geest eigen is, tegen de heerszuchtigheid van de ratio die vanwege haar onweerlegbaarheid totalitair wordt en alles afwijst dat niet binnen het systeem past.

Ziel, bezieling. Het zijn woorden die je zelden nog hoort. Ik heb ze twintig jaar geleden nog in Het grote verlangen gebruikt en daar werd toen al op gereageerd met de mengeling van ongeloof en beschaamdheid die je ook wel opmerkt als een onwelvoeglijk woord in keurig gezelschap valt. We willen realistische, rationele mensen zijn en niet meer geloven in dingen waar je niet in kunt knijpen. Dat gaat niet helemaal vanzelf, kinderen van afvallige gelovigen of kerkverlaters die we zijn, en de woorden en symbolen van onze vorige levens of die van onze ouders vervullen ons met besmuiktheid en woede. Wij waren barbaren in duistere tijden en nu is er ons alles aan gelegen om te laten zien hoe verlicht en rationeel we zijn.

Ziel, bezieling, de erkenning dat de mens altijd een irrationeel wezen zal zijn en dat dat nog het meest zijn menselijkheid bepaalt, zijn creativiteit voedt en de bron is van het mooie en het vreselijke tegelijk, het idee dat we zo zijn en dat daar niets mis mee is, is verdwenen onder druk van een soort pseudo-ratio die door wil gaan voor wetenschappelijk en, dus, onweerlegbaar.

De strijd tussen ratio en tragische levenshouding werd op scherp gesteld toen de Umwertung aller Werte van de Franse Revolutie ontaardde in wanorde, terreur en oorlog. Er kwamen twee soorten antwoord op de ratioclaim van de Verlichting: een inhoudelijke Verlichtings­kritiek, die al begon met Johann Georg Hamann; en de zwarte romantiek, die zich afwendde van de normerende idealen van rede, zuiverheid en schoonheid en bij wijze van reactie koos voor nevel en duisternis, dood en lust, melancholie en vervoering, het verschrikkelijke en het grootse.

Hoewel haar wortels lagen in postrevolutionaire deceptie is de zwarte romantiek nooit verdwenen. Net als de omstandigheden waarop zij reageerde is zij weggezonken en opgekomen, hand in hand met economische crises en sociale onrust. Zelfs de doorgaans lieflijke prerafaëlieten koesterden donkere romantici in hun midden. Henry Wallis’ The Death of Chatterton, dat de dood door zelfmoord van een inmiddels vergeten zeventienjarige dichter verbeeldt, is net zo’n donker-romantisch icoon als John Everett Millais’ schilderij van het ongelukkige meisje dat zich zingend verdrinkt, Ophelia. In onze tijd vond een incarnatie plaats, toen de revolutionaire energie van punk was uitgewoekerd en new wave zich tot de schaduwzijde bekende. Joy Division, Killing Joke, The Cure, de geladen en beladen schilderijen van Kiefer, Anne Rice’s Interview with the Vampire, ze kleurden de crisisjaren rond 1980.

Wie kinderen heeft weet dat de zwarte romantiek ook nu bloeit: er is geen sleepover-feestje zonder horrorfilm en een jeugdboek dat niet gaat over vampiers, weerwolven of tovenaars is moeilijk te vinden. Bioscoop en televisie zijn het domein van films en series die het donkere tot onderwerp hebben en ook in de mode en de kunst zijn er tekenen aan de wand. Volgens The Guardian is ‘Goth (…) smouldering on the catwalk’. De Wellcome Gallery in London toont tot en met 24 februari Death, A Self-portrait en het Frankfurtse Städel Museum presenteerde afgelopen jaar (tot 20 januari te zien) de toptentoonstelling Schwarze Romantik: Von Goya bis Max Ernst, op de website toepasselijk geïllustreerd met een uitzwermende vlucht vleermuizen.

Caspar David Friedrich, Felicien Rops, Goya, Murnau’s Faust en Nosferatu, Poe, Goethe, William Blake, Füssli’s seminale schilderij De Nachtmerrie, dat een wellustig comateuze schoonheid toont op wier borst een demon zit die de toeschouwer vijandig aanblikt, gadegeslagen door een dol paard met uitpuilende ogen – het Städel presenteert ze als iconen. Het is de wereld van Huysmans’ A rebours, een wereld die ziek en verdorven wil zijn, die de nacht verkiest boven de dag, nevel en mist boven helderheid en liever zwelgt in pijn en leed dan jubelend van blijdschap door een weide van frisse veldbloemen te huppelen.

Mario Praz heeft de wortels en gevolgen van de donkere romantiek beschreven en geduid in La carne, la morte e il diavolo nelle literatura, wereldberoemd geworden als The Romantic Agony. Alleen al de inhouds­opgave leest als een handleiding voor de aspirant donkere romanticus: De schoonheid van de Medusa, De metamorfoses van Satan, De schaduw van de goddelijke Markies, La Belle Dame Sans Merci, Byzantium, Swinburne en ‘le vice Anglais’. Het is het hele amalgaam van de aantrekkingskracht van het verschrikkelijke, de gevaarlijke man, de vrouw als slachtoffer én wrede schoonheid, Byzantijnse decadentie en natuurlijk het sadomasochistische complex dat Fransen zo graag ‘de Engelse zonde’ noemen, maar waar ze zelf ook niet vies van zijn.

Anti-rationeel, een donkere sprookjes­wereld voor escapisten, de zwarte romantiek heeft een slechte naam. Maar het is meer dan ontkenning en vlucht. Het is kritiek op en ontluistering van het verlichtingsnomisme. De zwarte romantiek illustreert Isaiah Berlins opvattingen over dat monisme, dat een waar antwoord op een waarachtige vraag voor mogelijk houdt en veronderstelt dat de weg naar dat antwoord gekend kan worden en dat ware antwoorden elkaar niet tegenspreken. Voor Berlin was het idee van een enige en echte waarheid die niet bestreden kan worden een totalitair gevaar. Hij stelde daar een wereld tegenover van meerdere waarheden, waarin verschillende waarheden en waarden met en naast elkaar bestaan.

Hoewel Berlin het oneens was met veel, zeer veel, denkbeelden van de ultra-reactionaire katholiek Joseph de Maistre erkende hij zijn belang als criticus van de Verlichting en een van de eersten die zich tegen de gedachte keerde dat een overheid haar gezag kon ontlenen aan een ratio die elke andere ratio overbodig en onmogelijk maakt, omdat er nu eenmaal maar één rationele waarheid kan bestaan. Dat, volgens De ­Maistre, was het waardoor de Franse Revolutie was ontaard in terreur. Zijn oplossing, een overheid die zich baseert op goddelijk gezag, en dus ook is onttrokken aan kritiek, wees Berlin af. Maar de notie dat de zogenaamd onweerlegbare ratio het fundament van het totalitaire kan zijn werd een van de kernbegrippen in Berlins werk.

De zwarte romantiek plaatst het tragische levensgevoel tegenover schoonheid en ideeënzuiverheid. Als het bestaan wordt gereduceerd tot iets mechanisch of biochemisch, volledig beredeneerbaar als we maar genoeg gegevens hebben, en de mens een homo economicus of radertje is in een systeem dat belangrijker is dan de delen, dan neemt het verzet de vorm aan van het tegengestelde van de symbolen van het heersende. Het irrationele wordt tegenover de ratio geplaatst, niet uit overtuiging, maar uit onmacht, omdat taal en beeld zijn toegeëigend door de dominante cultuur. Het discours is onmogelijk en wat dan rest is de verheffing van het irrationele, van mysterie en wonder. De mechanistische wereld, een bestaan waarin alles causaliteit is, maakt plaats voor een andere wereld, een van bezieling en vervoering, het hele grote en diepe en totale, van idee tegenover feit.

De secularisatie heeft zich tot de jaren negentig rustig en gelijkmatig voltrokken. Ondanks de beatmis en theologische concepten die zo vaag waren geworden dat alles behalve God in het geloof paste, liepen de kerken gestaag leeg. De maatschappelijke consensus omhelsde het idee dat de fysieke wereld wordt geregeerd door natuurwetten, dat evolutie de meest logische verklaring is voor het ontstaan der soorten en dat ons reilen en zeilen wordt bepaald door economische mechanismen die een precaire balans onderhouden tussen hebzucht en welbegrepen eigen­belang. Eind jaren tachtig, begin jaren negentig leek het eigenlijk alleen maar een kwestie van tijd en de meeste kerken zouden zijn gesloopt of omgebouwd tot feestzaal, supermarkt of expositieruimte. Confessionele partijen waren gedecimeerd of, in het geval van de fusiepartij cda, zo nondescript religieus geworden dat ze dat alleen nog maar in naam waren. Geloof was net zo’n folkloristische eigenaardigheid als de mandenvlechter of klompenmaker op een markt voor oude ambachten.

Omdat er ook nog nauwelijks zoiets als politiek geloof bestaat en de meeste partijen vooral pragmatische en rationele standpunten innemen, is onze samenleving er een van oplossingen voor actuele problemen en worden er nauwelijks nog ideeën geopperd die verder reiken dan de kwesties van vandaag.

Die mengeling van secularisatie en ontideologisering kreeg alleen tegengas toen het islamitische deel van de bevolking zich ging roeren. Hoewel de secularisering ook op die groep vat had gekregen was de cultuur er nog een die moraal en ethiek ontleende aan religieuze overtuigingen. Voor aanhangers en ex-aanhangers van de islam was het geen uit­gemaakte zaak dat alleen het rationele, pragmatische antwoord geldig was. Het sterke normen-en-waardencomplex van de islam kwam in botsing met het liberaal/sociaal-democratische gedachtegoed en de polarisering die dat opleverde ging voorbij islamethiek en islamkritiek. De verdediging van ‘onze’ normen en waarden, waarbij de trom van de Verlichting luid werd geroerd, kreeg het karakter van een aanval op alles wat die normen, waarden en ratio niet met volle overtuiging onderschreef.

Inmiddels zijn de scherpste randjes van het islamdebat af, maar het normerende, totalitaire karakter van het nieuwe geloof, het idee dat de wetenschap onweerlegbare ratio oplevert en dat dat de leidraad dient te zijn, dat idee bleef.

Een reductionistische wereld waarin de mens zijn brein is, dat is onze wereld: de economische crises kunnen ooit verklaard en voorkomen worden, de grens tussen leven en dood is een kwestie van medische wetenschap, kunst is net zo’n product als voetbal en liefde kan worden ontrafeld in sociobiologische experimenten. Zelfs het weer is nauwelijks nog een raadsel, hoewel net raadselachtig genoeg om alarm af te geven als het iets harder dreigt te waaien of de regen heviger dreigt te worden dan normaal.

Het post-Verlichtingssciëntisme heeft ons verblind met de illusie van meetbaarheid en kenbaarheid. Die zijn zo belangrijk geworden dat ongeluk niet meer wordt geaccepteerd als toeval en dus volgt op elke ramp niet één onderzoek, maar een hele reeks. We accepteren niet meer dat iets gebeurt en dat wij dat niet begrijpen. We zijn verslingerd aan het idee dat alles meetbaar en kenbaar is, al moeten we het vijf keer onder­zoeken. Het is een nieuw geloof, het noemt zich rationeel en pragmatisch, maar is vooral slecht begrepen wetenschap, want wetenschap is vooral een kwestie van vragen en tegenargumenten zoeken voor de antwoorden die je vindt. Het levensgevoel van onze tijd heeft alleen de uitkomsten onthouden en accepteert niet dat de antwoorden vooral aanleiding zijn om nieuwe vragen te stellen.

Natuurlijk helpen wetenschap en techniek ons de wereld te leren kennen en op een klein aantal mensen na is er bijna niemand meer die denkt dat de aarde geschapen is in zes dagen, dat evolutie een idee is dat zich nog maar moet bewijzen en dat hemel en hel beloning en straf zijn voor de daden die wij tijdens ons leven verrichten. Maar er zit iets ­onplezierigs in een geloof in kennis die haar gelijk zo dominant verkondigt en zo, haast kinderlijk, lijkt te zwelgen in het idee van een wereld die niets is dan oorzaak en gevolg, een bestaan dat je als een klok uit elkaar kunt halen waarna je dan weet hoe alles werkt. Mijn blijdschap en opwinding waren groot toen cern het Higgs-deeltje had gevonden, maar ik was mij er tegelijkertijd van bewust dat, net zoals het heelal oneindig groot is, het atoom waarschijnlijk oneindig kan worden gespleten, waardoor we inderdaad steeds meer te weten komen, maar tegelijkertijd het perspectief ook steeds verder zien opschuiven: voor elke oplossing een nieuw raadsel.

Het zijn de niet-wetenschappers – de politici en de neo-atheïsten in het ideeëndebat – die het raadsel ontkennen. Hun onwankelbare geloof in De Waarheid en het kenbare negeert het relatieve en suggereert dat het land en zijn inwoners kunnen worden bestuurd aan de hand van pragmatiek en ratio, terwijl dat niet veel meer zijn dan aannames op basis van een keuze uit beschikbare gegevens. En zo treedt er dan weer een kabinet aan dat zich verliest in bezuinigings-, vergroenings- en decentraliseringsdoelen, maar geen enkel idee over Nederland en de Nederlanders formuleert. Dat we moeten bezuinigen en vergroenen en misschien zelfs wel decentraliseren, dat geloven we wel. Het is de táák van een regering om dat verdomde huishoudboekje op orde te houden of te brengen. Maar je zou willen dat het land wordt bestuurd door mensen die meer zijn dan financiële en bestuurlijke technocraten die met koopkrachtwolken, tijdpaden en organisatieschema’s schermen.

Waar de geschiedeniswetenschap het idee van waarheid en kenbaarheid heeft laten varen en de wereld veel meer beziet als een tolstoiaanse mêlee, waarin maar weinigen echt weten wat er gaande is en wat zij in die chaos doen, daar houdt het neo-atheïsme krampachtig vast aan een hic et nunc dat uit niets bestaat dan de ratio van het moment en het zielloze pragmatisme van het huishoudboekje, een beeld van het leven als weliswaar ingewikkeld, maar uiteindelijk toch altijd verklaarbaar.

En dat is waar de donkere romantiek op reageert. Niet om een andere waarheid tegenover de geldende te stellen. Er is niemand die gelooft in weerwolven, vampiristische liefde die de generaties overstijgt en pijn en leed als het alternatief voor liefde en geluk. Het is een protest tegen het dictaat van pseudo-ratio die betovering, vervoering, transcendentie, geheim en mysterie ontkent en negeert dat, bij alles wat we kunnen weten, er nog altijd meer chaos en toeval is dan ons lief is en dat we schepsels met ideeën, fantasieën en onverwachte vergezichten zijn. In The Island of dr. Moreau laat H.G. Wells de arts die in het lab zijn eigen mens wil knutselen zeggen: ‘Each time I dip a living creature into the bath of burning pain, I say: this time I will burn out all the animal, this time I will make a rational creature of my own.’ Maar dan, na een korte stilte: ‘And they revert. As soon as my hand is taken from them the beast begins to creep back.’