© ANP / Eric van ‘t Woud

Tot voor kort associeerde ik bibliotheken vooral met Straf en Paniek. Ik heb als kind een paar jaar in een Amerikaanse buitenwijk gewoond, waar ik een hartstochtelijke angst ontwikkelde voor het te laat inleveren van bibliotheekboeken. In mijn herinnering was die bibliotheek een langwerpig, zandkleurig plat gebouw dat als een hagedis tegen de grond gedrukt zat. De paar keer dat mijn moeder ons in de minivan erheen bracht leende ik er pockets voor kinderen en young adults. Ik nam ze mee naar school om tijdens de lunch te lezen. Toen raakte ik een Goosebumps kwijt en hoefde ik ineens nooit meer naar de bibliotheek.

Het verloren boek werd een zwaard van Damokles. Elke keer dat ik thuiskwam van school verwachtte ik dat er een hele enge brief zou zijn gekomen. Dat er een dame van de bibliotheek met mijn ouders aan tafel zou zitten, handen om een kop thee gevouwen, om mij hoofdschuddend een rekening te presenteren. Aan het einde van het schooljaar, toen we onze hoge Amerikaanse kluisjes moesten leegmaken, vond ik onder een versteende laag propjes het boekje. Ik deed wat mijn instinct me ingaf en scheurde de kaft eraf, scheurde het toen maar helemaal uit elkaar en gooide het in de papierbak met de rest van het afval. Ik verhuisde een paar jaar later en was opgelucht. Ik groeide op en had weinig redenen meer om naar een bibliotheek te gaan. Tot nu.

Het oude postkantoor op de Neude in Utrecht is in 1924 in de Amsterdamse stijl gebouwd en in de afgelopen jaren helemaal opnieuw ingericht. In een deel van het gebouw is nu de nieuwe openbare bibliotheek. In de lente van 2020 zou de feestelijke heropening zijn van het gebouw, maar omdat we toen net in het holst van de lockdown zaten bleven de deuren dicht. De ballonnen aan de gevel hingen steeds lager te knikkebollen. Een jaar later had ik een uur stuk te slaan in de stad terwijl mijn telefoon gerepareerd werd. Onrustig, steeds graaiend naar het trillen van een fantoomtelefoon liep ik rond. Te vroeg voor de kroeg dus ik liep de bibliotheek in. Tussen twee hoekige leeuwen en onder de letters POSTERYEN en TELEGRAFIE door kwam ik de centrale hal binnen. Die hal is schitterend hoog, overkoepeld door een ribbenkast van stenen parabolen waartussen een raamwerk van geometrische glaspaneeltjes. De hal wordt verlicht door drie halogenen aureolen die boven de zwart-witte vloer zweven en de kerkelijkheid van het hele gebeuren onderstrepen. Ik liep naar een mevrouw achter een loket en werd lid. Een labelmaker printte mijn naam en ik kreeg meteen een pas. Ik mocht tien items per keer lenen en ze drie weken houden.

Ik weet niet hoe ik moet uitleggen hoe vreemd en nieuw en hoopgevend de bibliotheek is voor mij, net nu hij obsoleet aan het worden is. Het moet bizar zijn om dit te lezen als je je hele leven in bibliotheken bent gekomen. Maar op die paar bezoekjes aan de zandhagedis na was de bibliotheek bijna nonexistent in mijn leven. Ik had heel vroeg een e-reader, dat was handig want we reisden veel. Als student regelde ik pdf’jes of kocht ik boeken over van medestudenten. Studeren in de universiteitsbieb deed ik niet, ik kreeg het op mijn heupen van al die hardwerkende leeftijdsgenoten om me heen. Ik ging sowieso steeds minder boeken lezen, want er was al zoveel tekst, studeren was tekst en werk was tekst en sociale media waren ook al tekst. Als ik wel boeken kocht, bestelde ik ze op Bol want dan waren ze er de volgende dag. Vreemd en nieuw en hoopgevend dus, de bieb, en wel hierom:

De bibliotheek is een van de weinige plekken in de stad waar je zomaar, gratis, en zo lang je wil binnen mag zijn. In de bibliotheek werken geduldige en belezen mensen die je om advies kunt vragen. Als het interne zoeksysteem iets niet kan vinden weten zij wel iets anders, heeft u al van deze schrijver gehoord? zeggen ze dan. Er zijn ook films en bladmuziek. Wanneer je een boek terugbrengt, wordt het door een machine ingeslikt en komt het in een Willy Wonka-netwerk van lopende banden terecht. Wanneer je een dvd leent, mag je het doosje ontgrendelen met een speciaal apparaat. Daar haal je het doosje doorheen van voor naar achter en dan kan het ineens open.

Je kunt ook naar de bibliotheek als je daar samen met andere mensen een film wil kijken, als je hulp nodig hebt met je huurtoeslagaanvraag of als je speciale boeken wil voor dyslectische kinderen. Je kunt er printen, studeren, of gewoon rondlopen. En in de bibliotheek hebben ze alle tijdschriften. Als je bijvoorbeeld, ik roep maar, geen abonnement meer wil hebben op The New Yorker, omdat je er toch nooit doorheen komt, omdat je thuis omringd bent door schermpjes die om je aandacht schreeuwen, en je bijvoorbeeld dan maar verslagen je abonnement opzegt, dan kun je naar de bibliotheek om gratis een paar uur door te brengen met The New Yorker. En in de bibliotheek in het oude postkantoor is een klein speelpostkantoortje voor kinderen, met brievenbus en loket en al. Soms als ik er kom speelt daar een kind voor postbode, met de postbodepet op die daar aan een kapstok hangt.

Waarom voelt dit zo indringend als het laatste bastion van iets? En van wat dan? Misschien is het niet ingewikkelder dan dit: door de coronacrisis heb ik een hernieuwde liefde voor op een echte locatie zijn, dingen vasthouden, aanraken, in zwijgende saamhorigheid iets doen met onbekenden. Of is het dit: hoe oneindig de inhoud van een bibliotheek ook is, de bieb voelt als een behapbare eindigheid vergeleken met de oneindigheid van het internet. Over drie weken moet ik dit boek weer inleveren. Dan moet ik het nu dus lezen. In plaats van de miljoen andere dingen die ik ook zou kunnen lezen. De bibliotheek is dus een wapen tegen de verstrooide aandacht en de versplinterde sociale structuren van deze tijd. Of: ik ben nostalgisch omdat ik graag mijn eigen verstrooide aandacht wijt aan de tijdsgeest.

Goed, het heeft allemaal geen zin ook om het uit te leggen, want de waarde van de bibliotheek is net zo moeilijk uit te leggen als de waarde van gemeenschap of de waarde van schoonheid; dat zijn waarden op zich. Dingen die het beschermen waard zijn gewoon omdat dat zo is. Nu ik hier zit, in de nok van het gebouw bij de afdeling Andere Talen, waar de houten balken elkaar kruisen en de schuine ramen alles groot en licht maken, weet ik het zeker.