Ballingen in de geschiedenis

De onmisbare balling

Hoeveel heeft de wereld, heeft Nederland, heeft Amsterdam te danken aan de balling die er van elders een toevluchtsoord vindt? Hoeveel draagt de elders vervolgde, de uitgewekene bij aan de samenleving waarin hij vervolgens belandt? Hoe welkom is hij daar, ook – of juist – als het een ‘grote’ naam betreft?

Door de eeuwen heen hebben vooral steden gefungeerd als veilige haven voor hen die elders niet meer welkom waren of voortdurend door de autoriteiten werden tegengewerkt. Stadslucht maakt vrij, ook van brute ingrepen in de persoonlijke fysieke en psychische bewegingsvrijheid van buiten- en bovenaf.

Vrijheid staat voor ons vrijwel gelijk aan pluriformiteit, wat zelfs wel eens zó breed wordt opgevat dat binnen die pluriformiteit ook weer ruimte is voor niches van onvrijheid – denk aan de discussies over een boerkaverbod, waarbij een wettelijke beperking van de feitelijke vrijheidsbeperking waarvoor de boerka model staat, aan tal van bezwaren onderhevig blijkt. Of denk aan de opvang van mensen die vluchtten voor een nieuw despotisch regime, terwijl ze zelf onder een vorig despotisch regime de nodige gruwelen hebben bedreven. Ook de komst van zulke mensen resulteert in een vorm van pluriformiteit waarmee zelfs de meest vreemdelingvriendelijke samenleving moeite zal hebben.

Ook blijkt niet elke intellectuele balling, die zich bij zijn komst met veel pathos op zijn recht op vrijheid beroept, vervolgens ook echt vrijheid voor te staan. Een voorbeeld vormt de Russische schrijver en dissident Solzjenitsyn, die niets moest hebben van het Westen waar hij onderdak vond en voor zijn vaderland na de val van het communisme de terugkeer naar een even onvrij precommunistisch verleden propageerde. Was het toeval dat hij als balling in de Verenigde Staten zijn landgoed liet omringen met camera’s en prikkeldraad?

Maar ook de ware vrijheidsvoorvechter die een dictatuur ontvlucht en elders als balling onderdak vindt, was en is niet altijd een even graag geziene gast. Achteraf mogen de Nederlanders er trots op zijn dat zij ooit een Descartes of Spinoza onderdak hebben geboden, op het moment zelf gold zo iemand geregeld als hinderlijke last. Niet zelden liep hij aanvankelijk tegen gesloten deuren aan. Ballingen zijn vaak querulanten, potentiële onruststokers die menen de verkondiging van hun ideeën en idealen ook in het buitenland voort te moeten zetten – daarvoor zijn ze immers uitgeweken – en dat komt de autoriteiten niet altijd even goed van pas. Het kan immers de relatie met het land van herkomst van de balling nodeloos belasten, zoals in de jaren dertig die tussen Duitsland en Nederland: ook Hitlers terreurbewind gold als dat van een bevriende natie, die niet nodeloos door provocaties van hinderlijke Duitse vluchtelingen getart moest worden. Een principieel openstaan voor politieke vluchtelingen ging ten onzent vaak met – voor een klein land ook niet onlogisch – praktische behoedzaamheid gepaard. Men mocht komen, mits men zou zwijgen. Dat betrof bijvoorbeeld Kaiser Wilhelm II (overigens ook geen intellectueel), die op 10 november 1918 plotseling en ongevraagd op het spoorperron van Eijsden opdook. Liever niet, dacht Den Haag, maar men zei er uiteindelijk toch maar ja.

Zwijgen was iets dat Wilhelm II overigens slecht kon. In Doorn was hij de hem resterende levensjaren continu ijverig bezig om te pogen naar huis terug te keren, en daarvoor was hij in 1932 zelfs bereid Hermann Goering op zijn buitenhuis te ontvangen: geen zee ging de ex-keizer te hoog. Met name zijn tweede echtgenote was voortdurend in de weer om complotten ter ondermijning van de Republiek van Weimar te beramen, en het sprak vanzelf dat men dat in Den Haag met lede ogen aanzag.

Pogen naar huis terug te keren: dat deden ook de vele ex-revolutionairen, ex-bonapartisten en nog vele andere soorten ex-Fransen die zich in het Restauratietijdvak in de zuidelijke hoofdstad Brussel van het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden van Willem I gevestigd hadden. Zij vonden er veilig onderdak, maar brachten vervolgens de Nederlandse staatsveiligheid in gevaar met hun plannen om van hieruit de herstelde Bourbons in Parijs (de dikke Lodewijk XVIII en de domme Karel X) van de troon te stoten. Die bannelingen wisten zelfs de eerzuchtige en naar erkenning dorstende kroonprins – onze latere koning Willem II – voor hun karretje te spannen door hem de Franse kroon in het vooruitzicht te stellen. De zaak dreigde zo Europese dimensies aan te nemen; de tsaar zag zich genoodzaakt in te grijpen en Willem I persoonlijk te vragen zijn zoon tot de orde te roepen, wat ook gebeurde.

Omgekeerd was Parijs in de jaren vóór Napoleon een actief exporteur van gevaarlijke revolutionairen, die elders de grond onder eeuwenoude tronen moesten omwoelen. Zoals de Duitsers in 1917 de intellectueel Vladimir Iljitsj Oeljanov, beter bekend als Lenin, per trein vanuit zijn Zwitserse ballingsoord terug naar zijn Russische vaderland brachten, als explosief Duits geschenk aan de tsaar, zo zadelden ook Danton, Saint-Just en Robespierre het buitenland maar al te graag op met revolutionairen van eigen bodem, nadat die in Frankrijk een nuttige leerschool hadden doorlopen.

Frankrijk was toen ook een toevluchtsoord voor veel Nederlandse intellectuelen geweest, namelijk voor patriotten die na de brute Pruisische inval in september 1787 voor de fysieke straatterreur van het orangistische plebs en de politieke vervolging door een wraakzuchtige prinses Wilhelmina hadden moeten uitwijken.Dat laatste kan het bestaande beeld van Nederland, en daarbinnen specifiek Amsterdam, als vrijplaats voor ballingen van elders misschien iets relativeren. Dat geldt ook voor de Gouden Eeuw, toen hier te lande gedrukt en geschreven mocht worden wat elders strikt verboden was. Is het niet veelzeggend dat de beroemdste Nederlandse intellectueel uit de zeventiende eeuw, Hugo de Groot, na zijn ontsnapping uit Loevestein in 1621, naar Stockholm is uitgeweken om uiteindelijk in Rostock te overlijden?

Toch kan gesteld worden dat de Nederlandse Republiek in deze jaren aanzienlijk toleranter was dan menig vorstendom. Daar maakte immers in het tijdvak van het absolutisme één monarch min of meer de dienst uit, die kon bepalen wat er aan meningen al dan niet geoorloofd was. In republieken – en dat gold ook voor de Italiaanse stadstaten of de vrije steden in het Heilige Roomse Rijk – is de macht meer verdeeld, en zijn de meningen dat daarmee ook. Pluriformiteit! Terwijl elders het beginsel van de Augsburgse Confessievrede – cuius regio, eius religio: wiens land, diens geloof – ervoor zorgde dat de vorst zijn volk de ware kerk voorschreef en alle andere daarmee buiten de wet verklaarde, was de Republiek vanaf het begin confessioneel gemengd: de leden van de officiële heersende calvinistische kerk vormden, ongeacht de mythe van Nederland als protestantse natie, slechts een minderheid, die vanaf het begin het bestaan van andere minderheden – de katholieke vooraan – gedogen moest.

En wat voor het geloof gold, gold ook voor het denken in het algemeen. Ondanks alle fanatieke geestdrijverij van orthodoxe predikantenzijde jegens de paapse afgoderij konden de katholieken in de Republiek binnenshuis redelijk ongestoord hun gang gaan. Er bestond, anders dan in Spanje of Frankrijk, geen gewetensdwang en dat maakte de Verenigde Provinciën tot een favoriet ballingsoord voor hen die wegens theologische of intellectuele eigenzinnigheid het rechtzinnige vaderland moesten ontvluchten. Nederland dankte daaraan in de Gouden Eeuw voor een groot deel zijn bloei.

Dat deed in de achttiende eeuw sommige koninkrijken dat voorbeeld volgen: Engeland na de Glorious Revolution, toen de angst voor een roomse restauratie begon weg te ebben, en bovenal Pruisen. De Hohenzollern hoopten hun dunbevolkte territorium door middel van een ruimhartige immigratiepolitiek aan gewicht te doen winnen, waarbij, in de woorden van Frederik de Grote, iedereen maar op zijn manier zalig worden moest – op een gegeven moment was elke derde inwoner van Berlijn van huis uit een Fransman.

Eén ding werd daarbij steeds opnieuw duidelijk: gastvrije staten haalden zo wel vaak grote namen in huis, maar even vaak ook een hoop politieke onrust. Frederik, die (ook om zijn eigen intellectuele standing te vermeerderen) een tijdlang aan Voltaire onderdak bood – overigens niet als Frans balling maar meer als Frans spion – kon weliswaar diens intellectuele grootheid niet ontkennen, maar moest tegelijk constateren dat hij nog nooit met zo’n weerzinwekkende intrigant te maken had gehad: ‘Hij is goed om te lezen, maar gevaarlijk om te ontmoeten.’ Toen Voltaire in zijn spotlust uiteindelijk ook de Pruisische koning niet ontzag, liet deze de Franse filosoof vanwege een infaam libel op diens terugreis naar Parijs zelfs in Frankfurt oppakken en voor de duur van vijf weken gevangen houden.

Dat brengt ons op een cruciaal punt: heeft al die politieke en intellectuele onrust, waar die bannelingen in de loop der eeuwen voor zorgden, Europa uiteindelijk ook vooruit geholpen? Het antwoord op die vraag luidt: ja. Aan het feit dat vrijwel alle dwarsliggers en excentriekelingen uiteindelijk ergens in Europa onderdak vonden, dankt Europa vermoedelijk zijn enorme voorsprong op de rest van de wereld. Een voorsprong die in de Middeleeuwen nog volstrekt ontbrak – sterker, China en de Arabieren lagen toen qua beschavingspeil aan kop – maar in de vroegmoderne tijd geleidelijk zichtbaar werd. Waaraan was dat te danken? Wel, het gaat te ver dat geheel op conto van al die bannelingen te schrijven, maar zij speelden daarbij zeker een niet oninteressante rol.

Er is, ook vanwege de relatie tussen arbeidsethos, kapitalisme en protestantisme, wel door historici gesteld dat die Europese suprematie in de kern te danken is aan de Reformatie: het zijn immers Engeland, Nederland, Pruisen die tijdens het ancien régime zo’n hoge vlucht nemen, en dan een – vrijwel tot op de dag van vandaag behouden – forse welvaartssprong verwerven op katholieke landen als Spanje of Italië. Dat is echter iets te simpel, ofschoon er zeker enige samenhang bestaat. Maar het is vermoedelijk niet zozeer de Reformatie als zodanig, als wel het mislukken van de Reformatie – of beter gezegd: het maar gedeeltelijk lukken van de Reformatie – geweest die voor die sprong voorwaarts van Europa heeft gezorgd. Met de Reformatie werd immers niet – zoals zonder twijfel Luthers en Calvijns intentie was – de ene waarheid voor een andere waarheid ingeruild, als wel feitelijk het waarheidsmonopolie, dat zolang bij de katholieke kerk had berust, doorbroken.

Omdat niet iedereen door Luthers nieuwe waarheid overtuigd werd, spleet Europa in twee helften, die tegelijkertijd intensief met elkaar in intellectueel contact bleven dankzij een het hele continent omspannend netwerk van geleerden en universiteiten, van Lissabon tot Uppsala. Weliswaar waren veel opvattingen in veel landen taboe, maar meestal was het zo dat wanneer iemand ergens iets verbodens bedacht en verkondigde en daarom de benen moest nemen, er ergens anders wel een koning of burgemeester opstond die zei: kom gerust naar mij.

Zo ontstond op ‘pan-Europees’ niveau in de loop van de zestiende eeuw dankzij al deze ballingen steeds meer discussieruimte en denkvrijheid, die in de zeventiende eeuw de weg baanden voor de zogeheten wetenschappelijke revolutie en in de achttiende voor de Verlichting. Die formaliseerde uiteindelijk de feitelijk gegroeide intellectuele ruimte door, als les uit de rampzalige godsdienstoorlogen voordien, de religieuze vrijheid en verdraagzaamheid centraal te stellen. Met de Franse Revolutie mondde dit uit in ons parlementaire stelsel, dat met zijn politieke partijen de pluriformiteit tot principe heeft verheven, op basis van de vrijheid van meningsuiting. In de zeventiende eeuw grotendeels gegroeid, in de achttiende eeuw grotendeels gerealiseerd, in de negentiende eeuw grotendeels tot juridische grondslag van de samenleving verheven, terwijl de oudere censuurbepalingen in de ontluikende westerse democratieën stuk voor stuk werden afgeschaft.

Die ontwikkeling was ondenkbaar zonder de politieke verdeeldheid die Europa met zijn veelvoud aan souvereine staten in de vroegmoderne tijd uit de Middeleeuwen erfde. Anders dan in Rusland, Byzantium of de Arabische wereld was in het Latijnse Avondland altijd sprake geweest van een bipolariteit tussen geestelijke en wereldlijke macht. Iedereen heeft op school geleerd over de strijd tussen paus en keizer, die eeuwen lang alles domineerde – maar noch de paus noch de keizer kreeg uiteindelijk de overhand. Anders dan elders kwam het in het Latijnse deel van Europa noch tot een theocratie noch tot caesaro-papisme. Voor een contrasterende wereld richte men de blik op het orthodoxe oosten, waar de kerk vanouds volledig ondergeschikt is aan de staatsmacht en dus ook recent nog met alle dictaturen – fascistische zo goed als communistische – moeiteloos heeft gecollaboreerd. Dankzij de politieke verdeeldheid van onze helft van Europa, die zich vanaf de Reformatie in een waardepluriformiteit vertaalde, was die enorme sprong voorwaarts mogelijk. Niemand was bij machte om een bepaalde ontwikkeling volledig te verbieden.

In Europa kon Columbus, toen hij in zijn vaderstad Genua en vervolgens bij de Portugezen geen gehoor vond voor zijn wilde plan eens westwaarts naar Indië te zoeken, ook nog naar het buurland Spanje uitwijken. En daar hapten Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië – geen voorbeelden van ruimdenkendheid – toe.

Het is slechts één voorbeeld uit vele. Zij laten zich uitbreiden tot het theologisch heikele werkterrein van de astronomie, en tot eigenlijk elk intellectueel métier. Emigranten en ballingen speelden daarbij een belangrijke rol. Want de uitvindingen die hun vertrek naar elders mogelijk maakten en die veelal hun nieuwe vaderland vooruit hielpen, noopten op den duur ook de meer onverdraagzame overheden om zich ruimdenkender op te stellen. Want autocratieën kunnen nog zo voortvarend ogen, uiteindelijk worden ze het slachtoffer van hun eigen moedwillige onwetendheid en raken ze hopeloos achterop bij de meer open samenlevingen, die hun ballingen met wijde armen ontvangen.