De ontdekking

Willem J. Otten, Kees Verheul, Clay Hunt, Niets heb ik van mijzelf, € 17,50

Weinig vind ik zo aantrekkelijk als iemand die over zichzelf schrijft dat hij als zeventienjarige weg moest uit Twente, naar Amerika moest afreizen, omdat hij te zeer last had van zijn bewondering voor Vestdijk. Dat spreekt me aan, dat een schrijver zo belangrijk kan worden dat hij je beknelt in plaats van dat hij je bevrijdt. Het zegt iets over hoe essentieel de ontdekking van literatuur kan zijn. De Twentse jongen komt in Williamstown terecht, een plaatsje in het bergachtige gebied van Noordwest-Massachusetts. Er is een universiteit gehuisvest die toch wel enig aanzien moet genieten wil je daar als student te maken kunnen krijgen met een docent die je én uit je Vestdijk-ban weet te bevrijden omdat hij nieuwe vergezichten op denken, lezen en schrijven voor je opent én je een vrolijker mens weet te maken, zozeer dat bij terugkomst in Twente familie en bekenden je nog maar amper herkennen. Kees Verheul heet de student in kwestie, later schrijver-vertaler geworden, en ik beken maar onmiddellijk: ik had nooit wat van hem gelezen.
Dit laatste maakt het lezen en begrijpen van Niets heb ik van mijzelf, een coproductie van drie auteurs, een ietwat gecompliceerde kwestie. Terwijl ik denk dat juist geprobeerd is om lezers als ik tegemoet te komen door het boek op te bouwen als een drietrapsraket. Aan de bekendere auteur Willem Jan Otten de taak om Kees Verheul, blijkens de achterflap zijn vriend en literair leidsman, te introduceren via een Abecedarium. Misschien wel een originele vorm, maar ik weet niet of het nu ook de meest gelukkige vorm is om iemands werk te ontsluiten als de auteur in kwestie nog springlevend is. Ottens schrijfwijze is bovendien die van de enthousiaste, persoonlijke essayist, en zijn abc volgt wat dat betreft ook een geheel eigen logica. Dus driedubbelop Aanleiding, Aanzet, Abecedarium, en dan bijvoorbeeld wel Achmatova, en Brodsky, en Céline, maar níet Vestdijk. En dan in Angst volstaan met een verwijzing naar Stormsonate, kijk je onder dat lemma, dan staat er alleen dat het de vijfde roman is van Verheul. Ik kan er van alles bij gaan bedenken - elk boek wordt uit angst geboren, zoiets - maar wil ik dat? Ik ken de roman Stormsonate niet, ik had er wel meer over willen horen. Zeker de eerste dertig pagina’s van dit boek wordt er kortom te zeer een beroep gedaan op mijn welwillende houding.
Maar o wonder, op pagina 35 begint het te werken, misschien niet toevallig bij het wat uitgebreidere lemma Homoseksualiteit. Heeft Otten eenmaal de ruimte je mee te nemen in zijn redeneertrant, dan kun je ook niet anders dan hem volgen en benieuwd raken naar de rest. Toch blijft het een beetje storen dat hij vaak struikelt over zijn eigen superlatieven, en een nuchterder afweging ontbreekt. Nooit is er dieper gravend en tegelijkertijd subtieler geschreven over de verhouding leerling-leermeester dan door Verheul. Geen sensibeler zelfportrettist dan Verheul. Van de weeromstuit wordt de W van Waarom almaar dikker. Is Verheul ziek? Vanwaar dit in absolute termen gegoten opkontje? Waarom het niet gelaten bij een verhelderende inleiding?
Te meer daar - eenmaal aanbeland bij de kern van Niets heb ik van mijzelf - Verheul ook wel op eigen benen blijkt te kunnen staan. Ik heb genoten van Verheuls eerbetoon aan zijn leermeester in Williamstown, de nooit-eerder-van-gehoord-hebbende Clay Hunt. Zozeer dat ik Ottens Abecedarium erna opnieuw las, en natuurlijk: dan werkt het ook beter. Maar toch. Verheuls precieze schrijfwijze, uitnodigend hem op de voet te volgen in zijn euforische momenten, volstaat. De manier waarop hij verslag doet van zijn bewondering voor Clay Hunt, ‘een cascade van tweed, levenslust en effciëntie’, is aanstekelijk genoeg. De student, gegrepen door het retorisch talent van de docent die hem inwijdt in de moderne Amerikaanse poëzie, hoe 'onbegrijpelijker’ hoe beter, maakte amper aantekeningen, nu tot zijn spijt. Het neemt niet weg dat hij nog feilloos in staat blijkt de belangrijkste lessen te reproduceren. Met tot gevolg dat ik op mijn beurt aantekeningen in de kantlijn maak bij die lessen. Bijvoorbeeld dat de kracht van grote poëzie minder in de reële dan in de potentiële betekenis van de woorden ligt. En dat poëzie niet een kwestie is van je laten gaan in je emoties, maar juist een ontsnapping aan emoties is, niet de uitdrukking van een persoonlijkheid, maar juist een ontsnappen aan die persoonlijkheid, in mijn eigen kromme vertaling van de geciteerde stelregels van T.S. Eliot, die daarbij een superieure uitsmijter had. Nu in het Engels, zoals Verheul hem ook citeert: 'But of course, only those who have personality and emotions know what it is to want to escape from those things.’
Clay Hunt declameerde de gedichten van moderne dichters als Pound, Eliot, Auden, en maakte ze inzichtelijk, zonder ze dood te maken. Voorgoed zitten ze in het hoofd van zijn student van meer dan dertig jaar her. Wat Verheul ook heel mooi en zachtzinnig duidelijk maakt: hoe het dan kan tegenvallen om het werk van zo'n bewonderd iemand te lezen. Hunt was meer een 'talker’ dan een 'writer’, en vergeefs zoekt Verheul naar de sprankeling die hij vanuit de collegebanken ervoer in Hunts boeken. Dat we dan uiteindelijk toch vergast worden op de explicatie van Hunt van John Donne’s Lofzang tot God - de completering van de drietrapsraket - heeft dan ook iets ongerijmds. Aan de andere kant: met liefdevolle precisie heeft Verheul daarvóór geanalyseerd wat er mis gaat in het werk van Hunt over respectievelijk John Donne en John Milton. 'Doordat hij geen greep toont op het conflict tussen zijn weerzin en zijn bewondering, wordt de lezer met tegenstrijdige emoties belast.’ Maar is dat niet juist waar het allemaal gebeurt, op dat snijvlak van weerzin en bewondering? Dat dit boek bij mij tot die tegenstrijdige emoties leidde, vond ik er in ieder geval voor pleiten. Dit is literatuur tot leven wekken.

WILLEM JAN OTTEN, KEES VERHEUL, CLAY HUNT
NIETS HEB IK VAN MIJZELF
Van Oorschot, 207 blz., € 17,50