Genieten van Nanny McPhee en andere kerst-eilandfilms

De Ongeloofwaardige Gedachtesprong

In deze epoche van doorgefourneerd realisme, waarin we worden bedolven onder de geloofwaardige, naturalistische verhalen, is het fijn om onwaarschijnlijke fictie te zien. Van vertellers en bedenkers die vol vertrouwen achtjarig durven zijn.

IN DE LAATSTE FILM van Andrej Tarkovski, Het offer, weten vijf mensen op vakantie in een Zweeds eilandhuis zeker dat het Einde der Tijden is aangebroken. Op de televisie is een minister-president te horen geweest die vertelde dat de onderhandelingen op niets zijn uitgelopen. De oorlog is verklaard, het aftellen begonnen, het wachten is op het vallen van de Bom.
Het is een echte Koude Oorlog-fictie die alleen maar verouderd is omdat de Klimaatcatastrofe ervoor in de plaats is gekomen. Wat de scènes rond het wachten op de kladderadatsj gedenkwaardig maakt is dat er boven in het eilandhuis een kind slaapt, een jongetje van zeven. De sequentie van de kinderkamer, het kinderbed, het midzomerlicht dat van links door bewegende vitrages binnenwemelt, de blik op het argeloos ademende kinderlijfje, het is adembenemend. Want de vraag is: gaan de ouders het kind wakker maken of niet?
Het is moeilijk om niet aan dit kind (één van de vele onvergetelijke kinderen in het oeuvre van Tarkovski) te denken nu Kerstmis onder zo’n apocalyptisch gesternte wordt gevierd. Ze heetten vanouds de Advent, deze weken voorafgaande aan de Geboorte, maar wat afgelopen december werd afgewacht was toch vooral het verdwijnen van de laatste potvis, het verschijnen van de finale tsunami, de verwoesting van de Ecotempel. En wat mij vooral trof was, op de televisie, de dagelijkse stoet kinderen die moesten vertellen wat het Einde der Tijden voor hen betekende. Zeven- tot en met elfjarigen die ernstig de Apocalyps voorspelden.
Ik probeer me te herinneren hoe het in mijn jeugd was, toen ik tijdens de Cuba-crisis als achtjarige van mijn moeder hoorde van de atoombom en moeten schuilen in de bezemkast onder de trap, maar ik herinner me niet dat er door de juf op school, of door volwassenen met een microfoon, aan mij gevraagd is wat de atoomoorlog voor mij betekende. Ik heb het gevoel dat, hoezeer ik ook onder de indruk was van wat ik van mijn moeder, en misschien van vriendjes op school, te horen kreeg, ik op een essentiële manier met rust ben gelaten. Oningewijd ben gebleven. Net als het Tarkovski-kind.
De film die bij uitstek ‘het kind laat slapen’ is natuurlijk La vita è bella, van Roberto Benigni. Daarin heeft de Eindtijd plaatsgegrepen – een vader moet met zijn zoontje naar een vernietigingskamp. Het lukt hem de hele film door – tot het hartverscheurende eind – om de jongen te laten geloven dat ze op reis zijn naar een gebied met vreemde gewoonten en zeden. De film is een fictie, bijna een essay: hoeveel kun je van het Kwaad weten zonder het door te geven aan je kind. En het mysterie dat de film aansnijdt is: wat is vertrouwen. De vader wil, alsof zijn leven er van af hangt, dat zijn kind de wereld blijft vertrouwen. En we kunnen, geloof ik, zijn (vaak hilarische) inspanning om het kind van het kwaad te vrijwaren niet anders zien dan als een blijk van liefde.

TOEN IK afgelopen maand voorafgaande aan de Kopenhagen-conferentie de Kinderen van de Opwarming hun bezorgde en vaak ingestudeerde zegje zag doen, vroeg ik me af of er bij alle crises van het moment niet nog één moet worden gevoegd: kunnen we nog wel over kinderen denken in termen van vertrouwen? Hopelijk overdrijf ik, maar ik kreeg soms het gevoel dat de interviewer wilde dat het kind zijn argeloosheid verloren was – om niet alleen te staan in de onzekerheid over de toekomst. Alsof het kind de volwassene moest steunen.
Een dergelijk idee van ‘delen’ of ‘lotgenoot’ zijn heeft iets obsceens. Het lijkt op kinderen tijdens een scheiding inwijden in de weerzin tegen je ex. Er is iets hopeloos aan een cultuur waarin kinderen beschouwd worden als verlossers van hun opvoeders. ‘Wanhoop is de grootste zonde’, schreef Graham Greene. Maar misschien is een ander bij je wanhoop betrekken nog kwalijker, zeker als dat een kind is. Je vraagt je af of deze ‘crisis van de hoop’ niet het eigenlijke probleem aan het worden is, méér dan de opwarming zelf.Doemdenken baart doemdenken en dat zal de reden zijn dat ik een gat in de lucht sprong toen ik, tamelijk onverhoeds, op een dvd stuitte van een film die Nanny McPhee heet. Hij is uit 2005 en geschreven door Emma Thompson, die de titelheldin speelt.
Ik was in een schap met aanbiedingen op zoek naar films die we tussen Kerst en Nieuw in het vakantiehuis kunnen draaien. Niemand over de vloer is daar dan nog kind, en toch heerst er unanimiteit over het type film dat in aanmerking komt voor eilandvertoning, al is het moeilijk om het genre te definiëren. The Truman Show heeft het goed gedaan, en wordt jaarlijks herhaald, we betreuren het dat Back to the Future al twintig keer te zien is geweest, de Narnia Chronicles vielen wat tegen, zoals ook de Harry Potters, maar dat komt doordat ze op papier oneindig veel beter zijn. Maar ook Groundhog Day past, Les Choristes, La vita è bella natuurlijk, dit jaar ga ik uitvinden of Hellboy (Guillerma de Toro) het doet, er wil wel eens een hang naar Star Trek zijn, er is een jaareinde van louter Pirates of the Caribbean geweest.
Het is niet voldoende om de kerstfilms ‘fantasy’ te noemen, ofschoon ze vaak uit dat videotheekschap afkomstig zijn. Ik geloof dat het hun belangrijkste eigenschap is dat zij een Ongeloofwaardige Gedachtesprong maken. Truman ontdekt dat hij van zijn geboorte af in de nepwereld van een studio heeft geleefd waar heel zijn wereld één grote real life-show was – en hij vervalt in vertwijfeling zo niet wanhoop. ‘Als dit alles is, wat ik nu over mijn wereld te weten kom, dan is alles zinloos’, denkt hij, of woorden van gelijke strekking. En vervolgens blijkt deze wanhoop een beproeving – de muur van de studio blijkt, na een uitzinnige crisis, doorbroken te kunnen worden.
Wat ons vooral zo kerst-achtig stemt is, als ik het goed heb, de aanvankelijke goedgelovigheid van Truman (gespeeld door Jim Carrey). Hij vertolkt ons decemberse verlangen naar argeloosheid. Het is uiterst bevredigend om iemand (regisseur Peter Weir) een onwaarschijnlijke fictie te zien bedenken, een Ongeloofwaardige Gedachtesprong – en om daar, merkwaardig moeiteloos, ‘ja’ tegen te zeggen. Of: kom maar op, zorg ervoor dat wij je blijven geloven.
Natuurlijk, op dit mysterieuze, en evolutionair onverklaarbare vermogen om ons ‘ongeloof op te schorten’ is alle drama gebaseerd, al sinds de Griekse tragedies, maar we leven al decennia in een epoche van doorgefourneerd realisme. We worden bedolven onder de geloofwaardige, naturalistische verhalen. De onze is de tijd van J.J. Voskuil, pornografie en dikke Google-romans vol controleerbare feiten. Hoogleraren neerlandistiek schrijven ons voor hoe ontzaglijk maatschappelijk relevant we moeten zijn, wat vooral betekent dat we sociologie moeten bedrijven, herkenbare realiteiten oproepen, psychologisch gefundeerd blijven. En vooral: dat we de ene, verifieerbare werkelijkheid die we ‘de samenleving’ noemen ‘recht doen’.
Dit zijn allemaal dienstbevelen die hopeloos vervliegen in het zicht van de eilandfilm. Daarin komt een jongen van veertien per tijdmachine in zijn geboortejaar terecht, en wel ongeveer negen maanden voor zijn feitelijke geboorte, en aldaar ontdekt hij dat zijn ouders elkaar niet dreigen te krijgen. De Ongeloofwaardige Gedachtesprong is dat hij dan dus niet geboren zal worden. En terwijl we hem gaan aanmoedigen om zijn ouders alsnog in elkaars vaarwater te krijgen, doen we iets wat geen neerlandistiek verantwoorde geëngageerde roman ooit zal vermogen: we worden plusminus tienjarig. We geloven wat we meemaken terwijl we weten dat wat we meemaken niet kan. We vertrouwen volledig op een tijdelijke vader, regisseur Steven Spielberg, die op geen enkele manier ‘modern’ wil zijn, en ons dus geen moment opscheept met enige wanhoop over de heuse wereld.
Natuurlijk, wij van het vakantiehuis kunnen escapisten genoemd worden, maar daarmee verklein je wat er in feite gebeurt. We houden de boze wereld buiten, onmiskenbaar, net als de decemberstorm die de duinaanwas bedreigt en de schuifpui geselt. Maar er is beslist ook sprake van een soort opluchting – vier volwassenen, vijf, als de aanhang mee is, soms zes (met mijn moeder erbij) zijn om te beginnen verheugd dat ze het nog kunnen, ‘meegaan met de onzin’. Juist omdat er geen kinderen bij zijn, beseffen we hoe geweldig het is dat we om zo te zeggen ‘intern’ de achtjarige in onszelf tijdelijk van onszelf en onze verdoemende scepsis kunnen vrijwaren. Ik geloof dat iedereen van ons afzonderlijk op zijn tijd tot alle wanhoop geneigd is – daarom zijn we in zekere zin ook verbaasd. Waarom besef je juist als je geniet van iets ongeloofwaardigs dat het zonder vertrouwen niet gaat? Dat, als het er op aankomt, alles afhangt van je vermogen om het kind te laten slapen zelfs al weet je dat de wereld vergaat?
Dit jaar dus Nanny McPhee. Er staat een grote 6 op de dvd-box, ik zou willen dat Tarkovski’s slapende jongen ervan kon dromen. Het is mij een raadsel waarom deze film niet even bekend is als bovengenoemde. De mijnen moeten hem nog zien, dus ik verklap geen klap – maar de wereld die scenarist Emma Thompson (in de regie van Kirk Jones) oproept is hilarisch onbestaanbaar – Roald Dahl-achtig rücksichtslos, Rowling-achtig magisch. Hij ‘gaat over’ opvoeden – de Nanny die door Thompson wordt gespeeld moet zeven voor galg en rad opgroeiende kinderen van een in rouw gedompelde weduwnaar grootbrengen. Er is een Tijdslot: over een maand moet de vader getrouwd zijn. Er is een verlosser, genoemde Nanny McPhee. En boven alles: er is de volmaakt onmaatschappelijke kinderwereld, die weliswaar aangevreten wordt door de rouw, maar die op een fundamentele wijze onaangerand blijft, om een woord van Ida Gerhardt te gebruiken. De Nanny die de orde herstelt en het gezin redt, is, om zo te zeggen, een fictie van de kinderen. Of: zelf een kind. Hoe hardhandig en rigoureus haar pedagogie ook is, zij maakt van de kinderen nimmer de pseudo-volwassenen die ik afgelopen maand in de nieuwsshows voorbij zag komen.
Ben benieuwd of hij wordt opgenomen in de selecte verzameling kerstfilms van het vakantiehuis. Anders zet ik hem op als de wereld vergaat. Om te weten dat ze tot het eind toe hebben bestaan – vertellers en bedenkers als Emma Thompson die vol vertrouwen achtjarig durfden te zijn.