George Smiley: een mollige jongen met dikke brillenglazen

De ongrijpbare buitenstaander

Als George Smiley niet door John le Carré was uitgevonden, zou hij ongetwijfeld echt hebben bestaan. Zijn geesteshouding is fascinerend, doorgronden zullen we hem nooit.

De stad Londen kent twee adressen van uitzonderlijke beroepsspeurders. Het ene is Bakerstreet 221b, domicilie van Sherlock Holmes en zijn rechterhand dokter John H. Watson. Het andere is Bywaterstreet 9 in Chelsea, het woonhuis van George Smiley en gedurende zijn kortstondige huwelijk ook dat van de spectaculaire society-schoonheid Ann Sercomb. Het eerste huis is kunstmatig opgekalefaterd en veranderd in een museum. Het tweede is nog steeds wat het altijd geweest is: een bescheiden rijtjeshuis in een goede buurt met lavendelblauw gepleisterde muren en witte raamkozijnen, een goed onderhouden voortuintje en een stenen bordestrap waarop de melkboer voordat hij door de lokale supermarkt werd weggeconcurreerd elke ochtend zijn flesje neerzette.
Het verschil tussen beide mannen is dat Holmes enkel kon bestaan in de fantasie van Arthur Conan Doyle, terwijl John le Carré zijn protagonist ternauwernood aan de werkelijkheid ontrukte door over hem te schrijven. Anders gezegd: als Smiley niet was uitgevonden, dan zou hij ongetwijfeld echt bestaan hebben. Het beste bewijs is dat we over Smiley, anders dan over Holmes, heel weinig weten, of het nu gaat om zijn voorkeur voor miskende zeventiende-eeuws Duitse dichters, zijn mislukte huwelijk of zijn diepste drijfveren als spil van de Britse contraspionage. En dat terwijl zijn geesteshouding het meest fascinerende aspect van zijn persoon is, boeiender dan al zijn wederwaardigheden als spionnenjager en zelfs interessanter dan zijn grootste succes, het uitroken van een KGB-topman bekend onder de schuilnaam Karla.
George Smiley werd in 1906 geboren als zoon van hardwerkende middle class-ouders in Zuid-Engeland. Op de privé-school die zijn ouders dankzij een grote financiële opoffering konden bekostigen kenden zijn klasgenoten hem als een mollige, eenzelvige jongen met dikke brillenglazen. Hij zat veel met zijn neus in de boeken en had een afkeer van sport, maar legde in alles wat hij deed een onverklaarbare onverzettelijkheid aan de dag, alsof hij werd gedreven door een diep verankerd plichtsbesef of een hevige aandrang om zijn aardse bestaansrecht te bewijzen, zoals je die wel vaker ziet bij introverte karakters. Een van zijn latere partners, de gepensioneerde Londense politieagent Mendel, zei eens dat Smiley hem deed denken aan een dikke jongen tegen wie hij ooit op school gevoetbald had. Die kon niet hardlopen of schieten en was zo blind als een mol, maar hij blééf maar komen: ‘Boksen deed hij ook. Ging er altijd in zonder enige dekking, molenwiekend met zijn armen. Werd bijna doodgeslagen voordat de scheids er een eind aan maakte. Slimme knul ook.’
Na kostschool ging Smiley moderne talen studeren aan Lincoln, een van de meer obscure Oxford colleges. Hij legde zich toe op een zo mogelijk nog obscuurder vakgebied, de Duitse barok. Zijn voorkeur voor dichters uit die periode is wellicht te verklaren uit de dramatiek en emotionele felheid van hun werk die zo'n uitdagend contrast vormden met Smiley’s eigen terughoudendheid. Zijn goede studieresultaten leverden hem een uitnodiging van het prestigieuze All Souls College op, maar ondanks zijn zelfdiscipline, zijn encyclopedische kennis en zijn onmiskenbare didactische kwaliteiten was George Smiley niet in de wieg gelegd voor een academische carrière. Zijn tutor Jebedee zag dat scherper dan Smiley zelf. Hij raadde zijn protégé aan eens te gaan praten met een uitwisselingsorganisatie genaamd Overseas Committee for Academic Research: 'Geef ze een kans, George, ze betalen zo slecht dat je verzekerd zult zijn van goed gezelschap.’
Zodoende zat Smiley op een mooie zomerochtend in 1928 onzeker met zijn ogen knipperend tegenover een groep academici van grote faam, stuk voor stuk autoriteiten op hun vakgebied. Ze lieten al snel hun dekmantel vallen en stelden hem voor om net als zij te gaan werken voor de Britse geheime dienst. Smiley vroeg en kreeg een dag bedenktijd. Hij trakteerde zichzelf op een goede hotelkamer en een theaterbezoek in Londen in het lichtzinnige besef dat hij toch wel 'ja’ zou zeggen, zelfs al was de kwestie van zijn toekomstig salaris in het gesprek met de commissie niet eens aan de orde gekomen. Waarom stemde hij toe? We kunnen er enkel naar gissen. Misschien omdat het gesprek met de commissie hem duidelijk had gemaakt dat hij gewenst was, dat iemand als hij nodig was en dat hij in dienst van het algemeen belang zijn bestaansrecht kon bewijzen. Hij zou dat doen met dezelfde onverzettelijkheid, dezelfde discipline en dezelfde nauwgezetheid die hem als schooljongen en student kenmerkten.
Smiley doorliep de gebruikelijke training van een aankomend agent die hem onder meer naar Latijns-Amerika en Midden-Europa voerde. Zijn eerste volwaardige opdracht kwam in 1935 toen MI6 hem uitzond als 'docent Engels’ naar een Duitse universiteit. Hij doceerde over Keats, peilde op slinkse wijze de geestesgesteldheid van zijn studenten en gaf de namen van potentiële rekruten door aan het hoofdkwartier in Londen, gevestigd aan Cambridge Circus en derhalve kortweg 'het Circus’ genoemd. Of het Circus iets met die namen deed, en zo ja wat, dat kreeg hij niet te horen. Hij wist niet eens of zijn aanbevelingen Londen wel bereikten.
Smiley was in Duitsland meer op zichzelf aangewezen dan hem lief was. De voldoening van zijn eerste zelfstandige operatie in het buitenland week al snel voor een diepe teleurstelling. Hij was van nature al niet extravert en de verplichting om zijn studenten en collega’s te beoordelen op hun 'spionagepotentieel’ sloot elke spontane omgang en de vorming van echte vriendschappen uit. Zijn 'schutkleur’ liet bovendien niet toe dat hij openlijk zijn mening gaf over het oprukkend nazisme dat hem wezensvreemd was. Het dieptepunt kwam in de strenge winter van 1937. Vanachter het raam van zijn werkkamer keek Smiley met het zweet in zijn handen toe terwijl honderden studenten, onder wie sommige van zijn eigen pupillen, een vreugdevuur aanrichtten en met hysterische ijver de werken van Heine, Lessing en Thomas Mann aan de vlammen toevertrouwden. Nu wist hij eindelijk wie zijn vijand was: de mens, ondoorgrondelijk en tot alles in staat. En hij wist wat hij zelf was: een ongeneeslijke buitenstaander, behept met een intellectuele distantie die ook tegen de grootste emotionele inbreuk bestand was en die hem voorgoed van zijn medemens afzonderde.
Des te raadselachtiger was zijn vluchtige huwelijk met Ann Sercomb, een boegbeeld van de Londense jeunesse dorée, die een volstrekt onwaarschijnlijke en op den duur onhoudbare genegenheid voor hem opvatte. Hun huwelijk was zijn enige afdaling in de realiteit, zoals hij het zelf omschreef. En een noodlottige, want hoewel de echtelieden momenten van onmiskenbare intimiteit kenden, was hun relatie ten dode opgeschreven. Ze wisten het allebei. Toen Ann zich - 'so sorry, darling’ - met een Cubaanse autocoureur uit de voeten maakte naar Zuid-Amerika, vertrouwde ze George nog wel toe dat ze hem op dat moment moest verlaten omdat ze het anders nooit meer zou kunnen. Ze was nooit dichter bij een liefdesverklaring gekomen; Smiley zou nooit dichter bij het geluk komen dan in die paar jaar met haar.

Ook in zijn werk voor de Britse inlichtingendiensten zou Smiley een buitenstaander blijven. Het oude Circus dat hem lief was, bevolkt als het werd door intellectuelen en onorthodoxe karakters, was kort na de oorlog opgeheven. Het maakte plaats voor een doods kantoor waar bureaucraten en technici de dienst uitmaakten terwijl de grote inlichtingenklussen werden overgelaten aan de Amerikaanse bondgenoten. Smiley zat steevast in de buitendienst, nu eens als adviseur, dan weer als vooruitgeschoven pion, 'expendable’ en in zijn eentje opererend om de rotzooi op te ruimen die minder competente functionarissen hadden achtergelaten. Hij is aan latere generaties ten voorbeeld gesteld als rolmodel, als drager van liberale waarden en van het vermogen om steeds het juiste evenwicht te vinden tussen doel en middelen, tussen persoonlijke gevoelens en politieke eisen, tussen conflicterende belangen en tegenstrijdige loyaliteiten die een normaal mens in totale verwarring en dadenloosheid zouden achterlaten.
Deze interpretatie van zijn persoon gaat echter voorbij aan de dubieuze rol die Smiley speelde bij de ontmaskering van een Britse agent kort na de bouw van de Berlijnse muur. Deze agent, in officiële stukken aangeduid als Alec Leamas, had opdracht om zich te gedragen als een potentiële overloper en de aandacht van de Oost-Duitse inlichtingendienst te trekken. Wanneer de Oost-Duitsers toehapten en hem naar de DDR overbrachten, moest hij op subtiele wijze hun topman Mundt in diskrediet brengen door hem als een Britse agent af te schilderen. In werkelijkheid was Mundt inderdaad een Brits agent en werd Leamas slechts gebruikt om Mundts positie aan de top van de Stasi te versterken.
Smiley’s enige maar beslissende aandeel in deze episode bestond hierin, dat hij Leamas’ dekmantel van aan lager wal geraakte agent systematisch doorprikte door ostentatief al Leamas’ schulden bij de bakker, de kruidenier en de huisbaas te betalen. Smiley moet hebben geweten dat de Oost-Duitse inlichtingendienst hier vroeg of laat lucht van zou krijgen. Dat gebeurde inderdaad, met als gevolg dat Leamas werd doorzien en nooit meer uit de kou van zijn clandestiene bestaan zou terugkeren. Het evenwicht tussen doel en middelen was hier volledig zoek. Een individu - en nog wel een voortreffelijk agent - werd doelbewust opgeofferd aan het institutioneel belang. Zijn ogenschijnlijk verraderlijke rol in deze zaak maakt Smiley ook voor ons, lezers die vanuit een ideale 'informatiepositie’ terugkijken op de man en zijn carrière, tot een ongrijpbare buitenstaander. Het is zoals Smiley zelf zich eens liet ontvallen: 'We weten gewoon niet hoe mensen in elkaar zitten, we kunnen ze nooit doorgronden. Er bestaat geen waarheid over menselijke wezens.’