Terézia Mora, Juli Zeh, Brigitte Kronauer

De ontheemde mens

Terézia Mora

Alle Tage

Luchterhand, 429 blz., e 22,50

Juli Zeh

Spieltrieb

Schöffling & Co., 565 blz., e 24,90

Brigitte Kronauer

Verlangen nach Musik und Gebirge

Klett-Cotta, 389 blz., e 22,-

Beheersen vrouwen tegenwoordig de Duitse literatuur? In het weekblad Die Zeit stond enige tijd geleden de kop: Ob blond, ob braun, die Besten sind die Frau’n, en daar zit wat in. Drie recente romans zijn geschreven door hoogst getalenteerde vrouwen, van wie er twee, Juli Zeh en Terézia Mora, nog jong zijn. De derde, Brigitte Kronauer, is in de zestig, maar ze schrijft met jeugdig elan. Haar roman Teufelsbrück, verschenen in 2000, werd destijds zeer geprezen.

Zij hebben gemeen dat ze alle drie een geheel eigen, meesterlijke schrijfstijl hebben. Hun omgang met het Duits is bijzonder, wat vooral bij Terézia Mora opmerkelijk is, want zij werd in 1971 in het Hongaarse Sopron geboren. Sinds 1990 woont en werkt ze in Berlijn. En een andere overeenkomst is dat zij trachten het menselijke bestaan te doorgronden in een onoverzichtelijke wereld, waarin oude zekerheden verloren zijn gegaan. Alleen de liefde maakt de wereld draaglijk, maar die lijkt onbereikbaar.

De ontheemde, ontwortelde mens draagt in Mora’s roman Alle Tage de naam Abel Nema. Hij is een vluchteling, een statenloze, vermoedelijk afkomstig uit het oude Joegoslavië en vermoedelijk woonachtig in Duitsland. Weten doen we dat niet precies, want Mora deelt alleen mee dat de roman zich afspeelt «hier en nu». Dat is ook voldoende, want de verwaarloosde nachtclub, het sombere verblijf van drugs dealers, de vervuilde kamers van een groepje musici, en de eenzame flat aan het spoor, waarin Abel Nema op zijn doelloze zoektocht naar een nieuw bestaan achtereenvolgens verblijft, zijn overal. En het lot van de vluchteling die aan de rand van de samenleving belandt, is algemeen. Daarbij is Abel Nema geniaal, want hij leert binnen korte tijd tien talen spreken, waarmee een zekere toekomst als tolk en vertaler binnen handbereik ligt. Maar Nema blijft een dolend individu, niet in staat zich te binden aan anderen, tot liefde. Ten slotte wordt hij zwaar mishandeld door criminele jongeren, die hem ondersteboven ophangen aan een klimrek. Een hersenbloedig leidt tot spraak- en geheugenverlies, waarna hij alleen nog stamelen kan: «Het is goed.»

Ook in Spieltrieb van Juli Zeh hebben de hoofdpersonen elke oriëntatie verloren. De vijftienjarige Ada en de wat oudere Alev beschouwen zichzelf als de «achterkleinkinderen van nihilisten». Deze twee ogenschijnlijk zeer begaafde scholieren bezoeken een duur gymnasium in Bad Godesberg, het chique stadsdeel van Bonn. Zeh kent deze kleine stad aan de Rijn, vroegere hoofdstad van de Bondsrepubliek, goed, want ze werd hier in 1974 geboren. In 2001, ze was toen 27, verscheen haar eerste roman, Adler und Engel, die meteen een groot succes werd en onder meer in het Nederlands werd vertaald.

De protagonisten in Spieltrieb worden ergens in de roman ook de «over levenden van het postmodernisme» genoemd, wat erg voor de hand ligt want de kleine, scherpzinnige Ada is niet alleen een onverschillig meisje, maar voor haar is alles ook gleich-gültig; even geldig. Aan het eind van de roman zegt ze: «Ik schilder u de specifieke moeheid die iedereen overvalt, die moet aanhoren wat goed en kwaad, juist en verkeerd is, ofschoon niemand meer de principes kan verklaren die aan dit onderscheid ten grondslag liggen, of zelfs maar kan noemen.» Daarmee verdwijnt elke moraal uit beeld. Wat blijft is «pragmatisch handelen, want dan is de mens berekenbaar». En wanneer is de mens pragmatisch? Als hij speelt.

Daarvan althans zijn Ada en Alev overtuigd. Maar hun spel is perfide en de afloop redelijk fataal. Toch laat Zeh haar roman verzoenend eindigen, wat haaks staat op het uiterst sombere beeld dat ze schetst van verwende Duitse gymnasiasten.

Brigitte Kronauers roman eindigt niet verzoenend, bij haar is aan het slot eigenlijk niets gebeurd. De protagonisten verlaten aan het eind van Verlangen nach Musik und Gebirge de Belgische badplaats Oostende, behept wellicht met enige kennis van James Ensor, de grote schilder van deze stad. En de hinkende stuntman Roy is een beschadigd hoofd en een illusie rijker, maar dat is alles.

Wat deze roman lezenswaard maakt, is Kronauers knappe constructie en haar schildering van het licht, de zee en de stad Oostende. En dit alles geschiedt in ingewikkelde, maar mooie zinnen die de lezer nopen het geheel langzaam in zich op te nemen.

De constructie bestaat eruit dat vijf toeristen, drie uit Duitsland en twee uit Italië, elkaar toevallig ontmoeten en al even toevallig onder leiding van een Antwerpse handelaar in parfums, Willaert geheten, enkele dagen samen door Oostende trekken, deels op de sporen van James Ensor, die beroemd werd om zijn kleurrijke schilderijen met gemaskerde personages. Willaert lijkt niet alleen op Ensor, hij is eveneens een Ensor-kenner.

Dit laatste is dus ook de schrijfster Kronauer die tevens, zo blijkt, het Belgische verleden heeft bestudeerd. In haar roman transponeert ze Ensors maskerade op haar protagonisten. Ook zij dragen een masker, dat weliswaar onzichtbaar is, maar toch de werkelijkheid verbergt. In de loop van de roman worden door nauwkeurige observatie van de vertelster die maskers meer doorzichtig, maar ze worden niet werkelijk afgedaan.

De liefde, die in de roman een grote rol speelt, vindt geen verwezenlijking, maar slaat wel wonden. Na enkele dagen keren de toeristen huiswaarts, Oostende achterlatend in het eeuwige op-en-af van de getijden.

Het laatste woord van de roman is: «Vloed.»