Tien jaar na de Duitse hereniging

De ontdekking van het westen

Plotseling stonden de Oost-Duitsers Klaus en Rita Hoffmann op straat. De managers van de Academie van Wetenschappen belandden inmaffiose bedrijven, verkochten stofzuigers en waren bij tijden werkloos. Tien jaar na de officiële Duitse hereniging kijken ze terug op hun tragikomische ontdekking van het kapitalisme.

«Weet je nog dat we tien jaar geleden in onze Berlijnse supermarkt stonden met al die lege schappen, op de dag dat alle Oost-Duitse producten vervangen werden door die uit het Westen? Mooi, dan hebben we een getuige.» Rita Hoffmann grijnst. «Bijna iedereen denkt namelijk dat de Oost-Duitser zijn eigen waren niet meer bliefde toen hij die uit het Westen kon krijgen. Jazeker, ook de Oost-Duitser denkt dat. Ik snap wel hoe dat werkt. De media bevestigen dat beeld voortdurend in hun terugblikken, en de nieuwe Bundesburger wil niet betrapt worden op ‹oud denken›, op achterhaald communistisch gedachtegoed. Dus die verdringt de werkelijkheid van toen.»

Het gesprek met Klaus en Rita Hoffmann was terloops aangeland bij hun toenmalige sigarettenmerk Cabinet. Dat was tien jaar geleden zomaar van de markt verdwenen. In de laatste dagen van Cabinet kon je één sigaret op de Oost-Berlijnse Alexanderplatz tegen een heel pakje Camel ruilen. Klaus en Rita woonden er vlakbij, in de driekamerflat voor bevoorrechte DDR-burgers die zij met hun tienerdochter deelden. «Nu is er weer Cabinet. Maar die smaakt heel anders.» Ze steken nog een Marlboro op.

Klaus en Rita Hoffmann wonen nu onder Wessies, op het platteland in de buurt van de havenstad Kiel. Van Oost naar West en van stad naar land — dat zijn eigenlijk nog de minste veranderingen die zich de afgelopen tien jaar in hun leven hebben voltrokken. «Op 2 oktober 1990, één dag voor de officiële Duitse hereniging, kwam de secretaresse van de Academie van Wetenschappen huilend de kopietjes met ons ontslag uitdelen», vertelt Klaus. «Het hare zat er ook bij. Ze had ze zelf ondertekend, namens onze Academie-voorzitter die daags ervoor nog had beweerd aan zoiets niet mee te zullen werken. Natuurlijk was hij kort erop zelf de klos.»

In 1990 bekleedde zowel Klaus als Rita een managementpositie bij het centrale bureau van de prestigieuze Oost-Duitse Academie van Wetenschappen. De Academie omvatte ziekenhuizen, researchcentra en politiek-ideologische instituten, 24.ooo man in totaal. Vanzelfspre kend werd het zenuwcentrum van de Academie als eerste ontmanteld. «En het was logisch dat de vierhonderd werknemers van ons instituut een dag voor de hereniging hun ontslag kregen aangezegd. Een dag later zouden we onder de Bondsduitse wetgeving zijn gevallen, met alle arbeidsrechtelijke bescherming van dien.» Omdat een schoonmaakster in de DDR nu eenmaal meer verdiende dan een academicus werd er voor mensen als Klaus en Rita een pensioengarantie opgebouwd, de Intellektuellenrente. «Het nieuwe Duitsland erkende deze regeling niet, omdat de papieren ontbraken: we hoefden er geen premies voor te betalen.»

De Hoffmanns stonden in 1990 dus op straat, met enkel hun spaargeld dat door de Duits-Duit se wisselkoers van twee (Oost) op één (West) snel slonk. Netwerken was niet aan de orde — hun hele oude netwerk stond immers op straat. Wat te doen? Rita Hoffmann behoort tot de eerste generatie die met de pc werkte, al vanaf 1984. Bovendien beheersten beiden het Engels — die taal werd in de DDR veel intensiever onderwezen dan bekend is. Klaus en Rita verwelkomden het tijdperk van de onbegrensde informatiestromen. «Wij waren niet bang voor de nieuwe tijd. We hebben altijd plezier gehad in ons werk en om het geld is het ons nooit gegaan.»

In de chaotische dagen rond 1 juli 1990, toen de Duitse Währungsunion tot stand kwam, bezocht ik de Hoffmanns in Oost-Berlijn. Deze «unie» van de twee Duitse geldstelsels betekende het einde van de Ostmark — en daarmee van het Oost-Duitse leven. In die dagen verdiepten Klaus en Rita zich in fenomenen als de eurocheque en de hypotheek. In hun wens het kapitalisme te doorgronden, vroegen ze me toen honderduit. Op mijn beurt leerde ik goed/fout-schema’s te nuanceren. Het idee dat DDR-bobo’s die bevrediging hadden gevonden in hun werk dom of slecht waren en zeker humorloos, bleek onzinnig. Klaus en Rita kwamen me eerder voor als vrijdenkers die hun handicaprace op de socia listische renbaan naar eer en geweten tot een goed einde hadden proberen te brengen.

Als Klaus de zomervakantie van 1961 met zijn ouders aan de Noordzeekust bij Hamburg twee weken later had kunnen beëindigen, had hij ongetwijfeld carrière gemaakt in de BRD. Nu was het gezin terug in Oost-Berlijn toen de Muur werd opgetrokken, en werd Klaus als zoon uit een SPD-nest pas na allerlei ontmoedigingsacties op het gymnasium toegelaten. «Maar in het Westen was er wellicht geen geld geweest om me te laten studeren», nuanceert hij. En als Rita’s ouders, met haar als baby, na de oorlog niet door de Sovjets waren verdreven uit de Oost-Pruisische regio rond Koningsbergen (Kaliningrad)… «Dan hadden Klaus en ik elkaar nooit leren kennen», grapt Rita. Hun huwelijk was, in tegenstelling tot vele DDR-relaties, bestand tegen alle stormen van het voorbije decennium.

Eén ding werd Klaus en Rita in 1990 wel duidelijk: in de academiewereld en bij de overheid hadden ze, dankzij hun besmette verleden, geen kans meer. Klaus: «Het vrije veld bleef over, de handel, het bedrijfsleven. Het echte kapitalisme dus.» Hij kon een baan krijgen in Frankfurt, bij een bedrijf in consultancy en managementtrainingen. «Dat wilde een vestiging in Berlijn gaan openen, omdat het zeer winstgevend leek om Oost-Duits bedrijfskader op te leiden.» Zo geschiedde in 1991, nadat Klaus maandenlang op eigen kosten op en neer had gereisd. De constructie was wat ongebruikelijk. Uit fiscale overwegingen eiste de firma dat Klaus en Rita verhuisden naar het bedrijfspand in het West-Ber lijnse Wedding. «Toen bleek dat de Treuhand, de eigenaar van de Oost-Duitse bedrijven, zulke trainingen niet financierde, zette Frankfurt opeens de huurbetaling van het pand stop. Alle rekeningen kwamen bij mij.» Het gaf Klaus veel juridische rompslomp. Rita had zich met hulp van het Arbeitsamt omgeschoold tot bedrijfseconomisch softwaredeskundige en had inmiddels werk gevonden, toen Klaus weer zonder zat.

Klaus en Rita Hoffmann maakten rond 1 juli 1990 deel uit van een experiment zonder weerga. De metamorfose van Berlijn die zich in een weekend voltrok, kon je je al amper in een laboratorium voorstellen, laat staan in de hoofdstad van de DDR. Alle staatswinkels werden ontruimd, vele honderden borden met Obst & Gemüse werden met de hand, vanaf wankele houten ladders, overgeschilderd. Onhandig stoeide het winkelpersoneel van de supermarkt van de Hoffmanns, vanaf 1 juli onderdeel van de Kaiser-keten, met de nieuwe, zelfklevende reclameposters en met dozen vol kekke petjes en vlaggetjes van de merken der overwinnaars. De hele stad werd in een handomdraai met reclame behangen. Op het Alexanderplatz verschenen terrasjes met Camel-parasols en werden folders uitgedeeld met porno, voor tropische vakantieoorden en lucratieve beleggingen.

De Hoffmanns bezagen de hoerastemming die in binnen- en buitenland heerste over de hereniging, die op 3 oktober van dat jaar officieel ging plaatsvinden, met scepsis. Ze maakten zich grote zorgen. Niet in de eerste plaats over hun eigen toekomst, zoals gezegd. Zij zouden zich wel redden. Als Klaus toen had geweten dat hij, een vooraanstaand academicus, binnen enkele jaren met stofzuigers langs de West-Duitse deuren zou gaan, zou hij ongetwijfeld hebben gelachen. De zorgen van de Hoffmanns betroffen in 1990 vooral hun vele landgenoten die zich lieten verleiden tot grote aankopen en dure vakanties, terwijl ze zouden moeten anticiperen op grote werkloosheid, huurverhogingen, verzekeringen en andere woorden uit die nieuwe taal, met betekenissen die het leven hard zouden gaan maken. Maar in de roes van de «bloeiende landschappen» die Helmut Kohl beloofde, leek niemand de boodschap van Klaus en Rita te willen horen.

Klaus vond in 1992 werk in Kiel, ver van Berlijn. Dit keer werd hij als zelfstandig ondernemer ingehuurd door een bedrijf dat investeerde in technologische ontwikkelingen, met name op het gebied van alternatieve energie. «Omdat ik investeerders moest lokken, moest mijn baard eraf, vonden ze. Dan zou ik er minder als een Ossi uitzien. Mijn kleding deugde ook niet. Toen kocht ik een dure Italiaanse designstropdas. Kreeg ik prompt te horen dat die ‹Ossi-das› niet kon. Ik heb ze het merkje getoond. Toen was het over. Mijn baard was ook gered.» Toen hij al vele maanden niet was betaald voor zijn diensten werd hij nog niet achterdochtig. «Die ene grote investeerder in windmolenparken moest nog over de brug komen, dan zouden we hoge subsidies opstrijken en was het kassa.» Dat geld kwam nooit. Justitie en politie deden een inval in het bedrijf. «De moedermaatschappij, een vennootschap in Zwitserland, bleek een brievenbusfirma te zijn.» Naar zijn honorarium van maanden kon hij fluiten.

Sentimenten over de Oost-Duitse gemeenschapszin die teloor was gegaan, waar veel van hun landgenoten zich aan overgaven, vonden de Hoffmanns in die tijd al verspilde energie. Ze betrapten zich erop dat ze steeds meer afstand namen van hun mokkende medemens, de verongelijkte DDR-burger. «Je moet je voorstellen dat het DDR-kader op een kluitje woonde, in dezelfde flats», zegt Rita. «Veel van hen hebben een identiteitsprobleem, omdat ze louter op het verleden terugvallen. Voor je het weet word je meegezogen. Kom je elkaar in de lift tegen. Heeft er net weer iemand een afwijzing gekregen. Dan ontstaan er van die gesprekjes als: het heeft toch geen zin om te solliciteren, wij komen nooit meer aan de bak.» De Hoffmanns hebben in Berlijn heel wat mensen zien wegglijden in totale desinteresse voor de wereld. Klaus: «Dan zag je de flatgenoot die altijd in driedelig kostuum naar het ministerie ging ’s ochtends vroeg in joggingpak met een biertje bij de kiosk staan. Ze voelen zich in de steek gelaten, en dat leidt tot Sozialneid op andere kansarmen, buitenlanders bijvoorbeeld. Vroeger werd je tenminste nog bespitzelt. Toen wás je iemand.»

Zonder angst om zelf in zo'n negatieve spiraal te belanden nam Rita in 1993 ontslag, om zich bij Klaus in Kiel te voegen. Hun weekendhuwelijk begon de Hoffmanns op te breken. Maar ze zien zichzelf niet als uitzonderingen. «We kennen genoeg mensen die met vallen en opstaan een stapje verder zijn gekomen», zegt Klaus. «Mijn oude adresboekje is onbruikbaar geworden. Velen wonen niet meer op dezelfde plek, in dezelfde stad.» Ze vonden een riant, vrijstaand huurhuis op het goedkope platteland. Aan vier kanten zien ze uit op de velden. De Hoffmanns mijden Berlijn nu al jaren. Ze vinden de karpervijver in hun tuin veel boeiender.

Rita kreeg bij het Kielse Arbeitsamt te horen dat ze als vijftiger te oud was — voor alles. Even later geschiedde de ramp van Klaus met het niet-bestaande Zwitserse bedrijf. Hij kreeg als zelfstandige geen uitkering. Zo zaten ze zonder werk vast op het platteland, en al gauw ook zonder auto. Over de donkere vier eerste jaren in Kiel vertellen ze nu pas. «Ik schreef honderden sollicitatiebrieven», zegt Rita. «En ik kocht een gammele dieselauto en ben stofzuigers aan de deur gaan verkopen», zegt Klaus. «Ach, man schafft es.»

Begin juli 1990 schreef ik voor Vrij Nederland een reportage over Oost-Berlijns metamorfose, gezien door de ogen van de Hoffmanns. Er kwamen nogal wat reacties op het stuk met de teneur dat Klaus en Rita het allemaal veel te pessimistisch zagen. Ik had me natuurlijk door een paar onvervalste communisten in de luren laten leggen. De econoom Jan Pen schreef een tegenstuk in VN onder de kop: Klaus en Rita hebben nog nooit van Keynes gehoord. Pen noemde ze een «sympathiek stelletje» voor wie hij evenwel geen respect kon opbrengen. Ze waren immers «typische producten van de politiestaat die de burgers zoethoudt en intimideert» en snapten dus helemaal niet waarom de ingrepen in de failliete DDR-boedel radicaal en pijnlijk moesten zijn. «Rita Hoffmann is, volgens eigen zeggen, econome», schamperde Pen. Rita Hoffmann is inderdaad econome. Daarom kon ze goed inschatten welke sombere tijden haar landgenoten te wachten stonden. Rita: «Ik denk nog steeds dat het economische plan rond de Duitse eenwording te ondoordacht was. Een deel van de sociale misère der Oost-Duitsers had vermeden kunnen worden. Europa trekt ook geen enkele lering uit dit experiment. De invoering van de euro gaat even lukraak. Je zult zien dat achtergestelde landen als Portugal dezelfde treurige Werdegang gaan doormaken als de voormalige DDR.»

De fout die de Hoffmanns tien jaar geleden zelf maakten, is dat ze niet pessimistisch genoeg waren. Zeker niet aangaande hun eigen toekomst.

Klaus en Rita waren in 1990 oprecht blij geweest dat ze werden bevrijd uit het keurslijf van de oudemannenheerschappij die hen, wetenschappers, als kleuters had behandeld. Ze konden zelf niet beslissen welke vakliteratuur ze lazen, laat staan wat ze verder aan cultuur tot zich namen. Klaus had als veelbelovend fysicus al in de jaren zeventig begrepen dat hij de internationale wetenschappelijke ontwikkelingen nooit zou kunnen bijbenen. En toen hij, in een Academie-delegatie, eind jaren tachtig eens naar een congres naar Wenen mocht, kwam hij daar pas aan toen het afgelopen was, omdat hij wegens het gebrek aan harde valuta over Moskou moest reizen.

De staat waarin de Hoffmanns hadden geloofd, bleek te hebben gegrossierd in leugens «ten koste van het volk», zoals Klaus en Rita toen constateerden. Veel van die leugens kwamen vlak na de val van de Muur aan het licht. Kleinere, zoals de geheime export van televisies voor dumpprijzen naar het Westen, terwijl die in de DDR onbetaalbaar waren. En grotere, zoals de verzwegen wapenhandel. «En wij, naïef en idealistisch als we waren, maar denken dat we voor de vrede bezig waren.» «Vrede», het meest gebruikte woord in de DDR. De Hoffmanns kregen er tien jaar geleden kotsneigingen van.

Op oudejaarsavond 1989-1990 gooide Klaus rotjes tegen gebouwen die de staatsmacht representeerden. We hadden elkaar net ontmoet, in de mensenmassa die rond de Brandenburger Tor de val van de Muur kwam vieren. Ik was de eerste westerling met wie ze contact kregen. Een Hollander. Even later deelde een West-Duitser in de champagne. «Ik zal hem nooit meer vergeten», zegt Rita. «Herinner je je nog dat hij het Tsjechische of Hongaarse meisje met wie hij was, voorstelde als zijn vrouw, en erbij zei dat hij haar uit een huwelijkscatalogus had gehaald?»

Na de stofzuigers ging Klaus het verzekeringswezen in. De benodigde kennis verwierf hij door zelfstudie. Maar hij zocht een grotere intellectuele uitdaging. Hij haalt een stapeltje boeken tevoorschijn over economische politiek, aandelen en beurskoersen. Alles über Geld, heet er een. «Nu werk ik als financieringsbemiddelaar tussen mensen die een huis willen bouwen en de geldmarkt.» Hij geeft me een gedreven lesje in kapitalistische principes. «Voor een wetenschapper is alles leuk wat met problemen analyseren en oplossen te maken heeft. Voor mij persoonlijk is geld nog steeds niet belangrijk.» Rita’s doorzettingsvermogen, «maar ook stom geluk», resulteerden in 1997 in een baan. Ze doceert nu fulltime informatietechnologie en micro-economie op een private handelsopleiding. «Mijn eigenwaarde was op dat moment bijna verdwenen. Maar mijn nieuwe collega’s en de leerlingen lieten me onmiddellijk voelen dat ik er thuishoorde.»

Klaus en Rita willen niet meer weg van het West-Duitse platteland. Ze hebben er werk ge vonden. Maar dat is niet de voornaamste reden. «Het is de gemeenschapszin die ons aanspreekt. Wij zijn hier met onbevangenheid tegemoet getreden.» Klaus heeft, uit datzelfde gemeenschapsgevoel, bij de laatste verkiezingen op de Deense partij van Sleeswijk-Holstein gestemd. «Minderheden moet je steunen.» Hun dochter kwam een paar jaar geleden in de buurt wonen. Haar inburgering verliep echter met horten en stoten. «Verhalen over je mooie herinneringen uit de DDR-tijd, die er natuurlijk ook waren, ko men hier niet over. Onze dochter had het gevoel dat ze haar verleden moest afsnijden. Maar sinds haar huwelijksfeest voelt ze zich thuis.»

Is dochter Hoffmann met iemand uit de nieuwe omgeving getrouwd? «Kom nou, met een Ossi natuurlijk», zegt Klaus. Hij zegt het alsof hij een Ossi-Witz vertelt. «We zijn Duitsers. Maar die jongen kende ze al in Oost-Berlijn.» Klaus heeft overigens niets tegen Ossi-humor: «Drie mannen, een Ossi, een Wessi en een neger, zitten opgewonden in de wachtkamer van het ziekenhuis. Daar komt de zuster aan. ‹Hartelijk gelukgewenst›, zegt ze. ‹U bent alledrie vader geworden van een prachtige zoon. Er is alleen een ongelukje gebeurd: we hebben de kinderen verwisseld. U moet er elk maar eentje uitzoeken.› Daarop rent de Ossi de kraamzaal in, grijpt de negerbaby en wil verdwijnen. De zuster wijst hem erop dat hij een zwart kind in de armen heeft. ‹Dat maakt me geen donder uit. Zolang het maar geen Wessi is.›»

Voor de Hoffmanns werd het huwelijk van hun dochter, twee jaar geleden, de bezegeling van hun nieuwe leven. Voor de Polterabend, het traditionele feest aan de vooravond van de plechtigheid, hadden ze de hele omgeving uitgenodigd. En ze kwamen allemaal: de boeren, de arbeiders en die enkele intellectueel. De sfeer van die avond, op het platteland in de BRD, moet iets weg hebben gehad van een DDR zoals die ooit in hun dromen bestond.