Opheffer

De onmogelijke vrijheid

Ook na het zien van zo’n film als Fitna word je geconfronteerd met tal van paradoxen. De moslimwereld vindt het schokkend dat de film een verkeerd beeld geeft van de moslims, terwijl Wilders gebruikmaakte van beelden die door de moslims zelf zijn verspreid op de televisie. De moslimwereld wil dat Fitna verboden wordt, maar zelf zenden ze die films wel uit. Zo kun je doorgaan. Het is een mooie illustratie van wat de filosoof en NRC-_columnist Rob Wijnberg in zijn boek _In dubio ‘de onmogelijke vrijheid’ noemt – de vrijheid van meningsuiting. Het is absoluut het beste wat ik op dit gebied heb gelezen. Centrale vraag in zijn boek is: zijn er grenzen aan die vrijheid van meningsuiting? Natuurlijk zijn er grenzen aan de vrijheid van meningsuiting, zegt Wijnberg: ‘Grenzeloze vrijheid is immers niets meer dan bandeloosheid; de mens is dan niet vrij maar richtingloos. Zo neemt de keuzevrijheid toe naarmate het aantal keuzes toeneemt, maar is de keuzevrijheid verdwenen zodra het aantal keuzemogelijkheden oneindig is.’
Kortom, we zitten met alle vrijheden in paradoxen gevangen. Vrijheid staat namelijk niet stil, maar is constant in beweging. Je kunt er dus eigenlijk niets over zeggen dat enige algemene geldigheid heeft, omdat we het begrip nooit goed kunnen definiëren. ‘Vrijheid van meningsuiting bezit (…) deze eigenaardige eigenschap dat ze enkel bestaat bij de gratie van het opschorten van haar afbakening en fixering. (En daarmee haar eigen verwezenlijking.) Nooit kan men stellen: dit valt onder vrijheid van meningsuiting en dit valt erbuiten.’ Wijnberg doet dat in een hoofdstuk waarin hij het recht opeist om te twijfelen.
‘Vrijheid van meningsuiting’, zegt Wijnberg, ‘is (…) een medaille met twee kanten. Zij biedt evenveel ruimte voor waanzin en onverdraagzaamheid als voor saamhorigheid en liefde. Maar uiteindelijk, en daar gaat het om in een samenleving, is zij boven alles een onontbeerlijke aanzet tot vertrouwen. De kracht van een open en vitale democratie schuilt niet zozeer in haar vermogen onwelgevallige geluiden te weren, als wel in haar vermogen deze te absorberen. Dát noemt men tolerantie: het verwerpelijke verwerpen zonder het te verbannen.’
Wijnberg lijkt in dit helder geschreven boek soms op een existentialist die voor zijn ontologie uitgaat van de vrijheid – net als Sartre, laten we wel wezen. Alleen pakt Wijnberg het probleem van de andere kant op – niet de kant van Het Zijn maar die van De Vrijheid. Jouw vrijheid is mijn vrijheid – we verzekeren elkaars vrijheid door beiden vrij te zijn. Als jij zo veel mogelijk wilt doen en denken wat jij wil, dan moet ik net zo veel kunnen doen en denken als ik wil. We moeten elkaar kunnen beïnvloeden.
Zonder de woorden van Wijnberg te willen misbruiken is mijn stelling dat ‘vrijheid’ als gewenst doel in sommige groeperingen – en dan heb ik het niet alleen over de moslims, mocht u dat denken – helemaal geen doel is. In vele debatten heb ik gemerkt dat het bijvoorbeeld de aanhankelijkheid aan God is waarvoor men zijn eigen vrijheid en ook die van anderen wil opheffen. (Trouwens, ook ‘het huwelijk’ is zo’n vrijheidsbeperker, maar daarover een andere keer.) Vrijheid wordt daar geformuleerd als: je mag alles zeggen wat dient om God te dienen. Over hoe je uiteindelijk bepaalt hoe je God dient, worden richtlijnen gegeven in een heilig boek. En als dat boek geïnterpreteerd moet worden, prima, maar het kan nooit tegen God zelf gericht zijn.
Ik herinner me een jongen die tegen me zei: ‘U zegt dat je alles mag zeggen als je maar geen geweld gebruikt, zo zeg ik dat je alles mag zeggen als je God maar niet beledigt. God is vrede, hij is barmhartig, en als jij tegen God bent, dan ben jij dus niet voor vrede en ben je niet barmhartig. Dus ben je zelf voor geweld.’ Als die jongen zich bij mij meldt, koop ik dit prachtige boekje van Wijnberg voor hem.