INTERVIEW MET KEES TORN

De ongemakkelijke lach

Cabaretier Kees Torn mijdt de grote theaters. Daar ontbreekt het huiskamergevoel dat hij nodig heeft. ‘Een leuke manier om mijn leven te vergooien.’

‘OPTREDEN IS OORLOGVOEREN tegen de eenzaamheid. Het is een vorm van aandacht vragen, troost zoeken, niet de enige willen zijn. Troost bieden ook, aansluiting vinden. Ik schrijf over wat mij bezighoudt, wat me verwart. Je staat er versteld van hoeveel mensen zich daarin herkennen. Dat is mijn excuus om zoveel flauwekul te mogen verkopen op het podium.’
De gereformeerde afkomst van Kees Torn verloochent zich niet, zo lijkt het even. Maar dat hij een afkeer heeft van al te luchtig cabaret is niet zozeer vanwege het loodzware geloof uit zijn jeugd. Torn: ‘Er is niks mis met puur amusement, maar ik vind het spannender om de hersentjes een beetje te kietelen en het gevaar op te zoeken. Het moet ergens over gaan. Als je alleen maar moppen tapt gebeurt er verder niks. Als je een probleem aansnijdt, komt de lach van veel dieper. Dan zit er iets onder de oppervlakte, je voelt iets van spanning. Dat ben ik de ongemakkelijke lach gaan noemen.’
Zijn vorige soloprogramma Dood en verderf schreef hij na een periode waarin er nogal wat mensen in zijn omgeving stierven. Met name de dood van het baby’tje van zijn toenmalige ex (waarmee hij inmiddels weer een relatie heeft) greep hem enorm aan. Hij schreef er Josefien over, het alom geprezen lied waarmee dat programma eindigde. Torn: ‘Toen ik aan Dood en verderf ging schrijven, zat ik inmiddels al niet meer zo in de knoop met alles wat er gebeurd was en had ik een nogal cynische houding: sodemieter op met al die rouw. Ik had wel een enkel serieus liedje, maar deed toch vooral gek, met leuke grafschriften en recensies van crematies en zo. Ik spuugde de dood recht in z’n smoel. Tot ik het dan aan het eind over Josefien moest hebben. Tot tranen toe geroerd om een baby’tje. Daarmee kwam het programma op z’n pootjes terecht. Ik heb die constructie niet van tevoren zo bedacht, het is zo uitgepakt, ik kon dat liedje nergens anders kwijt. Mensen gingen vaak jankend de zaal uit. Dat was niet mijn bedoeling, er was gewoon geen ontkomen aan.’
Het programma werd lovend ontvangen en Torn kreeg er de Poelifinario voor, de belangrijkste onderscheiding voor een cabaretvoorstelling. Even was hij bang dat het succes hem boven het hoofd zou groeien: ‘Ik voel verwantschap met Theo Maassen. Die wil ook geen roem, ergert zich eraan dat hij al een staande ovatie krijgt wanneer hij het podium opkomt, nog voor hij zijn mond heeft opengedaan. Bij hem is het uit de hand gelopen. Je kunt Theo nu niet meer in het Werftheater zetten of PePijn, dan staat de telefoon daar roodgloeiend.’
Juist die kleine zalen zijn het territorium waar Kees Torn zich als een vis in het water voelt: ‘Ik herinner me een gesprek met mijn impresario Harry Kies, midden jaren negentig. Mijn eerste programma werd in de pers een “ijzersterk debuut” genoemd, ik was een “nieuwe belofte”. Kies wilde me toen lanceren, maar ik zei: “Laat mij maar in die kleine zalen blijven klooien.” Daarom heeft hij me toen niet zo gepromoot als gekund had en ben ik links en rechts ingehaald door Marc-Marie Huijbregts, Eric van Sauers, Plien & Bianca en noem ze allemaal maar op.
Ik kan maar één kunstje: met een liedje op het toneel zitten. Dan moet het publiek niet tweehonderd meter van je vandaan zitten. Ik vind het al gek om in de Kleine Komedie te spelen, of in de Leidse Schouwburg met vijfhonderd mensen om me heen. Ik hoor in kroegachtige etablissementen te staan: die intimiteit, dat huiskamergevoel heb ik nodig. Hoe groter de zaal, hoe moeilijker het wordt om dat gevoel te forceren. Toen het Leids Cabaretfestival 25 jaar bestond heb ik twee weken lang samen met andere oud-winnaars Carré onveilig gemaakt. Dat was heerlijk om te doen hoor, we hebben veel lol gehad. En je hebt daar weliswaar tweeduizend mensen om je heen, maar die vormen een soort stuwdam; door al die balkons voelt het alsof ze toch heel dichtbij zitten. Mijn optredens lukten ook, ik kreeg de zaal goed mee. Maar toch voel ik me daar niet op mijn plek. Ik hoor in de marge.’
Torn maakt cabaret van de oude stempel. De liedjes staan centraal, zijn conferences zijn in feite uit de hand gelopen aankondigingen. Hij wordt vaak vergeleken met Drs. P. en Jules de Corte, twee van zijn voorbeelden. Zijn taalvaardigheid wordt geprezen, maar ook bij het componeren maakt de gewezen conservatoriumstudent zich er niet met een paar losse akkoordjes van af: ‘Ik doe daar erg mijn best op. Alles draait om die teksten, maar met de muziek kan ik daar wat energie aan meegeven. Dat hebben ze nodig, ik eis al genoeg van het publiek, dat moet goed luisteren, ik ben geen entertainer die ze amuseert. Ik vind het nog steeds lastig om de juiste cadans te kiezen, de juiste akkoordjes, de juiste toonsoort, de juiste modulaties op het juiste moment. En ik wil iets te doen hebben achter de piano. Soms schrijf ik zulke ingewikkelde partituren dat ik het niet aankan. Ik heb liedjes gemaakt die bijna elke avond wel ergens ontspoorden.’

Zijn nieuwe (achtste) soloprogramma heet Einde verhaal, omdat Torn bij het inleveren van die titel even vreesde dat het succes hem de pas zou afsnijden en hij ermee zou moeten stoppen. Maar vooral ook omdat hij dit keer geen allesoverheersend thema wilde, zoals in Dood en verderf. Wel snijdt hij voor het eerst het onderwerp kerk aan. Enkele jaren geleden heeft hij definitief afscheid genomen van het gereformeerde geloof waarin hij werd opgevoed: ‘Ik kom uit een protestants gezin, de hele familie bestond uit kerkgangers. Ik heb me daar nooit in thuis gevoeld.’
Zijn vader was ouderling, maar ook hij viel van zijn geloof, waarna zijn ouders scheidden. Torn bleef bij zijn moeder wonen. ‘Elke dag werd er gebeden voor mijn vader. Of hij alsnog gered mocht worden. Toen hij dood was wisten we niet meer waarvoor we moesten bidden. Alle hoop was verloren.’ Torn stelt het op tamelijk laconieke toon vast, zoals hij ook niet te veel woorden vuil maakt aan het feit dat hij nauwelijks contact meer heeft met zijn familie. ‘Mijn moeder schijnt er niet zo mee te zitten dat ik niet meer gelovig ben’, klinkt het vaag.
‘Voor mijn nieuwe programma heb ik een liedje geschreven over het kind dat ik vroeger was, dat gewoon leuk zat te spelen en nog helemaal niet bezig was met de vraag of hij gelukkig was. Op een gegeven moment komen je ouders, het onderwijs en de kerk de boel verpesten, terwijl je voor die tijd tien keer per dag een eldorado ontdekte, of een heilige graal. Dat lag allemaal voor het oprapen in je fantasie.’
Zijn sociale leven is erop vooruitgegaan sinds hij het geloof de rug heeft toegekeerd: ‘Voor die tijd vonden vrienden me altijd een beetje eng. Omdat ze mijn intelligentie, nuchterheid en scepsis maar moeilijk konden rijmen met die gelovigheid. Nu konden ze ineens fatsoenlijke gesprekken met me voeren, zonder dat die god en die liefde er tussen kwamen. Al blijf ik ze wel vragen om niet te vloeken in mijn bijzijn. Dat vind ik nog steeds lelijk.’
Vroeger schreef hij lange brieven aan zijn vrienden over wat hem bezighield. Tegenwoordig kan hij dat kwijt in zijn liedjes: ‘In het begin was optreden voor mij gewoon jubelen om de aandacht. De eerste keer dat ik op het podium terechtkwam en een gedichtje voordroeg waarop het publiek reageerde, was het alsof ik thuiskwam. Later ging zo’n zaal voelen als een vriendin, een omhelzing. Daar kwam ik van terug toen ik merkte dat ik toch steeds weer in m’n eentje naar huis moest en zeker toen ik een échte vriendin kreeg. Daarna kwamen er andere drijfveren. Het na afloop napraten met mensen levert soms heel veel op, alleen dat is al voldoende reden om het telkens weer op te brengen. Maar daarnaast vooral het contact met de zaal, de manier waarop mensen reageren en hoe ik daar dan weer op kan inspelen. Wim Kan noemde dat pingpongen met de zaal. Dat gaat soms mis, kan helemaal ontsporen. Je weet niet wat er gaat gebeuren, ieder optreden is uniek, onherhaalbaar. Het is een leuk spelletje. Ik verkneukel me op die avondjes. Een leuke manier om mijn leven mee te vergooien.’

Kees Torn, Einde verhaal. Tournee vanaf 5 februari. www.harrykies.nl