Natuurbehoud en corruptie in Cambodja

De onmogelijke terugkeer van de tijger

Wereldwijd gaat het beroerd met de tijger. In Cambodja strijden natuurorganisaties voor zijn bescherming, maar zij stuiten op een complexe realiteit van stroperij, illegale houtkap en overheidscorruptie.

Cambodja. Areang, een kruising tussen een Indo-Chinese en een Bengaalse tijger geboren bij de Wildlife Alliance © Jeremy Holden

Daar komt hij aangelopen uit diepe schaduwen, de tijger. Het is nacht in het Mondulkiri Protected Forest in het oosten van Cambodja en zijn ogen lichten feloranje op. De Engelse dichter William Blake veronderstelde dat het licht in de ogen van tijgers uit de sterren kwam: ‘In what distant deeps or skies/ burnt the fire of thine eyes?’ Maar het is flitslicht van een fotoval dat weerkaatst. Achter de tijger lichten jonge boompjes op. Is het een vrouwtje of een mannetje? Het dier lijkt niet zo heel groot, dat pleit voor een vrouwtje. Haar tong hangt uit haar bek. Tijgers doen dit om beter te ruiken, misschien bespeurt ze dat hier mensen zijn geweest.

De Indo-Chinese tijger, wat kleiner en donkerder dan de Bengaalse tijger uit India, is een van de laatsten van haar ondersoort. Er zijn er wereldwijd nog een stuk of 250 van over. De foto, midden in de nacht genomen met een automatische wildcamera, stamt uit november 2007. Vlak erna verscheen nog een jubelend artikel in National Geographic over de terugkeer van de tijgers in het oerwoud van Mondulkiri. Maar nadien werd er nooit meer een tijger in Cambodja waargenomen. Vermoedelijk is de tijgerin met een snaarval gevangen en in onderdelen via Vietnam naar China gesmokkeld. In 2016 werd de tijger officieel uitgestorven verklaard in het land. En de grootste katachtige die nu nog over is, de panter, gaat de tijger rap achterna. In de afgelopen vijf jaar is ook ruim zeventig procent van de panters in Cambodja verdwenen. Ook die gaan in onderdelen naar China.

‘Hoe meer tijgers er in Cambodja zijn, hoe trotser we kunnen zijn op ons land.’ Op het enorme podium van het Tweede Nationale Forum over Natuurbescherming in Phnom Penh, voert premier Hun Sen het woord. In de zaal zitten op deze 22ste augustus 2017 ruim zevenhonderd gouverneurs, ministers, ambassadeurs, natuurbeschermers en vertegenwoordigers van agrarische en mijnbouwbedrijven. De premier, al 35 jaar aan de macht, loenst, zit ineengezakt, spreekt op zachte toon met veel pauzes. Naast zijn bureau staan zeven identieke vlaggen van Cambodja op een rij. ‘Ik steun het voorstel om tijgers te reïntroduceren’, vervolgt hij. ‘Met volle kracht en zonder een spoor van twijfel.’

Teak Seng, directeur van het wwfCambodja, hoort het tevreden aan. Twintig minuten voor de speech mocht hij namens vijf natuurorganisaties heel even met de premier praten. Hij bracht drie verbeterpunten voor de natuurbescherming naar voren. Reïntroductie van de tijger stond op één. Dit is een doorbraak. De natuurbeschermingsorganisaties hebben de tijger onder hun ogen zien verdwijnen en willen hem al jaren terug.

Hun Sen is niet de enige leider die zich graag profileert met tijgers. Vladimir Poetin zet zich al jaren in voor de populatie Siberische tijgers in Rusland en gaat graag met deze grootste katachtige ter wereld op de foto. Hij richtte twee reddingscentra voor de tijgers op en kreeg een Siberische tijgerwelp cadeau voor zijn 56ste verjaardag. Het welpje Kuzya is inmiddels in het wild uitgezet en is een rivier overgezwommen naar China, waar hij non-stop wordt bewaakt tegen stropers en inmiddels verschillende geiten en een hond heeft verorberd. Toch is het beleid van Poetin succesvol: het aantal Siberische tijgers nam de afgelopen jaren toe tot zo’n 540 exemplaren.

Wereldwijd gaat het echter beroerd met de tijger. Door de versnippering van hun leefgebieden en grootschalige stroperij bereikte de mondiale tijgerpopulatie in 2010 een dieptepunt van 3200 dieren. In datzelfde jaar lanceerde het wwf het internationale Tx2-tijgerplan, dat het aantal wil verdubbelen voor 2022. Het plan ligt niet op schema. Op dit moment staat de teller op zo’n 3900 dieren.

Begin twintigste eeuw liepen er nog zeker honderdduizend tijgers rond op aarde. De Franse ontdekkingsreiziger Henri Mouhot beschreef in 1860 hoe het in Cambodja wemelde van de tijgers en neushoorns. Hij reisde naar de oostelijke vlaktes, ruwweg dezelfde regio waar in 2007 de laatste tijger werd gefotografeerd. Daar verbleef hij drie maanden op een Franse missiepost in de jungle tussen de Xtieng-bevolking. Hij noteerde in zijn reisverslag: ‘We zijn omringd door bossen die wemelen van de olifanten, buffels, neushoorns, tijgers en everzwijnen, en de grond rond de waterplaatsen is bedekt met hun voetafdrukken. (…) We kunnen nauwelijks een paar stappen het bos in lopen zonder ze te horen.’

Zelfs in zijn huis voelde hij zich belegerd: ‘Af en toe stop ik (…) om te luisteren naar het brullen van een tijger, die rond onze nederzetting sluipt en hongerig naar onze varkens kijkt door de schutting van planken en bamboe.’

De tijger wordt magische krachten toegedicht. Onlangs werd een tijger in Sumatra gedood, omdat de dorpelingen hem aanzagen voor een ‘weertijger’, een demon of mens die zichzelf in een tijger kan veranderen. Tijgers hebben vaak drie horizontale zwarte strepen op hun voorhoofd met een verticale streep erdoorheen: het Chinese karakter voor ‘koning’. Zou het hierdoor komen dat de tijger zo’n grote rol is gaan spelen in de Chinese traditionele geneeskunde? Een tijger heeft een soepel, lenig, krachtig lichaam. Zijn verpulverde botten werden daarom een medicijn tegen reuma, rugproblemen en algemene zwakte. En ook de rest van de tijger wordt in de Chinese traditie gebruikt. Het bloed is goed voor de lichaamskracht en wilskracht van de mens. De maag is goed voor onze maag. Tijgerklauwen houden boze geesten weg. De tijgerpenis is een kostbaar afrodisiacum. Oude mannen met een jonge echtgenote drinken tijgerbottensoep om hun potentie te vergroten. De oogballen, staart, zelfs tijgerpoep hebben hun specifieke gebruiksdoel.

Eind jaren tachtig begon de vraag naar tijgermedicijn het inheemse tijgeraanbod in China drastisch te overstijgen en kwam de internationale stroperij op gang. De prijs van een kilo tijgerbot steeg naar zo’n tweeduizend dollar. In een tijger zit ongeveer twaalf kilo botten, waarmee de waarde van een tijger meer dan 20.000 dollar werd. Traffic International, een organisatie die de internationale wildhandel in kaart brengt, schrijft al in 1994: ‘Gezien de gefragmenteerde leefgebieden en kleine populaties, zullen de resterende tijgers rigoureuze bescherming nodig hebben, alleen al om het verlies van leefruimte en genetische isolatie te overleven, zelfs zonder dat er sprake is van stroperij.’

En gestroopt werd er. In Noordoost-Cambodja werden tijgers begin jaren negentig gevangen met landmijnen. De stropers maakten zich niet druk om schade aan de tijgervacht, want het geld zat in de botten. Nu zit het grootste geld in tijgervachten die tot 30.000 dollar opleveren en tijgerwijn die wordt gemaakt door tijgerskeletten jarenlang in rijstwijn te laten trekken. Een flesje negen jaar oude tijgerwijn kost tweehonderd dollar. De tijgerwijn wordt tegenwoordig officieel gemaakt met botten van tijgers uit tijgerfarms, die voor ‘onderzoek en herintroductie’ worden gefokt en een ‘natuurlijke dood’ zijn gestorven. In sommige farms zitten vijftienhonderd tijgers in betonnen hokjes.

Deze verschuiving is veroorzaakt doordat China in 1993 het gebruik van tijgerbotten verbood, onder grote druk van de internationale gemeenschap. De situatie is er niet door verbeterd. Wilde dieren worden nu bij voorkeur gevangen met strikken, want dan beschadigt de vacht niet. Een levende tijger is op dit moment zo’n 50.000 dollar waard.

De botten, het bloed, de maag, de klauwen, de penis, de oogballen... een tijger is op dit moment 50.000 dollar waard

In Cambodja willen drie grote natuurbeschermingsorganisaties de tijger terug: het World Wide Fund for Nature (wwf), de Wildlife Conservation Society (wcs) en de Wildlife Alliance (WA). Alledrie begonnen ze rond 1999 met hun werk in het land, toen er nog naar schatting zevenhonderd tijgers rondliepen.

Er was een nieuwe tijd aangebroken. De laatste Rode Khmer-guerrilla’s legden hun wapens neer en verlieten het woud, met achterlating van miljoenen landmijnen. Er kwam een internationale campagne op gang om de mijnen op te ruimen. En tegelijk met de mijnenbrigades kwamen de natuurbeschermers om de vrijgekomen gebieden te claimen.

Het leegroven ging echter ook van start. Vietnamese en Chinese investeerders kochten economic land concessions op grote stukken land, beschermd of niet. Vaak werd ‘exploratie naar mineralen’ als excuus gebruikt om het kostbare hardhout te kunnen kappen en alle waardevolle dieren te stropen.

De laatste tijgers werden gedood terwijl de ngo’s druk bezig waren zich te manifesteren. Het is een pijnlijk punt voor natuurorganisaties. Sereyrotha Ken, directeur van wcs Cambodja, somt als verklaring de randvoorwaarden op voor een stabiele tijgerpopulatie: goed beschermde gebieden, veel prooidieren en de steun van lokale gemeenschappen. ‘Ondanks onze technische en financiële steun aan de overheid is aan de genoemde voorwaarden niet voldaan.’ Alleen wie goed tussen de regels leest, kan hieruit afleiden dat de corruptie van de Cambodjaanse overheid een doorslaggevende rol speelde in het uitsterven van de tijger. Die overheid, sinds 1985 onder leiding van Hun Sen, maakt zijn natuurgebieden al decennia rücksichtslos te gelde.

In juni van dit jaar bracht het Engelse Environmental Investigation Agency een rapport uit over de illegale houtkap in Cambodjaanse natuurreservaten. Het signaleert in het Phnom Prich Wildlife Sanctuary in Mondulkiri, waar het wwf technische ondersteuning geeft aan het ministerie van Milieu, grootschalige illegale houtkap waarbij verschillende onderdelen van de Cambodjaanse regering betrokken zijn. eia legde een ‘smeergeldweg’ vast door het natuurgebied, waar steekpenningen worden betaald aan alle betrokkenen waaronder rangers, politie, leger en zelfs lokale media. Vrachtwagens met bomen die langs deze weg rijden, passeren vier permanente rangerstations en meer dan twintig checkpoints bemand door soldaten en militaire politie, die allemaal officieel verantwoordelijk zijn voor het voorkomen van illegale houtkap.

De Cambodjaanse minister van Milieuzaken, Say Samal, verwerpt alle zorgvuldig gedocumenteerde bevindingen van eia. >

In het zakendistrict van Phnom Penh staan bij een wit kantoor de bekende panda’s op twee zuilen aan weerszijden van de entree. Aan de muur hangt de bekende foto van de laatste tijger van Cambodja die bij nacht werd betrapt door een cameraflits. ‘Ik ben teruggekomen naar Cambodja voor de tijger’, zegt Teak Seng, directeur van wwf Cambodja. De vijftiger moest als jongen van tien van de Rode Khmer ’s nachts mee met brigades die op ratten jaagden. Hij werkt al sinds 1998 voor het wwf en is sinds vorig jaar landdirecteur Cambodja. Op zijn bureau staat een kleine tijger, gemaakt van zwarte steen. Aan de muur hangt een reusachtige kaart van het Eastern Plains Landscape, het grote oostelijke bosgebied in Mondulkiri waar de laatste tijger rondliep. Hoewel Teak Seng zich niet over de locatie uitspreekt, is het duidelijk: hier moet de tijger terugkomen. En wel in het Srepok Wildlife Sanctuary, een van de drie grote reservaten in de streek.

Seng laat ons de folder zien die hij in 2017 aan de minister-president heeft aangeboden, om hem warm te maken voor het tijgerproject: Towards an economy based on green business and natural heritage. ‘Natuurbescherming moet economisch te motiveren zijn’, zegt Seng, ‘de waarde van tijgerbescherming zit niet alleen in tijgers zelf, maar in het hele onderliggende ecosysteem dat je ermee beschermt.’

Tijgers zijn cash cows. Waar de handel in lichaamsdelen tienduizenden dollars per tijger oplevert, kan hoogwaardig ecotoerisme honderdduizenden opleveren per tijger. In de tijgerparken van India genereert één tijger jaarlijks ongeveer 750.000 dollar aan inkomsten. Ook speelt eergevoel een rol. Op de website van wwf Cambodja staat: ‘Het prestige van dit initiatief zal Cambodja verheffen tot regionaal leider bij het herstel van tijgerpopulaties in het hele Mekong-gebied en een voorbeeld voor de buurlanden.’

Voor het wwf gaat het om de ecologie, om het in stand houden van een wildernis, stelt Seng. Als premier Hun Sen de tijger als toproofdier werkelijk terug wil, moet eerst het hele onderliggende ecosysteem op orde worden gebracht. Dat zou een revolutie in het Cambodjaanse natuurbeheer betekenen. Het wwf heeft hiervoor een uitgebreid stappenplan uitgewerkt. Het budget: 35 miljoen dollar tot 2022, als de eerste tijgers uitgezet moeten worden. Het wwf zal dit geld waarschijnlijk grotendeels zelf moeten ophoesten. ‘Dat moeten we deels nog met fondsenwerving bij elkaar krijgen.’

De tijgers moeten toeristen naar Oost-Cambodja brengen. ‘Een deel van de high-end bezoekers zal na de tempels van Angkor Wat straks ook tijgers gaan kijken’, voorspelt Seng. Het zou voor hem een kroon op zijn carrière zijn. Het wwf werkt al twintig jaar in de regio, maar de successen zijn spaarzaam. Dat er nog steeds sprake is van drie min of meer aaneengesloten natuurparken – Srepok, Phnom Prich en Keo Seima – die samen nog altijd 30.000 vierkante kilometer beslaan, claimt de organisatie als een belangrijk resultaat. En inderdaad, twee andere natuurparken in de regio die werden ‘beschermd’ zonder bemoeienis van ngo’s zijn dit jaar opgeheven, omdat er letterlijk niets meer van over was.

Een ervan is Snoul Wildlife Sanctuary, iets ten zuiden van Keo Seima; hetzelfde gebied waar Henri Mouhot in 1860 de tijgers en neushoorns nog om zijn huis zag sluipen. ‘In 2001 had dit gebied nog 75.000 hectare regenwoud’, zegt Teak Seng. ‘Nu is het volledig opgegeten door rubberplantages.’

Senmonorom is het belangrijkste centrum voor toerisme in Mondulkiri. Hier kan een excursie worden geboekt naar het ecotoerismeproject van het wwf in het dorpje Dei Ey. Het blijkt op de rand van Phnom Prich Wildlife Sanctuary te liggen, dat grenst aan Srepok Wildlife Sanctuary. De lokale touroperator raadt ons een bezoek aan Dei Ey echter dringend af. De laatste toeristen die hij erheen bracht, waren erg ontevreden omdat het beloofde bos nergens meer te zien was. In plaats daarvan biedt hij ons een trektocht aan in Keo Seima, het derde beschermde natuurgebied in het zuiden van Mondulkiri.

We vinden een tocht naar Keo Seima Wildlife Sanctuary dat onder beheer staat van de wcs. Enkele weken voor onze aankomst zijn er in Keo Seima drie rangers vermoord door een houtsyndicaat, nadat ze diep in de wildernis kettingzagen in beslag hadden genomen. Op de terugweg naar huis werden ze geëxecuteerd door Cambodjaanse grenssoldaten, die betrokken waren bij het houtsyndicaat. Eén lokale gids wist echter te ontsnappen en alles kwam uit; een blamage voor de Cambodjaanse overheid.

In Keo Seima vermoordde een houtsyndicaat drie rangers nadat ze kettingzagen in beslag hadden genomen

Met twee lokale gidsen gaan we vier dagen op stap. Van spanning of gevaar is niets te merken. De gidsen maken grapjes en wijzen op neushoornvogels en hagedisseneieren. Na een paar uur lopen zitten we al midden in het oerwoud. We slapen in een hangmat onder een muskietennet, zwemmen in watervallen, eten kikkers die onze gidsen ’s avonds langs de rivier vangen. We worden wakker met gezang van gibbons, zien makaken door de bomen slingeren, ontdekken bij de rivier zelfs een boomhol van het ernstig bedreigde schubdier.

Maar ook hier verdwijnt de natuur snel. Ten zuiden van het dorpje Putang lopen we twee hele dagen over boomloze zwarte velden met verschroeide aarde: platgebrand voor landbouw. Bij de rivieren staan tientallen jongemannen met motoren in de rij om over te steken naar de bossen. De motoren zijn verlengd en versterkt met ijzeren staven aan het frame en de bagagedrager, om lasten tot vijfhonderd kilo te kunnen dragen. Om de banden zijn kettingen gewikkeld, om ze grip en tractie te geven in de jungle. Op de terugweg zitten de bagagedragers vol enorme blokken hout. Overal in het bos, op de meest ontoegankelijke plekken, zien we de bandensporen en vuilnisbelten vol plastic en lege blikken kettingzaagolie. We zien ook de restanten van snaarvallen om everzwijnen te vangen. En als er een panter in loopt? De gids tilt zijn handen verontschuldigend op. ‘Dan hebben de jagers geluk.’

November 2007. Laatste foto van een wilde Indo-Chinese tijger in Cambodja, Mondulkiri Protected Forest © WWF

‘De ngo’s kunnen hun gebieden niet werkelijk beschermen’, zegt touroperator Lemmy bij terugkomst in het stadje Senmonorom. ‘Ze mogen alleen hun geld investeren. Maar de overheid houdt de controle.’ Lemmy is een man van een jaar of veertig, uit de Bunong-minderheidsgroep; een oerwoudvolk dat van oudsher met olifanten werkt. Hij is de enige man van zijn dorp die hoger onderwijs heeft gehad. Hij heeft jaren voor natuurbeschermingsorganisaties gewerkt, maar is tegenwoordig vooral actief voor de ‘vijand’, een Chinees mijnbouwbedrijf. Hij werkt er als fixer; hij bemiddelt bij alle contacten en transacties tussen de Chinezen en Cambodjanen. Daarnaast probeert hij zijn toeristische business te runnen. Hij ziet zijn cultuur en het oerwoud om zich heen ten onder gaan, maar verdient veel geld aan diezelfde ondergang, nu hij voor de Chinezen werkt.

Drie rangers zijn onlangs vermoord. Lemmy is er verdrietig over, want hij kende een van hen, een Bunong-man uit zijn eigen dorp. ‘Het was iemand die echt van het oerwoud hield. Een goede man.’ De meeste rangers houden van het oerwoud, legt hij uit, maar zijn tegelijkertijd corrupt. ‘Met de rechterhand nemen ze de kettingzagen in beslag en zetten een foto van hun actie op Facebook. En met de linkerhand nemen ze een envelop met smeergeld aan en geven de kettingzagen de volgende dag weer terug.’

Hoe kan het wwf zijn ambitieuze plannen realiseren, terwijl in Mondulkiri corruptie en straffeloosheid heerst? Eind 2017 werd in de Phnom Penh Post een medewerker van het wwf, Moul Phath, geciteerd: ‘Elke keer als er houthakkers of stropers worden onderschept, komt er meteen een telefoontje binnen dat hun onmiddellijke vrijlating eist.’

In Phnom Penh wijst Seng naar zijn masterplan. Het belangrijkste punt: de illegale houtkap en stroperij stoppen door een drastische verbetering van de wetshandhaving. Op dit moment werken er 33 rangers in het toekomstige tijgergebied. Dat moeten er vijfhonderd worden. Dit jaar hoopt hij al 150 nieuwe rangers aan te stellen. Daarnaast moet het aantal prooidieren flink toenemen: wilde zwijnen, bantengs (een soort wild rund), sambarherten en lierherten. Deze populaties zijn namelijk sterk teruggelopen. Uit een onderzoek van wwf in 2014 bleek het aantal bantengs (wilde runderen) in een paar jaar tijd met driekwart gedaald te zijn. Bovenal moet er een National Commission for Tiger Conservation komen, naar Indiaas voorbeeld, met een flink budget en de nodige autoriteit. Nu zijn de rangers in dienst van het ministerie van Milieu, dat rapporteert aan de provinciegouverneur. In de toekomstige opzet zullen alle tijgerreservaten rechtstreeks rapporteren aan de nationale tijgercommissie, zo is het idee.

Het wwfziet de aanwezigheid van mensen rond het tijgerreservaat juist als een kans. In Srepok Wildlife Sanctuary en Phnom Prich Wildlife Sanctuary bevinden zich 34 dorpjes met in totaal tweeduizend huishoudens. Die dorpjes krijgen Community Protected Area’s tot hun beschikking, die niet door de overheid mogen worden verkocht aan bedrijven, en waar ze beperkt gebruik mogen maken van de natuurlijke bronnen. Deze gemeenschappen dienen als een levende barrière tussen de beschermde delen van het park en de buitenwereld met zijn vrijemarkteconomie. Uiteindelijk kan de tijger dan in 2022 terugkeren, hoopt Seng.

De EU heeft inmiddels besloten om de komende vier jaar 2,8 miljoen euro in de provincie Mondulkiri te investeren. Het doel is om ‘de rol en participatie van de gemeenschappen die in het woud leven en ervan afhankelijk zijn, te versterken, door beter beleid, dialoog, en de bescherming van natuurlijke bronnen’. Lees: houtkap en stroperij moeten stoppen, in ruil voor andere inkomstenbronnen.

Toch betekent natuurbescherming voor de lokale bevolking vaak dat ze hun schaarse inkomstenbronnen verliezen, vertelt touroperator Lemmy. Vroeger werkten de Bunong met olifanten. Nog steeds kun je overal in Senmonorom een ‘Bunong experience’ boeken, waarbij je de dieren mag wassen en voeren. Maar elke keer wanneer een olifant door ouderdom sterft, vervalt een familie nu in armoede. Door de natuurbescherming mogen de Bunong geen jonge olifant meer uit het bos halen. En hun animistische tradities maken het onmogelijk om tamme olifanten te fokken; daar zijn namelijk zulke complexe en kostbare rituelen aan verbonden, dat het onbetaalbaar is. ‘De olifanten zijn bij ons onderdeel van het gezin. Wanneer ze sterven, krijgen ze net als mensen een begrafenis die twee dagen duurt. Als ze trouwen, krijgen ze een bruiloftsfeest.’ Het resultaat is dat de olifanten uitsterven in de Bunong-cultuur, waarmee hun bron van inkomsten én hun spirit animal verdwijnen.

Zijn de tijgerplannen in Mondulkiri wel realistisch? En is het wwf wel de meest geschikte organisatie om dit revolutionaire project te leiden? Nick Marx, een tanige Engelsman, hoopt vurig dat het plan slaagt, maar heeft er vooralsnog weinig vertrouwen in. We ontmoeten hem in een café in Phnom Penh. Hij is directeur van het wildlife-programma van de Wildlife Alliance, die zich over het Cardamomgebergte in het westen van Cambodja heeft ontfermd. De tijgerexpert begon zijn carrière bij een experimentele dierentuin in Engeland, waar hij als verzorger tijgers voorbereidde om ze in het wild uit te kunnen zetten. In de loop van vijftien jaar werden drie collega’s door tijgers gedood. Zelf nam hij ontslag voordat het zo ver kwam; niet omdat hij het werk te gevaarlijk vond, maar omdat de veiligheidseisen te hoog werden opgeschroefd naar zijn zin. ‘We deden baanbrekend onderzoek. Soms moet je grenzen overschrijden om verder te komen.’

De leegroof die in veel natuurgebieden in Cambodja plaatsvindt, gaat volgens Marx aan de Cardamoms voorbij. ‘Wij zijn niet overal geliefd, maar krijgen dingen voor elkaar waar alle andere organisaties falen.’ Dat valt niet te betwisten. Met helikopters en zeven rangerstations verdedigt de WA zijn gebieden op haast militante wijze. Ook heeft de WA in zes jaar tijd meer dan 109.000 snaarvallen onklaar gemaakt.

Volgens Marx gaat het mis bij de grote ngo’s, omdat ze de overheid niet durven te confronteren. En ook omdat er vooral jonge expats werken, die na twee of drie jaar weer weg zijn. Toch hoopt hij dat het tijgerplan voor een ommekeer zal zorgen. ‘Als de tijger wordt ingezet om eindelijk een einde te maken aan het gepruts in het Eastern Plains Landscape en er radicale bescherming wordt toegepast, is het project zeker de moeite waard. Maar als de tijger als excuus wordt gebruikt om samen met de overheid goede sier te maken en fondsen te werven voor gedoemde projecten, over de rug van die goede oude tijger, dan maken we onszelf allemaal te schande.’

Touroperator Lemmy ziet de toekomst van Mondulkiri echter somber in. Veel vertrouwen in de slagkracht van de natuurbeschermingsorganisaties heeft hij niet: ‘Wat ik zie bij ngo’s, is dat ze op een zeker moment budget voor een project krijgen dat besteed moet worden. Dan geven ze dat uit. En als het budget op is, verdwijnen de medewerkers weer. Uiteindelijk kunnen ze de omgeving niet controleren. Ze krijgen er geen grip op.’

Het wwf ziet de tijger als een hefboom die daadwerkelijk natuurbeheer in Cambodja mogelijk moet maken. ‘Als we niets doen, verandert er ook niets. Het is tijd voor een ommekeer’, zegt directeur Seng. Want het is niet alleen de ecologische waarde van de tijger die de wil tot beschermen opwekt. Het is de magie van een groot, sterk dier waar we onszelf in (willen) herkennen, een dier dat we tegelijk bewonderen en vrezen. Alleen de tijger kan Hun Sen laten tekenen voor een plan dat de overheidscorruptie wil aanpakken. Alleen de tijger maakt gulle donaties van duizenden wwf-donateurs los. Met een schubdier of een bijna uitgestorven insect lukt dat niet.

Op onze speurtocht in Cambodja ontmoetten we ook Greg McCann, een grassroots natuurbeschermer en auteur die op eigen houtje al zeven jaar cameravallen plaatst in het natuurpark Virachey in de hoop een tijger of neushoorn op de foto te krijgen. Zo hoopt hij een grote ngo te verleiden zich alsnog te ontfermen over dit ten dode opgeschreven natuurgebied in het noorden van Cambodja. McCann heeft ooit tijgers gehoord en dat maakte een onuitwisbare indruk op hem, vertelt hij ons in Banlung. ‘Ik heb tijgers horen brullen in Thailand in Thap Lan World Heritage Park. Ik heb hun pootafdrukken in de grond gezien. Ze voegen een dimensie toe aan het bos. Ze zijn de ziel van een park.’


Begin juli is het masterplan voor de terugkeer van de tijger in Cambodja na enkele revisies voorgelegd aan de Cambodjaanse regering