De onschuld zelve

Collectie Arnulf Rainer, tot en met 16 februari in De Stadshof te Zwolle.
Kent u deze namen: Leopold Domenico, Alfred Wallis, Louis Soutter, Aloïse Corbaz? Ik betwijfel het. Toch behoren ze tot de grote kunstenaars van deze eeuw. Hun werk is nu te zien in het museum voor naïeve kunst De Stadshof te Zwolle, dat een keuze toont uit de collectie van de Weense kunstenaar Arnulf Rainer.

Het zijn de onbekende meesters van deze tijd. Ze vallen buiten het systeem van musea, academies, handel en kritiek en blijven dus bijna altijd buiten het blikveld van de ‘kunstliefhebber’. Dat is ironisch, want als er ooit van liefhebbers in de ware zin des woords kan worden gesproken, dan zijn zij het wel. Immanuel Kant sprak over de kunst als het belangeloze in deze wereld, maar dat heeft nooit iemand ervan weerhouden een stevig belang te nemen in de kunst. Met de opkomst van de vrije kunst kregen velen juist een groot belang bij de conventies van de kunstwereld. En waar belangen zijn, zijn ook outsiders. Gelukkig voor de meesten is zo'n plekje in de kunstwereld niet hun ambitie. Wat niet weet, dat niet deert, en voort gaan zij, onverdroten werkend aan hun oeuvre. Het zou ook niet anders kunnen, want van rancune alleen kan de kunst niet leven.
Herkent u, in verband met de beeldende kunst, de begrippen echtheid, directheid, authenticiteit, originaliteit? Ongetwijfeld. Toch zijn het deugden die met voorrang gelden voor juist deze naïeven die u niet kent. Outsiders aan wie de codes van de officiële kunstwereld voorbijgaan en die in groot isolement hun innerlijke noodzaak tot kunst herleiden. Noodzaak? Kunst? Zelfs deze begrippen zeggen hen weinig. Of het nu de resultaten van bezigheidstherapie zijn of een door psychische storingen uit de hand gelopen hobby, noodzaak noch kunst hoeft bij hen te worden gecultiveerd. Werk van outsiders komt tot stand zonder de rechtvaardiging en aansporing van grote woorden en getuigt dus in feite van onschuld. De erecodes van de kunstwereld zijn niet aan de orde. Ze zoeken het niet hogerop. Hun muze is heel bescheiden.
Arnulf Rainer wordt door velen gezien als de onschuld zelve. Hij vertolkt een kunstenaarschap dat dicht bij het naïeve in de buurt komt. Zijn werk is puur. Hij staat bekend om zijn uitdrukking van zijn diepste innerlijk. Zijn werk staat in een expressionistische traditie met Wenen als bakermat. Het is de stad waar de idiosyncratische binnenwereld voor eeuwig in hoog aanzien lijkt te staan, waar de hele cultuur wordt gemoraliseerd door het onderscheid tussen innerlijk en uiterlijk, droom en werkelijkheid, ik en de ander. Verwonderlijk is dat niet, want sinds de uitvinding van de psychopathogene geestelijke diepgang veronderstelt iedereen die psychopathisch is ook gaarne die diepgang. Evenals de therapeuten. Een heel vakgebied leunt op deze gedachte: de psychiatrie. De dieptepsychologie gaat er a priori van uit dat de patiënt diepte heeft, en dat intensieve analyse daar toegang toe kan verschaffen.
Rainer zelf is nog het meest in deze mythe gaan geloven. Hij heeft op de uitdrukking van gekweldheid bijna een patent genomen. Altijd dat getormenteerde, dat verscheurde, die diepe haat. De kunstenaar bracht zichzelf moedwillig in stemmingen waarin deze sentimenten konden ontstaan. Het werk biedt een twintigste-eeuwse iconografie van de lijdende ziel, geïnspireerd op het werk van patiënten wier lijden in klinieken was geïnstitutionaliseerd. Deze houding van Rainer heeft ervoor gezorgd dat hij nu beschikt over een unieke verzameling.
Over de tentoonstelling zelf zeg ik niets. Kunstkritiek schiet toch tekort om de vele werken, afgrondelijk wisselvallig als ze zijn, te bespreken. Het werk dat het snelst de aandacht vraagt, is werk dat zich kan meten met 'echte’ kunst. Maar de criteria waarmee dat kan worden vastgesteld, zijn nu net door het voorgaande gerelativeerd. Hier is een andere beoordeling nodig.