De onkenbaarheid van de vader

Maarten Moll, Lichaam, EUR 24,95

RUG

De rug verhult de pens, een lelijk gezicht
de bril die niet staat, mannenborsten, een snor.

De rug is een eenmalig gedrukte kaart en via de moedervlekken
wild vlees en rode bulten rijd je van huis naar Kiruna
naar Omsk en Tomsk en naar een punt ten noorden van Berlijn
waar wolven zijn gezien.

Ik herinner me de rug van mijn vader als schuilplaats, de plek
waar niemand me weg zou halen.

Mijn handen gleden nooit onder zijn hemd om ergens heen te gaan.

De mens is een kleine ziel, die een lijk meezeult. Aldus de stoïsche filosoof Epiktetos, die blijkbaar geen hoge dunk van het lichaam had. Nu de neurologie de ziel heeft afgeschaft, houden we alleen het lijk over. Het handelt, praat en denkt, maar uiteindelijk worden we bepaald door de materie waaruit we bestaan en die we fundamenteel niet kennen. Wie zich een voorstelling maakt van de vezels, botten, sappen en excrementen die de kern vormen van wie wij onze dierbaren noemen, wordt overvallen door een sensatie van vervreemding.
In zijn debuut Lichaam maakt Maarten Moll (1966) deze vervreemding pijnlijk voelbaar. Niet alleen staat het lijf in zijn onbegrijpelijke materialiteit centraal, met alle wonderlijke en ontluisterende details die daarbij horen, de dichter heeft het gegeven nog meer gewicht verleend door niet zijn eigen lichaam als uitgangspunt te nemen, maar dat van zijn overleden vader. Hoe goed ken je de fysieke eigenschappen van de man die je verwekt heeft, wiens genen je reproduceert, op wie je lijkt? En wat wíl je er eigenlijk van weten?
Moll gaat daarin tot het uiterste:

Je bent de zoon van de man wiens lichaam je niet kent.
Als je hem moet identificeren aan de hand van een lijk zonder hoofd
krijg je het moeilijk.

Zo opent een bundel die het lichaam van de vader in ruim vijftig gedichten aan een systematisch onderzoek onderwerpt. Daarbij komt alles aan de orde, van handen tot ogen, van bloed tot hersenen, van adem tot moedervlekken, steeds met de slotsom dat er bedroevend weinig over te zeggen valt en dat eventuele herinneringen eraan vervaagd zijn.
Stel dat de handen in een glazen pot op sterk water op tafel werden gezet, zou je ze dan herkennen? ‘Het zouden de handen van een moordenaar kunnen zijn/ die gescheiden van het brein en met niets meer te wurgen/ onschuldig in de vloeistof zweven.’ Dit roept de vraag op of het lichaam verantwoordelijk is voor zijn eigen daden - en zo niet, welke instantie is dat dan wél? Helaas geldt het evenzeer voor prijzenswaardige daden: 'Heeft hij wel iets gedaan om zijn handen onsterfelijk te maken?’ Hoe verhoudt de stof waarin je bestaat zich tot de mens die je denkt te zijn? En wat blijft er na je dood van over? Zelden werd een vader zo definitief ontleed als in deze bundel.
De verhouding tussen de zoon en de vader in dit boek is van een soms onthutsende intimiteit, die op zo'n manier wordt opgeroepen dat de lezer zich een voyeur gaat voelen. De dichter vertelt van een verblijf in een hotel aan de Loire, waar hij op 37-jarige leeftijd in bed ligt, 'rug aan rug/ met je kont tegen de kont van je vader’:

Je denkt een tijd aan de kont van je vader
hoe herinneringsloos je bent aan die billen.

Bijna gênant is de volgende confessie: 'In de laatste weken voor zijn dood vaak de wasmand omgekeerd/ om aan zijn overhemden te ruiken, zijn sokken. Voor de onderbroeken/ was hij nog niet dood genoeg.’
De inventarisatie van het lichaam vormt aanleiding om herinneringen op te halen aan gedeelde belevenissen, en zo rijst via een omweg uit het lijk toch weer een ziel op. De vader is een 'smetteloze man’, zonder opvallende eigenschappen, zonder erotische geheimen, maar de nuchtere tederheid waarmee de zoon hem herdenkt maakt de bundel tot een subtiel monument. Niet geheel zonder ironie constateert hij dat zijn vader zelden op reis ging, maar wel een douchegordijn had waarop een wereldkaart stond afgebeeld, en dat hij zijn verlangen naar verre oorden blijkbaar afdoende kon bevredigen door plaatsnamen als 'Tsjeljabinsk’ uit te spreken. Commentaar van de zoon: 'Tsjeljabinsk is een grote industriestad in de Oeral zonder bezienswaardigheden.’
De betrekkelijke onkenbaarheid van de vader en de wazigheid van het geheugen komen tot uitdrukking in de prozaïsche vorm van de gedichten, die eerder de indruk wekken losse notities te zijn dan doorwrochte kunstwerken. De dichter, die in het dagelijks leven journalist is, registreert, houdt afstand, stelt vast, maar psychologiseert niet en probeert al helemaal niet de bevlogen lyricus uit te hangen. De sporadische momenten waarop hij een metafoor of een enjambement inzet, vallen daardoor uit de toon. Een regelafbreking als 'je weet het/ niet’ kan echt niet meer, en de mededeling dat het afzagen van een hoofd een 'nogal bloederig karwei’ is, voegt niets toe.
Toch heeft Moll goed over de compositie van zijn gedichten nagedacht. Een fraai voorbeeld is het gedicht Nooit, waarin vier strofen vol opsommingen van mogelijke gespreksonderwerpen tussen vrienden eindigen met een verwijzing naar de dood. Wanneer vervolgens de vijfde strofe zegt dat we nooit praten 'over de pikken van onze vaders’, legt de lezer automatisch een verband tussen sterven en voortplanting.
Hoewel het boek over de vader lijkt te gaan, is het vanzelfsprekend de zoon die we het best leren kennen. Deze is zich bewust van de mate waarin hij diens evenbeeld is, althans zou kunnen worden: 'In iedere man heerst de legendarische angst/ dat hij op een dag het gezicht van zijn vader tevoorschijn scheert’. In een ander gedicht pleegt een man zelfmoord 'omdat zijn handschrift/ precies dat van zijn vader was geworden’. Het is dus nog erger dan Epiktetos dacht: je bent een zieltje dat het lijk van zijn vader meezeult.

MAARTEN MOLL
LICHAAM
Contact, 64 blz., € 24,95