Boek van de Maand: Gerrit Krol

De onmogelijke vitalist

De juryleden selecteren uit het boekenaanbod ieder een persoonlijke favoriet. Deze maand koos Solange Leibovici voor Ethel Portnoy’s Zielespijs en wat verder ter tafel komt, Kees ‘t Hart voor Het stadspark/Bruiloft in Brooklyn van Hermann Grab, Sander Pleij voor Yasmina Reza’s Droefenis en Pieter van Os voor De vitalist van Gerrit Krol. Nadat de juryleden elkaars favorieten hadden gelezen, werd De vitalist van Gerrit Krol verkozen als Boek van de maand.

Gerrit Krol, De vitalist, Uitg. Querido, 132 blz., ƒ29,90

Aan het begin van de vorige eeuw was een vitalist een bepaald type filosoof. Zijn «vitalisme» werd door de Fransman André Gide literair aanschouwelijk gemaakt in de roman Les caves du Vatican, waarin een mens zijn absolute vrijheid bevestigt door een acte gratuit, een volstrekt willekeurige daad. Gerrit Krol voert in zijn jongste roman een man op die, bijna honderd jaar later, denkt en handelt in overeenstemming met de principes van deze, inmiddels lang vergeten filosofische stroming. Net als de hoofdpersoon uit Les caves haalt de hoofdpersoon uit De vitalist zijn vitaliteit uit een ongemotiveerde moord, een spontane actie ondernomen in totale geestelijke vrijheid. «Vrijheid. Je kunt doen en laten wat je wil, op zo'n manier. Als je los bent. Je bent los en royaal», zegt hij nadat zijn daad is gepleegd.

«Dit is», zo schrijft Krol tussen twee witregels, «het verhaal van een renaissance.» De wedergeboorte van Johan, een 39-jarige hoog leraar theoretische wiskunde. Voordat hij de daad pleegde, zag hij zichzelf als een bange, ingekeerde buitenstaander, na de moord stroomt het leven hem door de aderen, voelt hij kracht, lef en meent hij voor het eerst in zichzelf een man te herkennen. Nu is hij eindelijk klaar voor de liefde; liefde voor hemzelf, eventueel voor een ander, en ten koste van ten minste één overig leven, dat van Barbara, de vrouw die hij vermoordde, en die hij daarna nog heeft verkracht. «Je kwam plotseling in bloei te staan, wie had dat ooit gedacht. De kans van je leven.»

Gide schreef enkele jaren na het boek L'Immoraliste, waarin een «vitalistisch» mens zonder enig schuldgevoel een vrouw naar de verdoemenis helpt, een ontkenning van het vitalisme met de roman La porte étroite. Bij Krol verliest de hoofdpersoon al binnen één boek zijn vitalisme: na enkele hoofdstukken ondervindt hij dat er meer is dan de daad alleen. «Bijna elk verschijnsel spreekt met twee elkaar tegensprekende tongen. En die wil je allebei horen.» In de gevangeniscel vindt Johan de grenzen van zijn zojuist verworven vitaliteit. Kort daarvoor was hij al onzeker geworden; de dood voor elke vitalist. Het bleef te lang stil, zijn actie bleef zonder reactie; geen politie, geen vrienden die lastige vragen stelden, en uiteindelijk erkent Johan: «Mensen die roepen dat ze ‹leven› — ik leef! — veroorzaken een hoop rotzooi om zich heen. Leven zelf is een uiterste vorm van orde.» En daarmee is hij vitalist af. «Een hard, eerlijk verhaal en we zetten erboven: ‹Eindelijk›.»

Wanneer Krol «eindelijk» neerpent, is de lezer nog maar halverwege het verhaal, waarvan navertelling niets afdoet aan de kracht van deze roman, omdat die gelegen is in stijl, compositie en thematiek. Johan leeft in een kring van vrienden die elkaar via het bed over en weer bedriegen. Ook het slachtoffer, Barbara, behoort tot deze vriendenkring. Dat Johan haar vermoordde, blijkt tijdens een gezamenlijk uitje. Toch is zijn schuld strafrechtelijk niet te bewijzen. Daarom wordt Johan na enige tijd weer op vrije voeten gesteld. Hiermee brengt Krol de lezer naar de labyrinten van ons rechtssysteem, met zinnen als: «Niet alles wat hij zegt is onwaar, dat is waar.» En: «Is een bewijs verkregen uit evidentie goed genoeg, of moet hetzelfde óók nog op een andere wijze worden aangetoond?»

Krol toonde al in eerder werk, onder meer in een essay over de doodstraf, goed met de materie uit de voeten te kunnen. Desondanks wordt hij nooit belerend of uitleggerig. De problematiek verscherpt zich door een alom heersende ambivalentie, ook ten opzichte van de hoofdpersoon, die zelf meent dat hij de dood verdient, maar die geen spijt heeft, omdat het slachtoffer hem niet haat. Hij meent zelfs dat zij hem heeft vergeven, zoals ze zegt wanneer ze zich post mortem aan haar moordenaar openbaart. Hij verlangt naar haar, en legt dit verlangen voor aan Nederik, de God van Nederland die zich, in een verwijzing naar Nescio, laat interviewen voor de ingang van het Centraal Station. De liefde heiligt de dood, meent Johan, en God maakt hem duidelijk dat de liefde van het slachtoffer ook Johans dood heiligt. Nadat de afgeslankte vriendenkring meedeelt Johans gezelschap niet langer «op prijs te stellen», geeft Johan gestalte aan Gods conclusie en loopt de zee in, waar hij onder water wordt herenigd met zijn slachtoffer, dat inderdaad vol liefde van hem blijkt te zijn.

Als een ware verteller blijft Krol zijn lezer voor. Wat bij eerste lezing de indruk wekt van een virtuoze, maar losse flodder, blijkt een hoofdstuk later een veelzeggende verwijzing. Hij zet de lezer op het verkeerde been door hem het idee te geven deelgenoot te zijn van zijn schrijfproces. Alsof het nog alle kanten op kan gaan. Aan het slot van het tweede hoofd stuk laat hij bijvoorbeeld plompverloren weten dat het verhaal om Johan gaat, een van de zes personages die hij met evenveel aandacht heeft geïntroduceerd. «Om het hoofd van deze man tekenen wij een cirkel. Hij wordt de hoofdpersoon.» Alsof de schrijver daar zelf in dat stadium pas toe besluit. Niets is minder waar. Bij het teruglezen blijken ogenschijnlijk open lijnen alsnog bij elkaar te komen en tezamen een ragfijne compositie te vormen.

Toch zit er nog een adder onder het gras. Al teruglezend belandt de lezer uiteindelijk weer op bladzijde 10, waar Krol hem andermaal op het verkeerde been zet. Daar beweert hij over de hoofdpersoon: «Hij begreep de film niet, hij begreep de logica niet; er was geen hoger plan van waaruit bekeken alles op zijn plaats viel.» Juist dat was de grondgedachte van het vitalisme, waarin begripsmatige en stelselmatige filosofie geen plaatshad en mensen, gestuurd door spontane opwellingen, per definitie een grillig en onvoorstelbaar leven leidden. Maar kan Johan wel vitalist zijn als Krol weigert de zaken op hun beloop te laten? Juist wanneer alles in elkaar lijkt te vallen, en als je denkt dat er een hoger plan aan Krols roman ten grondslag ligt, blijkt het vitalisme geheel uit zicht geraakt. Of wil Krol daarvan nu juist de onmogelijkheid laten zien? Is het mogelijk een vitalist in literatuur te creëren zonder eerst elke compositie of elk plan overboord te gooien?

Uit lezen alleen is niet te achterhalen of het het resultaat is van een weloverwogen keuze of van een spontaan proces dat de moor denaar zo is vormgegeven dat er moeilijk een oordeel over hem geveld kan worden. In vertwijfeling riep een van de vier juryleden: «Die Johan is een grote zak.» Maar ook dit jurylid moest erkennen dat de andere vijf personages in zakkigheid niet voor hem onderdoen. Krol maakt het je nooit makkelijk. Op het moment dat je walgt van de vooringenomenheid van zijn vrienden, die bij gebrek aan een deugdelijke strafrechtelijke uitspraak hun vriend Johan uit hun midden gooien, die zijn terechte straf nu niet meer lijkt te ontlopen, redt Krol hem met een schaamteloos happy end. Het beetje mededogen dat je inmiddels voor Johan hebt gekregen, wordt je daardoor onmiddellijk weer uit handen geslagen. Zo word je aangezet om die in eerste oogopslag grillige verzameling prachtige aforismen nogmaals te lezen, desnoods van achteren naar voren, om te ontdekken hoe het zit, waar de scharnieren van dit verhaal zijn verscholen, blinkend in het schijnsel van voor eeuwig raadselachtige morele en esthetische vragen. (Pieter van Os)

Hermann Grab, Het stadspark/Bruiloft in Brooklyn

Uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep, 231 blz., ƒ45,-

Ik heb het idee dat ik dit boek in haast moet lezen, misschien komt dat door de eerste zin: «Als ze van tafel waren opgestaan, ging Renato altijd nog een poosje naar zijn kamer.» Dit zet me op het verkeerde been, ik verwacht bonte gebeurtenissen, seksuele intimiteiten, een jongetje dat de wereld bar en boos vindt, en daar verslag van uitbrengt. En in haast ga ik het lezen, zoals Miss Florence, een van de personages, af en toe ongeduldig is over deze jongen die verbluft naar de wereld staart, eraan deelneemt, voortdurend op het punt staat er afscheid van te nemen en dan toch weer verlangt naar het meisje Marianne en naar de wandelingen met haar.

Ik ben zo haastig dat ik overnieuw begin, ik was al op pagina 25 en wist niet meer wat ik precies aan het lezen was. «Als ze van tafel waren opgestaan, ging Renato altijd nog een poosje naar zijn kamer.» De tweede keer ga ik een Visconti-wereld binnen, een wereld van maaltijden bij kaarslicht, een park dat in de schemering ligt te wachten, een verliefdheid die ongenoemd moet worden, rustige wandelingen, gebaren, dienstmeisjes, rijkdom en verzwegen wanhoop. Renato kijkt naar de wereld als door glas. «De mensen zeiden tegen elkaar: ‹Ik wens u vrolijk kerstfeest!› Ze waren eerlijk genoeg om te denken: kerstfeest, dat bestaat immers niet, dus ik wens hem eigenlijk niets. Maar juist daardoor is het mogelijk dat ze eigenlijk de mooiste wensen voor elkaar koesterden.» Het is merkwaardig maar terwijl ik dit boek lees, denk ik aan Robert Walser die in zijn werk ondanks alles overal toch nog het mooie wilde laten zien, de wereld als een glansrijke bal, een geluksbal, terwijl ze instort, op het punt staat in vlammen op te gaan. Grab wil het ongelukkige laten zien door het gelukkig te maken.

Ik loop met Renato mee naar een verjaardagsfeestje, ik loop samen met Felix met hem op, Felix, die hem bedreigt tot op het bot, die Marianne…, die alles beter…, die de wereld doorziet, die honderduit praat over… Ik wil dat Renato gelukkig wordt en wandelingen blijft maken in het stadspark, ik wil dat deze wereld overeind blijft, ik wil dat net zolang tot Renato het zelf niet meer kan weten. Grabs Het stadspark is geen vernieuwing, het is geschreven in het handschrift dat tussen de wereldoorlogen gebruikt werd, een Visconti-handschrift, Proust schrijft mee. Renato is een jongen zonder eigenschappen, een passieve dromer die niet in staat is de wereld te doorzien, die alleen in geuren en kleuren denkt, die niet in staat is de parodie tot zijn werk toe te laten, zoals Walser dat wel kon. Laat ik zeggen, dit handschrift maakt mij onrustbarend rustig, ik droom ervan weg, ik weet dat de doelloosheid ervan een doel voor ogen heeft, dat de dromerigheid ervan mij wakker wil maken. Natuurlijk zou ik zelf zo willen schrijven. Zo schrijven, ik wil weer als Proust gaan schrijven, morgen nog, of liefst vandaag. Dit is een gezien handschrift. (Kees ’t Hart)
Yasmina Reza, Droefenis

Uitg. Arena, 126 blz., ƒ25,-

De vader laat er vanaf de eerste zin geen gras over groeien: «De tuin, allemaal mijn werk.» Wat volgt is een geweldige tirade tegen de zoon, die het hele boek aanhoudt en daarmee van de roman Droefenis een lange monoloog maakt. Dat is geen ongewoon genre voor de Franse schrijfster ervan, want Yasmina Reza dankt haar faam in de eerste plaats aan haar toneelstukken.

Hij gaat er ongenadig tegenaan, deze vader. Een grote nietsnut is zijn zoon, een slampamper eerste klas. Werken? Zelf heeft hij niks anders gedaan. Een heel leven lang heeft hij zich van alles ontzegd, een en al gebuffeld, en waarom? Omdat dat het leven is. «Rust!» fulmineert hij. «Dat woord ken ik niet. Jongetje, wie weet wat het is om ergens mee bezig te zijn vreest het moment van de voltooiing, want niets is triester, kleurlozer dan iets wat af is.»

Daar denkt zijn zoon dus ietsje anders over. Die, 38 jaar oud, verhuurt het appartement dat hij van vader kreeg, en van de opbrengst trekt hij de wereld rond om in Tahiti of op de Bermuda Eilanden de zon te zien ondergaan. Om gelukkig te wezen. En daar begrijpt de vader niets van. Hij is zo kwaad dat hij nauwelijks kan kiezen tussen schelden en spotten

«Dus jij bent gelukkig. Althans, dat wordt van jou gezegd. Als ik het over je nietsdoen heb, over je gebrek aan productiviteit, krijg ik te horen dat je gelukkig bent. Ik heb een gelukkig mens op de wereld gezet.» Minachtend spreekt hij zijn knulletje toe: «Neuk je nog een beetje op je reizen? Je neukt toch wel?»

In niets dan werken en kankeren wil deze vader geloven. Maar gaandeweg zijn betoog gaat hij zichzelf tegenspreken en wordt duidelijk dat Yasmina Reza niet alleen een woedende monoloog in prachtige cadans heeft geschreven maar daar ook treffend het innerlijk conflict van haar hoofdpersoon door laat schemeren. De vader denkt altijd zelfstandig te zijn geweest in een poging om zelf over zijn leven te beschikken, om radicaal onaangepast te zijn. De zoon is een aangepast mens, die het niet kan schelen in hoeverre hij op eigen voorwaarden leeft in een eigen wereld, een eigen tuin. Zijn voornaamste doel is het om zo gemakkelijk mogelijk te leven. De vader: «Het lijden vermijden neemt bij jou de plaats in van een heldenleven.»

Maar zijn relaas wordt steeds wanhopiger, en wanneer hij vertelt over Bach, zijn enige troost, blijkt het ongeluk van de vader onmiskenbaar. Zijn betoog komt op losse schroeven, hij weet dat hij maar een potje loos staat te schelden. Maar als hij toegeeft, is alles voor niets geweest: dan is hij toch een aangepast mens. Dus kan hij het niet zeggen, maar toch ontsnapt het hem soms. In de in dronkenschap uitgesproken zinnen op de laatste bladzijden zegt hij wat hij tegen zijn zoon zou willen zeggen: «Ik zou hem zeggen, erger je niet aan de vreselijke dingen die ik zeg tegen mensen die mij dierbaar zijn, ik houd ervan om langs de rand van de afgrond te balanceren.» Stoer-doenerij. Hij vecht ertegen en ontkent dat het zo is, maar de lezer weet al lang dat het hier zo is als ooit een filosoof zei: in de zoon laat zich de vader kennen zoals hij eigenlijk is. (Sander Pleij)
Ethel Portnoy, Zielespijs en wat verder ter tafel komt

Uitg. Meulenhoff, 157 blz., ƒ26,50

In beschaafde landen als Frankrijk en Italië is eten niet alleen een geliefd onderwerp van gesprek, maar ook een belangrijk thema in de literatuur en zelfs de filosofie. In de Nederlandse literatuur overheerst de lucht van spruitjes en rode kool, en willen kinderen niet bidden voor bruine bonen. Hoewel de gastronomie in hedonistisch Nederland niet meer weg te denken is en restaurants er zeker op vooruit zijn gegaan, vallen de rich and famous — of BN'ers zoals ze hier heten — nog altijd op door hun weinig verfijnde smaak. De interviewer die hen na een culi-avond in Joop Braakmans Le Garage over hun lievelingsschotel aan de tand voelt, hoort verbaasd dat zij nog altijd de voorkeur geven aan boerenkoolstamppot en zuurkool met vette jus, alsof zij zich een beetje schamen dat zij net kreeftenbillen met kaviaar hebben genuttigd.

In haar laatste essaybundel over eten en cultuur, Zielespijs, herinnert Ethel Portnoy ons aan de vette-jus-scène in de Sjef van Oekelshow. De vele gerechten die hierin worden geserveerd definieert zij als liefdeloos, burgerlijk en agressief. Wim T. Schippers’ Allegorie van de vette jus is voor haar een puriteinse kritiek op de burgerlijke consumptiemaatschappij, een aanval op het najagen van een eindeloze maar nooit bevredigende stroom goederen. Zelden was overvloed zo innig verstrengeld met onbehagen.

Maar zuurkool met vette jus noemt Ethel Portnoy ook Nederlandse soul food: een nationaal gerecht dat ooit als wintervoedsel voor de armen diende. Zwaar en machtig eten waar je tegenaan kunt leunen, door de liefdevolle hand van moeders klaargemaakt in een keuken met beslagen ruiten. Doordat de ingrediënten hiervoor worden vervangen door voorverpakte, voorgekookte, smakeloze alternatieven en exotisch uitziende liflafjes, dreigen echte Nederlandse gerechten als erwtensoep met kluif en hutspot met klapstuk te verdwijnen. Of we daar om moeten treuren, lijkt mij overigens een retorische vraag.

Op het gebied van de snack toont de Nederlander pas zijn rijke culinaire verbeelding. Nederlanders eten graag uit de muur. Ethel Portnoy onderscheidt de «wandelende snack» als haring, patat en frikadel, een harde korst van gemalen rundvlees dat ooit in de prehistorie is gefrituurd en voor de gelegenheid opgewarmd. De «zittende snack» bestaat uit bitterballen of blokjes kaas met mosterd, en voor de zoetigheid zijn er die kleine pafferige voorwerpen die «poffertjes» worden genoemd. En drop natuurlijk, de Nederlandse kauwgom die de nationale identiteit en groepsbinding versterkt.

In Zielespijs onderzoekt Portnoy de rol van voedsel in verschillende culturen. Zij wijst op het oeroude geloof in de potentieverhogende kracht van oesters en kruiden in het pre-viagra-tijdperk, zij verdiept zich in de relaties tussen eten en religie en in voedseltaboes in moderne samenlevingen. Zij blijft staan bij de joodse cultuur waar eetlust een teken van gezondheid is («eet, eet!»), waar zwaar op de schaal staan als een teken van metafysische volheid wordt beschouwd, maar ook bij de eenzame eters, bij wie de verarming van het emotionele leven vaak wordt weerspiegeld in de verarming van het menu. Zij analyseert voedsel als bron van sociale, culturele en religieuze identiteit op de wijze die wij van haar kennen: nieuwsgierig, ironisch en erudiet, in haar weergaloze stijl die op zich al een genot is. Een heerlijk boekje. (Solange Leibovici)