Film: ‘Joker’

De ongecontroleerde lach

Joker, de nieuwe film over de aartsrivaal van superheld Batman, leidt tot angst voor massale schietpartijen en oproepen om wapenbezit aan banden te leggen. Terecht.

Joaquin Phoenix als Arthur Fleck © Niko Tavernise

We kennen het verhaal: in een steegje achter een bioscoop is een jongen getuige van de moord op zijn ouders. Vanaf dit moment is hij nauwelijks nog mens, hij wordt uiteindelijk de reactionaire crimefighter Batman. Maar nu gaan we nog verder terug, zo’n twintig jaar terug, in dezelfde stad: een andere jongen, verwaarloosd, vastgeketend aan een verwarmingsradiator in een triest appartement, zijn moeder bezig met mannen van wie ze denkt dat ze die moet verwennen. Bij deze jongen duurt het langer voordat het psychische letsel zijn tol eist. Hij is in de dertig als hij finaal zijn greep op de werkelijkheid kwijtraakt en zich transformeert tot het magere monster met de kakelende lach.

Het jaar is 1981. De plaats: Gotham City, waar de grenzen van de beschaving zijn weggevallen, met als gevolg collectieve shock-and-awe in de maatschappij. In Todd Phillips’ Joker leidt sociale en politieke corruptie vooral tot waanzin bij gewone mensen. Zo zoomen we in op Arthur Fleck (Joaquin Phoenix) die werkt als clown en droomt van een carrière als stand-upcomedian. Dat is lastig in een stad op het randje van de afgrond. De rijken hebben het voor het zeggen, misdaad tiert welig, de openbare ruimte is verloederd, een sociaal vangnet is er niet. Niet alleen Arthur heeft het moeilijk, iedereen is getraumatiseerd. De enig mogelijke reactie hierop – de film windt er geen doekjes om – is die van Arthur op het moment dat hij de Joker wordt: opstand in de vorm van extreem, nihilistisch geweld.

Terug naar de echte wereld . Joker, die onlangs de prijs voor beste film kreeg op het festival van Venetië, maakt véél los. Nabestaanden van slachtoffers van de schietpartij in een bioscoop in Aurora, Colorado, waar een man zeven jaar geleden twaalf mensen doodschoot tijdens een vertoning van de Batman-film The Dark Knight Rises, deden een beroep op de studio Warner Bros. om alle opbrengsten van Joker te schenken aan groepen die getroffenen van soortgelijke incidenten ondersteunen.

Ook riepen ze beide politieke partijen in het Congres op om te zorgen voor strengere wetgeving inzake wapenbezit. De bioscoop in Colorado weigerde Joker te vertonen. En in Oklahoma waarschuwde de leiding van een legerbasis voor mogelijke aanslagen op bioscopen die Joker vertonen.

Deze sfeer van paniek keert terug in besprekingen van de film, bijvoorbeeld in die van Stephanie Zacharek, die in het weekblad Time het realisme van de pathologie in het verhaal benadrukt: ‘Een massale schietpartij of een poging tot geweldpleging door iemand zoals Arthur is er praktisch wekelijks in Amerika. En toch wordt ons gevraagd sympathie te voelen voor Arthur, gekwetst lammetje dat alleen maar liefde tekort komt.’

Je kunt het ook anders zien: gekwetst zijn is precies het punt. Juist dit maakt de film goed: hij dwingt de kijker namelijk de wereld door de ogen van een slachtoffer te zien, hoewel er van ‘slachtofferschap’ geen sprake is. Integendeel, uit alle ellende groeit iets veel gevaarlijkers, en dat is absurdisme. Joker toont aan dat het omarmen van chaos, bij gebrek aan een zinnige uitweg, een tikkende tijdbom schept. De ongecontroleerde lach is een wapenspreuk, een oproep tot mobilisatie. Arthur: ‘Ik dacht dat mijn leven een tragedie was. But now I realise it’s a fucking comedy.’

Joaquin Phoenix als Joker © Niko Tavernise
'Joker' vangt de tijdgeest – de film is een oefening in absurdisme in extremis

Het boek heeft geen paginanummers, maar blader naar ongeveer de helft. En zie de naakte mens in een kooi. Het is de baas van de politie in Gotham. Gezicht op zijn knieën om zijn schaamte te bedekken. Een circusattractie. Dan klinkt de stem van de kidnapper, de Joker. ‘Dames en heren! U heeft over hem gelezen! Zie nu voor uw ogen die meest zeldzame en tragische fout van de natuur, ik geef u: de gemiddelde mens!’

Als er iets ‘gevaarlijk’ is – want dat is de strekking van veel besprekingen van Joker – is dat wel The Killing Joke, een comic uit 1988 waarin Alan Moore en Brian Bolland het oorsprongsverhaal van Batmans aartsrivaal beschrijven. Uit flashbacks blijkt dat de Joker zijn baan bij een chemische fabriek opgeeft om komediant te worden. Als dat mislukt wendt hij zich tot een misdaadsyndicaat om te kunnen zorgen voor zijn zwangere echtgenote. Maar dan komt het nieuws: vrouw en ongeboren kind dood in een bizar huishoudelijk ongeval. Zo wordt de Joker geboren.

Later in het verhaal zien we de schokkende momenten waaraan The Killing Joke zijn beruchtheid ontleent: de Joker overvalt het huis van commissaris Gordon, politiehoofd van Gotham en vriend van Batman, schiet zijn nichtje Barbara neer, verkracht haar (en mogelijk ook Gordon), kidnapt Gordon en voert hem mee naar een verlaten attractiepark waar hij hem in een kooi gevangen houdt. Dan volgt de Jokers speech, duidelijk de belangrijkste inspiratiebron voor de psychologie van het personage in Phillips’ film. Als een slachtoffer-filosoof richt deze getekende Joker zich tot ons, de vierde wand doorbrekend, en zegt wijzend naar de naakte Gordon in het kooi: zie deze freak, doorsneemens, zie zijn verschrikkelijke zelfingenomenheid, zijn manke sociale bewustzijn, zijn verpieterde optimisme. Maar het meest pathetisch: zijn broze, nutteloze ideeën over orde en gezond verstand, dingen die knappen wanneer ze maar een beetje onder druk komen te staan. ‘En hoe leef je dán? In deze irrationele wereld? Het antwoord: niet zo heel erg goed! Geconfronteerd met het harde feit dat het menselijk bestaan een en al waanzin, willekeur en zinloosheid is, wordt één op de acht mensen gek. Vind je dát gek? In een wereld zo psychotisch als deze… zou iedere andere respons gek zijn!’

Het schokkende aan de comic van Moore en Bolland ligt in de wijze waarop je al lezende ontdekt het volledig eens te zijn met de Joker terwijl je weet dat hij gek is. Je snapt volledig hoe zo’n gewone man in de context van de verkruimelende beschaving kan radicaliseren. Dat er tussen Arthur Fleck in Joker en de Joker in The Killing Joke géén licht zit, blijkt uit Phillips’ openingsscène waarin Arthur in een gesprek met een hulpverlener een vraag stelt: ‘Ligt het aan mij of wordt de wereld steeds gekker?’

Joker vangt de tijdgeest – de film is een oefening in absurdisme in extremis. Misschien maakt dit hem zo ‘gevaarlijk’. Voor Arthur is er niet eens de optie zich te verzoenen met het feit dat het leven geen betekenis heeft. Dit punt is hij allang gepasseerd; hij is compleet verloren in het land van psychose, niet omdat er iets mis is met hem, maar omdat dit nu eenmaal is hoe mensen in de wereld om hem heen leven. Neem Thomas Wayne, grootindustrieel in Gotham. Een man van het geld die zegt dingen voor de mensen te willen doen, maar die uiteindelijk rabiaat voor zichzelf kiest. Een zinnig mens zou zeggen: hoe kan dit ooit een manier zijn om te leven? Maar een zinnig mens vindt hier geen antwoord op, omdat rationeel denken in deze context een teken van waanzin is (zie de Joker in The Killing Joke). Zo wordt gekte haast een morele keuze. En is absurdisme – de waanzinnige lach – de enige manier om naar de wereld te kijken.

Dit idee krijgt gestalte dankzij Phoenix’ fenomenale acteerprestatie in Joker. Zijn gelaat is uitgemergeld, zijn lichaam een netwerk van scheefgegroeide botten. Als kind ging het ernstig mis in zijn leven. Zijn moeder was een monster. Bond hem aan een radiator vast terwijl ze vreemde mannen verwende. Een jongen, kansloos. De kwetsbaarheid van de volwassen Arthur zie je vooral in de ogen: wat een verdriet stralen die wel niet uit. Zelfs als hij alle schroom van zich afwerpt – hij geeft zich over aan de psychosen waarmee hij kampt en wordt de Joker – is pijn een constante in zijn gezichtsuitdrukking. Bijvoorbeeld dit magistrale beeld: Arthur schiet een collega-clown door het hoofd, waardoor bloed en stukjes hersenen op zijn witgeverfde wangen spatten. Je ziet de verbazing in Arthurs gezicht, schok zelfs, maar dat duurt heel even. Dan volgt die lach, een kakel vol spot, haat en vergeldingsdrang. De verschrikkelijke tragiek voel je in je ziel.

Het mooiste moment in de film komt in de laatste pakweg tien minuten in een shot waarvan de mise-en-scène direct uit comics en het expressionisme komt. Het perspectief is hoog, misschien staat de camera op een dak. In het beeld lopen lijnen scheef: de contouren van gebouwen rondom de bioscoop, de wijze waarop het gezin, tycoon Thomas Wayne, zijn vrouw Martha en hun zoontje Bruce, naar linksboven het rechthoekige kader in wandelen. We weten dat het 1981 is, want het gezin heeft zojuist Zorro, The Gay Blade gezien, een film die een idee in het hoofd van de jongen plant. Een man. Een masker. Een levenslange strijd tegen onrecht. Maar het nobele idee is van meet af aan corrupt, net zoals die specifieke film een pervertering van de oorspronkelijke legende uit de titel is. De Batman zal qua gekte en psychose schouder aan schouder staan met de Joker.

Het licht is vervormd in de scène, schaduwrijk, de kleuren zijn gedempt, misschien regent het licht. We weten wat komen gaat in het verhaal dat we allemaal kennen, maar de horror van het moment is er niet minder om. Toch is er schoonheid, in de hommage aan comics, in de subjectieve beleving van een treurspel zo erg dat het inderdaad een comedy is. Pistoolschoten. Bloed op asfalt. Tranen in jongensogen. Vooruit, een laatste mop, het nummer in Joker dat inmiddels op ieders lippen ligt. Good old Jimmy Durante met ‘Smile’. We moeten blijven lachen, zingt hij, dan komt alles goed.


Te zien vanaf 3 oktober