De onnozelaar

Hoewel beide vergelijkingen mij absurd lijken, werd de Fransman Emmanuel Bove bij leven (1898-1945) vergeleken met Dostojevski en Proust. Ook werd hij bewonderd door Rainer Maria Rilke, Philippe Soupault, André Gide, Max Jacob, Samuel Beckett, Michel Butor en Peter Handke, een comité van aanbeveling dat publicitaire wonderen zou moeten verrichten. Maar nee, afgaande op de moeizame geschiedenis van Nederlandse Bove-vertalingen zijn die wonderen uitgebleven.

In de jaren tachtig deed De Prom zes pogingen hem in ons land aan de man te brengen. In 2002 probeerde Bas Lubberhuizen het, maar het bleef bij één titel; in 2013 volgde Coppens Frenks, vermoedelijk met hetzelfde resultaat. En nu is het de beurt aan De Arbeiderspers om te bewijzen dat Bove geen writer’s writer is, dat er aan hem niets elitairs kleeft, dat hij, integendeel, eerder met de toegankelijke en eenvoudige, inmiddels wel met de Nobelprijs geëerde Patrick Modiano vergeleken moet worden, zoals de laatste tijd dan ook meermaals is gebeurd. Benieuwd of het helpt.

Le pressentiment (Het voorgevoel) is van 1935. Hoofdpersoon is Charles Benesteau, een ongeveer vijftigjarige advocaat die in een eerdere versie – ik ontleen die kennis aan het nawoord van vertaalster Mirjam de Veth – Charles Morice heette. Benesteau is beter omdat er ‘benêt’ in doorklinkt, wat sufferd, onnozelaar, naïeveling betekent, en dat is voor deze Charles een treffende karakterisering. Gezien leeftijd en professie, gezien ook het feit dat hij Parijzenaar is, zou je een door de wol geverfd heerschap verwachten, een man die weet dat realiteitszin onvermijdelijk gepaard gaat met enig cynisme, maar niets van dat al. Charles is misschien wel eerder een interessante proefpersoon dan een erg geloofwaardig individu van vlees en bloed. Het voorgevoel is dan een onderzoek naar onnozelheid, of liever: naar de mogelijkheid van onnozelheid in moderne, dus per definitie niet-onnozele tijden.

Charles is een voortdurend weifelende figuur, die niettemin – daarmee begint het boek – een radicale keuze heeft gemaakt waarmee hij zijn leven een volledig nieuwe wending hoopt te geven. Hij heeft vrouw en kinderen verlaten, zijn baan bij de rechtbank opgegeven, gebroken met familie en vrienden en zijn ruime appartement in een chique buurt verlaten, een volkomen onbegrijpelijk besluit aangezien zijn leven tot dan rimpelloos verliep. Dus vindt de verteller het nodig de lezer aangaande deze vreemde heer wat bij te praten. Hoewel er al snel een hard oordeel wordt uitgesproken, blijven zijn motieven voor de breuk het hele boek omgeven met geheimzinnigheid: ‘Hij vond de wereld slecht. Niemand was in staat tot onbaatzuchtigheid. Om zich heen zag hij alleen mensen die deden alsof ze het eeuwige leven hadden, ze waren onrechtvaardig en schraapzuchtig, slijmden tegen degenen aan wie ze iets konden hebben en lieten de rest links liggen.’

Medium emmanuel 20et 20louise 20bove 20sur 20le 20grand 20pont 20a cc 80 20lausanne 20
Nu is het de beurt aan De Arbeiderspers om te bewijzen dat Bove geen writer’s writer is

Zelf kiest hij voor een leven waarin hij zich van die schijn wil ontdoen. Als zijn vader sterft weigert hij het rechtmatige deel van de erfenis, aan niets heeft hij zo’n hekel als aan ruzie over geld. Hij scheidt van zijn vrouw en verhuist naar een bescheiden pension in een arme buurt. Ook veel later, als je zou denken dat hij al lang, door schade en schande wijs geworden, zou zijn teruggekrabbeld, denkt hij nog altijd dat zijn vrouw, familie en vrienden van weleer ‘voor de schijn, waaraan ze zoveel waarde hechtten, een voortdurende inspanning (moesten) leveren waardoor de poëzie van het leven hun ontging’. Intussen weten we dan al ruimschoots dat Charles’ nieuwe leven nu ook niet direct door een stevige injectie _Sturm und Drang-_poëzie kracht en glans heeft gekregen. ’s Avonds schrijft hij zijn herinneringen op, zonder literair oogmerk, ook ‘zonder de diepe voldoening van volbrachte arbeid’. Zijn poëzie wordt niet gekruid door hevige uithalen van liefde of wrok, zijn verbeelding wil zich maar niet aan de zwaartekracht van het alledaagse onttrekken.

Charles zoekt het geluk, integendeel, in eenzaamheid en onopvallendheid, maar zijn broers geloven hem niet, ze denken dat hij hen met die ‘lugubere buurt’ wil provoceren. Dan blijkt dat hij zijn ideale staat van naïeve, monastieke gelatenheid ook maar moeilijk kan bereiken; meer dan eens barst hij haast uit zijn vel van woede en verachting maar houdt dan toch de schijn van vriendelijkheid op. Toch krijg je een moment later weer de stellige indruk dat zijn menslievendheid in het geheel niet wordt gemotiveerd door het verlangen naar applaus of wederdienst. Charles blijft voortdurend iets ondoorgrondelijks houden. Het sterkst wordt zijn altruïsme op de proef gesteld als zijn rechtskundige en financiële hulp wordt ingeroepen door een ruziënd echtpaar – ‘van het laagste allooi’ volgens buurtgenoten – waarvan de man in de gevangenis en de vrouw dodelijk gewond in het ziekenhuis belandt, waarna hij zich, ‘hevig aangegrepen’, het lot van hun arme dochter aantrekt en haar zelfs in huis neemt.

Hoewel het resultaat van het experiment – een onopvallend leven wars van elke egoïstische aandrift – bij voorbaat vaststond, is het literaire verslag ervan vaak verrassend en soms zelfs aangrijpend. Door zijn sobere stijl en zijn afkeer van een spectaculair bestaan doet Bove meer dan aan de meeste eerdergenoemde auteurs aan Nescio, Elsschot en vooral aan Bernlef denken, net als Bove een veelschrijver. Hij verdient een ruimere introductie en een groter publiek, voor De Arbeiderspers is er nog voldoende werk aan de winkel.


Beeld: Bove met zijn vrouw Louise, Lausanne