De onmogelijke ­wereldoorlog

Helemaal origineel is het idee voor 1913 niet – Charles C. Mann bijvoorbeeld, schreef ­eerder 1491 over de ontdekking van pre-­Columbiaans Amerika, Eduardo Galeano schreef een ­vier­delige geschiedenis van Latijns-Amerika, Kroniek van het vuur, op basis van brieven, ­dagboeken, memorialen en krantenstukken – maar dat doet aan de aantrekkelijkheid van het boek van de Duitse kunsthistoricus ­Florian Illies niets af. Ook zijn verhalenmozaïek 1913 is ­gebaseerd op contemporaine documenten, geen van de acteurs en actrices weet nog dat het laatste jaar van ‘de lange negentiende eeuw’ ­eindelijk is ­aangebroken en ‘het tijdperk van de extremen’ (Eric Hobsbawm) voor de deur staat.

Florian Illies, 1913, € 24,95

Toch zijn er talloze voortekenen die op een naderende breuk wijzen. Freud zit gebogen over zijn theorie van de vadermoord, in alle sectoren van het culturele leven slijpen de ‘zonen’ de messen om hun vermaledijde ‘vaders’ een kopje kleiner te maken; alleen door de strijd tegen de vaders kan de cultuurcrisis worden overwonnen, schrijft anarchistisch psychoanalyticus Otto Gross in het Berlijnse blad Die Aktion – opmerkelijk trouwens, zegt Illies, hoeveel bladen van belang militante, activistische namen dragen: Aktion, Fackel, Sturm, Tat. In de bioscoop draait De zonden van de vaders met Asta Nielsen, op wie ook Paul van Ostaijen verzot was. Niemand schaamt zich zozeer voor zijn vader als Kafka; aan Felice schrijft hij dat hij het waagstuk van het vaderschap nooit zal durven aangaan. De vroegrijpe Picasso zegt het al onomwonden op zijn zestiende: ‘In de kunst moet je je vader doden.’

In de hoofdkwartieren van de generaals en de regeringsleiders worden alom oorlogs­voorbereidingen getroffen, in de culturele sector is die oorlog al volop aan de gang. Het boek van Illies is zo interessant omdat het de lezer langs de fronten voert waar de doorbraakpogingen in alle hevigheid plaatsvinden, nog zonder te weten hoe de wereld er na het wegtrekken van de kruitdampen bij zal liggen. Alle aanstoot­gevende experimenten die hier worden uitgevoerd zullen het gezicht van het moderne Europa gaan bepalen. Amerika speelt in het boek een marginale rol, andere werelddelen doen helemaal niet mee. Dat heeft de auteur het verwijt van eurocentrisme opgeleverd – ten onrechte.

Europa was het centrum van de wereld, zeker op het gebied van kunst en cultuur. Uitgerekend in 1913 maakten de Amerikanen, eerst in New York, later ook in Chicago en Boston, via de Armory Show voor het eerst kennis met het Europese modernisme, met Manet en Monet, Picasso en Braque, Cézanne en Van Gogh. Ze schrokken zich dood en spraken er schande van, studenten verbrandden kopieën van Matisse, zelfs president Theodore Roosevelt kon zijn afgrijzen niet voor zich houden. Pas na de Tweede Wereldoorlog zou New York de Europese steden overtreffen, omstreeks 1913 zijn Berlijn, Parijs, München en Wenen (‘proefstation voor de ondergang van de wereld’, dixit Karl Kraus) nog zonder concurrentie de frontsteden van het modernisme.

Dat de Amerikaanse kunst aan het begin van de twintigste eeuw flets en provinciaal afstak tegen de Europese wil overigens niet zeggen dat het theater-, concert- en museumpubliek in de grote Europese steden alle aanslagen op de oude cultuur van meet af aan van harte toejuichte. Verre van dat zelfs, ook hier stuitte de avant-garde vooral op onbegrip en verzet. En dan heb ik het niet eens over nihilistische demonstraties van antikunst, zoals een paar jaar later in de dadaïstische cafés in Berlijn en Zürich zouden plaatsvinden, maar over – bijvoorbeeld – een paar van de absolute hoogtepunten uit de moderne muziekcultuur.

Op 31 maart kwam het in de Weense Musikverein tot woeste reacties van het publiek tijdens een door Arnold Schönberg ­gedirigeerde uitvoering van liederen van Alban Berg (‘idiote muziek bij teksten van een gek’). Parijs beleefde op 29 mei de première van Strawinsky’s en Nijinsky’s muziekballet Sacre du printemps, dat geheel naar verwachting van de makers uitliep op een oorverdovend schandaal. Strawinsky’s muziek bracht het oer­geweld van archaïsche Afrikaanse en Oceanische krachten op het toneel, dat eerder al het inspirerende voorbeeld was geweest voor de ­expressionistische schilders en voor Picasso’s Demoiselles d’Avignon (1907), maar dat hier, in het Théâtre des Champs-Élysées, een niet eerder vertoonde onontkoombare, fysieke directheid kreeg. Illies beschrijft de consternatie met details waarvoor in de muziekgeschiedenissen meestal geen plaats is. En hij merkt op dat niet alleen Ravel en Debussy tot het enthousiaste premièrepubliek behoorden maar ook Coco Chanel, die met haar hoedenwinkel in Parijs al opzien had gebaard en nu de grote Russische componist voor het eerst ontmoette – ‘en vervolgens zijn geliefde werd’.

De op licht ironische toon beschreven faits divers van dit type maken 1913 tot een aangenaam en gemakkelijk leesbaar boek ook voor niet-specialisten in de kunst­geschiedenis. Lof verdient de auteur vooral omdat hij erin geslaagd is alle geruchten en roddels, alle excentriciteiten en onbeschaamdheden, alle privé-besognes en karakterzwakheden een glans van relevantie te verlenen door ze te verbinden met de onbetwistbare genialiteit van degenen die het betreft. Slim is ook de manier waarop hij een aantal geschiedenissen als een vervolgverhaal presenteert, zodat de lezer het gevoel krijgt als quasi-tijdgenoot tot de directe getuigen te behoren van, bijvoorbeeld, de pogingen van Oskar Kokoschka om ‘het mooiste meisje van Wenen’, ‘zijn vleesgeworden utopie van de vrouw’, Alma Mahler, voor zich te winnen. Daarvoor dient de verhitte schilder hen beiden te vereeuwigen in een meesterwerk van een Verlobungsbild, waarvoor hij een doek aanschaft van 180 bij 220 centimeter, de maten van het bed waarop zij onder het schilderen hun seksuele entr’actes uitvoeren.

In 1913 munt Max Weber de formulering ‘onttovering van de wereld’, zit Oswald Spengler gebogen over zijn Ondergang van het Avondland, leest Hitler, die zich bij zijn hospita in München nog laat inschrijven als ‘architectuurschilder’, rancuneuze, hetzerige blaadjes, doodt Trotzki in het Weense Café Central de tijd met eindeloze schaakpartijen, en werkt Stalin, eveneens in Wenen, in opdracht van Lenin aan zijn Marxisme en het nationale vraagstuk. Alle alarmlichten staan op rood. Desondanks verschijnt in 1911 in Engeland een boek van Norman Angell, The Great Illusion, in 1913 gevolgd door een ‘Open brief aan de Duitse studentenbond’ met de geruststellende boodschap dat het tijdperk van de globalisering met haar internationale communicatieve netwerken en haar economische belangenverstrengelingen een wereldoorlog onmogelijk maakt. Die redenering komt ons in 2013 bekend voor – dat is allesbehalve geruststellend.


Florian Illies

1913, het laatste gouden jaar van de twintigste eeuw

Vertaald door Jan Bert Kanon, Atlas Contact, 320 blz., € 24,95