De ongelukkige muis

Ik zit aan de bar bij mijn vriend de kelner, het is laat en donker, verderop zit een groepje mannen dat ik pas in tweede instantie ontwaar. Ze zitten daar in stilte, geen relatieve stilte, maar een echte, absolute stilte. Een van de mannen heeft een grote herder bij zich, die zich bewegingsloos heeft geposteerd voor de ingang.

Ik ben boos, al dagen, een ongerichte woede als een helgele bal in mijn borstkas, niet heet maar kil, elektrisch geladen. Ik ben boos op de plassen in het park en mijn eigen waterdichte laarzen, op de mensen met en zonder spieren bij de yoga, de yogajuf die lengthen uitspreekt als ‘lengden’, de onbeleefde organisator van een literaire avond, dat Daniel Johnston dood is, de veganistische schnitzel die ik midden in de nacht eet omdat er niks anders in mijn koelkast ligt, dat ik honger heb op dat tijdstip, of eigenlijk de hele tijd, dat ik moe ben en wil slapen.

Aan de binnenkant van mijn ellebogen (waarom ken ik de benaming van die plek niet, waarom zijn er zo veel dingen zonder naam), zitten twee plakkertjes met minieme naalden. Ik lijk ergens op aangesloten, maar de naalden zijn aangesloten op mij, de binnenkanten van mijn ellebogen verhouden zich tot mijn longen, die volgens de shiatsu-mevrouw die me behandelt zwak zijn. De longen herbergen verdriet, zegt ze. Ze geeft me een ademhalingsoefening mee. Schrijven, zegt ze, is geen ideaal beroep voor iemand als jij.

Mijn vriend de kelner lijkt geamuseerd door mijn boosheid, alsof ik een kind ben, en vraagt me of ik enig idee heb waar het mee…

Nee, zeg ik, dat is het juist, ik heb geen idee en het maakt me razend.

Hoe minder je ervan afweet, hoe meer pijn het doet, zegt mijn vriend. Dostojevski.

De bedenker van het begrip writers block, Edmund Bergler, schreef dat geestelijk masochisme ten grondslag ligt aan alle menselijke neurosen. De onmenselijkheid van de mens jegens zijn medemens, werd volgens hem alleen geëvenaard door de onmenselijkheid van de mens jegens zichzelf. (De Ierse schrijfster Edna O’Brien, lees ik bij de Amerikaanse schrijfster Sigrid Nunez, constateerde eens droogjes dat een schrijfster een dubbele dosis heeft: het masochisme van de vrouw én dat van de kunstenaar.)

Ik verbaasde me over mijn vermogen zo te schreeuwen, op commando, in gezelschap

Een paar dagen eerder had ik, op het vlakke land van Oost-Groningen, zo hard en lang geschreeuwd dat ik er schor van was geworden. Het schreeuwen was onderdeel van een opdracht, mijn verblijf in Oost-Groningen was onderdeel van iets wat ik voor mezelf had gedefinieerd als schrijfproject (een leugen). Ik verbaasde me over mijn vermogen zo te schreeuwen, op commando, in gezelschap. We moesten ademen zonder te stoppen, in-uit-in-uit, tot er zoveel zuurstof in ons bloed zat dat onze vingers ervan verkrampten. In mijn notitieboekje noteerde ik niets.

Mijn vriend schenkt me nog een glas rode wijn in. Ik vraag hem hoe het gaat met zijn schrijfcursus. Details, zegt hij, het gaat om details. Dat een personage als een kelner niet gewoon rode wijn inschenkt maar licht gekoelde vernatsch uit de Alto Adige. Kleine details, zegt mijn docent, zijn belangrijker dan grote trauma’s.

De mannen verderop zijn zo stil dat ze een tableau vivant lijken uit te beelden. Alsof ik me in The Beanery van Kienholz bevind, mensen met klokken in plaats van gezichten. (Waanzin gaat vaak, citeert psychoanalyticus Darian Leader de psychiater Eugène Minkowski, om te veel contact met de werkelijkheid, niet te weinig.)

Thuis sla ik Dostojevski’s Aantekeningen uit het ondergrondse open, op zoek naar de ongelukkige muis. De ervaring heeft me geleerd dat je niet tegen je gemoedstoestand in moet lezen, de overtreffende trap is beter.

De muis is opgescheept met intelligentie en een bovenmatig bewustzijn: ‘De ongelukkige muis is er al in geslaagd om behalve die ene oorspronkelijke vunzigheid zoveel andere vunzigheden in de vorm van problemen en twijfels rondom zich op te hopen; heeft aan die ene vraag nog zoveel onopgeloste problemen toegevoegd dat zich onwillekeurig rondom haar een noodlottig brouwsel verzameld heeft, een soort stinkende troep, bestaande uit haar twijfels, haar emoties en ten slotte uit de fluimen, waarop ze wordt getrakteerd door de spontane daadmensen, die triomfantelijk om haar heen staan als rechters en potentaten en het uit volle, gezonde borst om haar uitschateren.’

Anders dan die vervloekte ‘daadmensen’ lukt het de ongelukkige muis niet om te leven. Boos trekt ze zich terug in haar hol. ‘Daar in haar smerige, stinkende kruipruimte geeft onze beledigde, verslagen en weggehoonde muis zich onmiddellijk over aan haar kille, venijnige en, vooral, eeuwigdurende woede.’

Ik voel me onmiddellijk opgeknapt, vrolijk bijna. Ik weet dat ik morgen niet meer boos ben, en die gedachte alleen al maakt me razend.